Calvijn Groene Hart: Een School voor Christelijk Voortgezet Onderwijs

Calvijn Groene Hart is een school voor christelijk voortgezet onderwijs op mavo-, havo- en vwo-niveau. De scholen­gemeenschap, met ongeveer 1.250 leerlingen, is gevestigd in een nieuwe wijk aan de rand van Barendrecht.

Ontstaan en Ontwikkeling

De geschiedenis van Calvijn Groene Hart begint feitelijk in 1995, toen de christelijke scholengemeenschap Johannes Calvijn door een fusie met het Carnissecollege (vmbo-school) de mogelijkheid kreeg om in Barendrecht een onderbouw havo/vwo te starten. In september 1995 ging Johannes Calvijn van start met één klas vmbo/havo en één klas havo/vwo. Door deze ontwikkelingen en de groei van het aantal leerlingen in het vmbo, werd het gebouw aan de Botter 135 te klein om alle leerlingen en personeel veilig te huisvesten.

Na lang beraad kreeg de school een nieuwe locatie toegewezen aan de 3e Barendrechtseweg 450. Na de herfstvakantie van 2001 konden de leerlingen van de tweede klassen havo/vwo en gymnasium, en de leerlingen van de derde klassen vwo en havo, hun intrek nemen in het nieuwe gebouw. Zij vormden destijds, samen met de docenten en conciërge, de pioniers van het eerste uur.

In september 2002 kwamen ook de eerstejaars havo/vwo en gymnasium naar deze locatie, waarmee de onderbouw compleet was. In augustus 2006 stroomden de vmbo/havo-leerlingen in op Groene Hart. In 2010 werd de tto-opleiding (tweetalig onderwijs) gestart, zowel op vwo-, havo- als mavoniveau. In 2013 ontving de school het junior tto-certificaat.

Plattegrond van de school met verschillende vleugels en leerpleinen

Nieuwbouw en Duurzaamheid

In de zomer van 2009 startten de voorbereidingen voor de definitieve nieuwbouw. In december 2011 werd een aanvang gemaakt met de bouw. Mecanoo architecten uit Delft ontwierp een bijzonder mooi gebouw dat voldeed aan de wensen van de gebruikers. Het gebouw telt drie vleugels, elk met drie verdiepingen. De vleugels komen uit in een centrale driehoek, waarin de verspringende vloeren van de verdiepingen (split level) duidelijk zichtbaar zijn.

Een onderwijsvleugel omvat niet alleen lokalen, maar ook een leerplein, dat deel uitmaakt van de onderwijsruimte. In januari 2013 verhuisde de school naar het nieuwe gebouw aan de Haarspitwei 11. Met het oog op het verzoek om het gebouw op te splitsen en eventueel te kunnen verhuren, is er gekozen om verschillende vleugels en niveauverschillen te verwerken in het gebouw. In totaal zijn er vijf onderwijsteams die elk in een andere vleugel gehuisvest zijn en een eigen leerplein hebben, met daaromheen lokalen. Hier werken de leerlingen tijdens de les of in hun tussenuur zelfstandig of in groepjes.

In de school zijn veel duurzaamheidsmaatregelen toegepast, mede mogelijk gemaakt door een extra duurzaamheidsbudget vanuit de gemeente Barendrecht. Het gebouw is hierdoor uitermate energiezuinig en biedt een uitstekend thermisch comfort. Er is veel aandacht besteed aan de ventilatie: een CO2-gestuurd systeem is gecombineerd met individuele regelbaarheid door middel van afzonderlijk te openen ramen.

Het water van het dak wordt geïnfiltreerd in de directe omgeving. Er is aanwezigheidsdetectie en daglichtregeling met hoogfrequente armaturen. Ook de materialen zijn duurzaam gekozen, waaronder hout uit verantwoorde bossen, beton met puingranulaat, natuurverven en onderhoudsvrije materialen. Ten slotte wordt de regeling van de diverse installaties op afstand verzorgd met een GebouwBeheerSysteem.

Interieurfoto van een leerplein met veel natuurlijk licht

Architectuur en Ruimtelijke Indeling

De architectuur van Calvijn Groene Hart is ontworpen met het oog op functionaliteit en een prettige leeromgeving. De ene leerling vindt het heerlijk altijd terecht te kunnen in de eigen vleugel, waardoor het grote gebouw toch kleinschalig overkomt. De ander geniet van het privilege te mogen zitten op de entresol van de aula, speciaal bestemd voor examenkandidaten.

De kantine is een hoge en lichte ruimte met uitzicht op de campus, die gastvrijheid uitstraalt naar bezoekers. HEVO begeleidde de opdrachtgever bij de Europese selectie van de architect en het ontwerpteam.

Historische Context: De Strijd voor Christelijk Onderwijs

De tekst bevat ook een uitgebreide historische context over de strijd voor christelijk onderwijs, met name gericht op de rol van Brummelkamp. Hoewel deze informatie niet direct over de oprichting van Calvijn Groene Hart gaat, biedt het wel inzicht in de principes van christelijk onderwijs die de school mogelijk nastreeft.

Brummelkamp en de Christelijke Schoolstrijd

Brummelkamp was jarenlang actief als een van de belangrijkste voormannen in de strijd voor christelijk onderwijs, door zijn optreden in plaatselijke schoolstichting en schoolbestuur, door het vervullen van spreekbeurten en deelname aan openbare debatten, door zijn werk in landelijke christelijke schoolorganisaties en vooral door zijn journalistieke werk.

Hij was vanaf het begin betrokken bij de strijd voor christelijk onderwijs en had, net als de meeste afgescheiden voormannen, oog voor het ontkersteningsproces dat in veel lagere scholen op gang was gekomen. Het onderwijs werd steeds meer gestempeld door een verdund en verwaterd christendom; de ontwikkelingen in de school liepen parallel aan die in de kerk.

Met het oog op de doopbelofte van de ouders en de taak van de kerk ten aanzien van het onderwijs, was het onmogelijk om hierin stilzwijgend te berusten. Bekend is het woord van de Kamper afgescheiden ouderling Dirk Hoksbergen, dat de scholen net zo bedorven waren als de kerken en dat men er zijn kinderen niet meer heen kon sturen. Een aanzienlijk aantal afgescheidenen dacht er net zo over.

In sommige plaatsen maakte men gebruik van de diensten van afgescheiden schoolmeesters, die om hun kerkelijke positiekeus in ongenade waren gevallen bij de schoolopzieners en waren ontslagen. In andere plaatsen vond men een man of vrouw uit eigen kring bereid om aan een groepje kinderen wat elementair onderwijs te geven. Brummelkamp maakte dit laatste van dichtbij mee in 1837 in Heerde. Aangezien er echter geen vrijheid van onderwijs was, liep het uit op strafrechtelijke vervolging, beboeting en gevangenschap.

Voor de afgescheidenen was dat aanleiding om te trachten op wettige wijze eigen, bijzondere scholen te verkrijgen. In Schiedam heeft Brummelkamp de eerste aanzet gegeven tot het oprichten van een christelijke school. Een eerste plan in 1840 mislukte. In augustus 1841 zond de kerkeraad op zijn voorstel een rekest in bij de stadsregering.

Hij gaf daarin kennis van zijn besluit om een school op te richten ‘ten behoeve van het opkomende geslacht in haar gemeente, welks leiding en vorming de Heere haar zoowel toebetrouwd heeft als dat der volwassenen’. Men beschouwde de kerk kennelijk als mede verantwoordelijk voor het lager onderwijs. De kerkeraad vroeg, voorzover nodig, de toestemming en bescherming van het stadsbestuur.

Ondanks deze teleurstelling bleef Brummelkamp een warm voorstander van schoolstichting. Hij hielp ook mee om anderen in die richting te stimuleren. Zowel in Nog is er hulpe! (1844) als in Landverhuizing (1846) bepleitte hij samen met A.C. van Raalte de noodzaak van vrij, gereformeerd onderwijs. Hij vond afscheiding van het openbaar onderwijs bij wijze van spreken nog urgenter dan kerkelijke afscheiding. Hij verwees daarbij onder andere naar Efez. 6:4.

Hij zag het niet alleen als noodzakelijk voor de eigen kinderen, maar ook voor die van vele ‘naam-christenen’. Tegenover de tegenwerkende regering wilde hij zich militant opstellen door eventueel ook zonder autorisatie tot oprichting van scholen over te gaan. Op plaatsen waar hij kwam preken, spoorde hij de mensen aan tot schoolstichting met gebruikmaking van de stukken die daarover door Groen van Prinsterer en andere Reveil-mannen gepubliceerd waren. Tussen Reveil en Afscheiding ontstond zo op het terrein van het onderwijs goed contact en blijvende samenwerking.

Ook in Arnhem zelf nam Brummelkamp het voortouw. Op zijn voorstel besloot de kerkeraad in juni 1845 een aanvraag bij Gedeputeerde Staten in te dienen voor een christelijke school. Omdat de eigen gemeente maar klein was, zocht men samenwerking met de orthodox-hervormde groep ‘Bakkerstraters’.

De herziening van de grondwet in 1848 betekende een flinke stap vooruit, omdat de vrijheid van schoolstichting werd gewaarborgd. Maar daar stond tegenover, dat tegelijk de voorrang van het openbaar onderwijs werd vastgelegd: de regering zou moeten zorgen, dat overal in het rijk voldoende openbaar onderwijs werd gegeven. Na 1848 veranderde de staatsschool in geen enkel opzicht ten goede. De noodzaak voor christelijk onderwijs bleef bestaan.

In september 1850 deed de Arnhemse kerkeraad opnieuw een poging. Na verschillende mislukkingen slaagde men er in 1851 of 1852 eindelijk in een school van de grond te krijgen. Het was een gemeentelijke school onder bestuur van de kerkeraad, maar de niet-afgescheiden vrienden werden er zoveel mogelijk in betrokken. Vermoedelijk is ze dan ook in januari 1854 omgezet in een samenwerkingsschool met niet-afgescheidenen, een ‘Bijzondere School der 1e Klasse’.

Behalve voor plaatselijke schoolstichting liep Brummelkamp ook warm voor de ‘Normaalschool’ op de Klokkenberg in Nijmegen. Hij werd door de vergadering van ‘Christelijke Vrienden’ in oktober 1848 met J.J. Teding van Berkhout en O.G. Heldring benoemd in de commissie, die deze onderwijzersopleiding namens hen moest inspecteren. Verder kollekteerde hij er zowel in eigen huis en kerk als in de zusterkerken ijverig voor.

In afgescheiden kringen werd ook het Nijmeegsch Schoolblad gelezen. Daarin signaleerde men echter ongereformeerde uitdrukkingen over de mensheid van Christus en de predestinatie. Ook schreef J.J.L. van der Brugghen in afkeurende zin over de Afscheiding. Daarom distantieerden de kerkeraden van Arnhem en Velp zich ervan.

Ook in Kampen raakte Brummelkamp al spoedig betrokken bij de plaatselijke christelijke school. Deze was op 1 juli 1853 geopend in een pand aan de Bovennieuwstraat. In juli 1855 werd Brummelkamp lid van de schoolcommissie; vanaf juni 1856 tot aan zijn aftreden in november 1873 nam hij het secretariaat voor zijn rekening. De school was geen kerkelijke school, maar werd in stand gehouden door particuliere deelnemers, die zich tot een jaarlijkse contributie verplichtten. De overige kosten werden gedekt door de heffing van schoolgeld en door vrijwillige giften.

Brummelkamp was een van de trouwste geldschieters. Herhaaldelijk vernietigde hij ter bestuursvergadering een hem verstrekte schuldbekentenis en schonk hij het geleende geld aan de school. Voor het dagelijks bestuur was er een schoolcommissie, jarenlang onder voorzitterschap van De Cock en uitgegroeid van vijf leden in 1853 tot tien in 1887. In dit gezelschap nam Brummelkamp een belangrijke plaats in. De school groeide gestaag: 140 leerlingen in 1853, in 1860 al 250 leerlingen en bij Brummelkamps aftreden in 1873 ongeveer 400.

Zowel de bestuurders als de onderwijzers van de school waren gebonden aan de leer van de Gereformeerde Kerk, uitgedrukt in de drie formulieren van eenheid. Er mocht niets onderwezen worden wat daarmee in strijd was. Verder was het in haar opzet een kerkelijk-gemengde school. In verschillende opzichten probeerde men steeds de schijn van ‘kerkelijk aanzien’ te vermijden. Zowel in de Christelijke Gereformeerde als in de Hervormde Kerk kollekteerde men voor de school.

Jarenlang bestond ook de regel, dat in de commissie evenveel hervormden als afgescheidenen zitting moesten hebben. Deze lijn werd in de loop der jaren herhaaldelijk ter discussie gesteld, maar altijd krachtig door Brummelkamp verdedigd. Hij vond het wel in het algemeen wenselijk, dat de school van de kerk uitging. Maar in Kampen had men een andere vorm gekozen. Men had de school op kerkelijk neutraal terrein opgericht; daar konden afgescheidenen en niet-afgescheidenen ‘alvast’ samenwerken.

De kerkelijke verhoudingen waren sinds 1853 niet gewijzigd. Daarom mocht men volgens Brummelkamp geen inbreuk maken op de oorspronkelijke opzet van de school. Hij wilde de volle ruimte houden voor participatie van de hervormde broeders en de ‘breed ontvouwen basis’ niet ‘inkrimpen’. Bovendien vreesde hij, dat zo'n maatregel het voortbestaan van de school in gevaar zou brengen. Het is voor een belangrijk deel Brummelkamps werk geweest, dat de school zoveel jaren een samenwerkingsschool van afgescheidenen en hervormden bleef. In de praktijk werd ze vooral als een ‘afgescheiden’ school gezien.

Journalistieke Strijd voor het Onderwijs

Brummelkamp heeft een belangrijk deel van zijn journalistieke energie geïnvesteerd in de schoolstrijd. Volgens hem is het een revolutionair beginsel om de zorg voor het onderwijs aan de staat op te dragen. Steeds meer loste dit zich op in het alvermogen van de wet. Ten onrechte bemoeit de staat zich met de regeling van gewichtige zaken, die uitsluitend op kerkelijk gebied thuishoren, zoals onderwijs, armenzorg en eredienst.

Brummelkamp wilde alle staatswetten eerbiedigen, maar vroeg, dat de wetgever zich onthield van al wat de gewetens kwetste en in conflict bracht met de gehoorzaamheid aan God. Het oprichten en instandhouden van scholen zag Brummelkamp als taak van de ouders en van de kerk. Het is de plicht van de ouders om voor het onderwijs van hun kinderen te zorgen. De kerk ziet, uitgaande van de doopbelofte, erop toe, dat de ouders hun plicht niet verwaarlozen. Voor een belangrijk deel stond de school dan ook voor 1795 onder toezicht van de kerkeraad.

In de regel moet volgens Brummelkamp de kerk en niet de staat de school ‘daarstellen’. Men moet de school, evenals de kerk, zoveel mogelijk losmaken van de staat. Deze moet van zijn kant het recht en de plicht van de kerk op dit terrein erkennen. Uitvoerig en onvermoeibaar heeft Brummelkamp het idee van de algemeen-christelijke of godsdienstig-neutrale staatsschool bestreden.

Gelijkstelling van alle godsdienstige richtingen noemt hij een droombeeld en een onmogelijkheid. En een godsdienstloze school is helemaal een hersenschim. Ook het godsdienstloze is een godsdienst, namelijk van de ‘roekeloze’. Het is onmogelijk om iedereen met een algemeen-christelijke school tevreden te stellen. Men gaat uit van een fictieve eenheid. Overal is wel een minderheid, die een bepaalde invulling niet verlangt. Men levert aan christelijkheid voor de een te veel, voor de ander te weinig.

P. Hofstede de Groot verdedigt een algemeen-christelijke school, die niet-dogmatisch moet zijn. Brummelkamp vindt dat een ‘waterbel’. Zodra je spreekt over schuld en vergeving - bijvoorbeeld in de kinderversjes van Van Alphen - heb je al gedogmatiseerd. Een school zonder dogmatiek is onmogelijk. Iedere meester heeft zijn godsdienst.

In de praktijk heeft het streven naar een eenheidsschool catastrofale gevolgen. Zowel voor als na de wet van 1857 signaleert Brummelkamp, dat de Bijbel en de volkshistorie van de school worden geweerd. Het verbaast hem niet; het is de onvermijdelijke consequentie. Gewijde en vaderlandse geschiedenis kunnen nooit worden onderwezen zonder partij te kiezen. Op de neutrale staatsschool mag je Willem van Oranje geen vader des vaderlands en Balthasar Geeraerdts geen moordenaar noemen.

De jeugd mag niet meer horen, hoe God onze vaderen van de goddeloze tirannie verlost heeft. En hoever mag men gaan in het spreken over Christus? Wat voor iedereen aanvaardbaar is, is in Brummelkamps ogen niet meer dan ‘ergerlijk rationalistisch geteem’. Nooit kan men de onderlinge verschillen wegdenken.

Spreken bijvoorbeeld over een alleen goede God is rechtzinnigen en roomskatholieken een gruwel. Spreken over een God die toornt, is ‘groningers’ en rationalisten een gruwel. Wil men op al dergelijke punten de meesters het zwijgen opleggen? Hoe moet het dan, als de kinderen vragen stellen? Zo wordt hun oordeel niet opgescherpt, maar verdoofd. Nee, een school die neutraal moet zijn, is de naam ‘christelijk’ niet waard. Een godsdienst, die niemand mag kwetsen, is een ‘christeloze’, want de christelijke kwetst uit eigen aard.

Het zogenaamde christendom van de ‘neutrale’ schoolboekjes spreekt over Christus op een onaanvaardbare manier. Volgens Brummelkamp is het ook in strijd met de grondwet, wanneer de overheid een bepaalde mate van christelijkheid voor de gemengde school moet gaan bepalen en voorschrijven. Dat is even absurd als een gemengde kerk van regeringswege te stichten.

Bovendien worden door een school met een vaag en onbestemd christelijk element de minderheden achtergesteld. Volgens de grondwet moet de regering immers de godsdienstige gezindheden gelijkelijk beschermen. Maar in de gemengde school worden altijd de minderheden achtergesteld. In deze stand van zaken ziet Brummelkamp grote gevaren.

De christelijke tint, die de staatsschool voor en na 1857 wettelijk moet hebben in de opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden, is voor hem niet meer dan ‘klatergoud’. De neutraliteit leidt tot een volstrekt zwijgen over God en zijn dienst. Een uur godsdienstonderwijs buiten de schooluren kan de hele beademing in godsdienstloze geest nooit vergoeden. Zo wordt de neutrale school onder christelijke vlag een brug naar ontkerstening.

De kinderen worden niet meer toegerust tegen ongeloof en bijgeloof (‘Rome’!). De gemengde school zonder positief christendom en met een verminkte historie, is product van de leer van Rousseau; is een strik van de ultramontanen voor het protestantisme; is een krijgsmachine van de ‘groninger’ leraars tegen het gereformeerde geloof. De godsdienstloze school wordt een god-verloochenende en ziel-verdervende school. Zij maakt medeplichtig aan het opkweken van een ongehoorzaam en goddeloos geslacht.

Zou facultatieve splitsing van de staatsschool in protestantse, joodse en rooms-katholieke scholen geen acceptabele oplossing zijn? Vooraanstaande ‘vrienden’ als Groen van Prinsterer zien het in de jaren 1854-1860 als acceptabele oplossing. Maar in discussies met onder anderen J.A. Wormser verzet Brummelkamp zich ertegen en bestrijdt hij de facultatieve splitsing. De protestantse scholen zouden immers niet veel beter worden dan ze zijn. De vrije school is daarentegen de goede oplossing.

Verschillende hervormde vrienden willen daar niet recht aan. Brummelkamp ziet de differentiatie in het bijzonder onderwijs wel als een gevolg van de zonde, maar vindt, dat men er niet zo bang voor moet zijn. Hij verwijst naar Engeland en Amerika. Daar is veel scheiding ofwel versplintering in de bijzondere school, maar ook veel uitbreiding van Gods rijk. De vrije school is en blijft door de jaren heen Brummelkamps favoriet. De staat moet zich daar dan helemaal niet mee bemoeien, op conditie, dat het ‘burgerlijk’ onderwijs er goed gegeven wordt. Laten geloof en ongeloof elk hun eigen school hebben.

De Wet op het Lager Onderwijs van 1857

Onder verantwoordelijkheid van minister Van der Brugghen werd in 1857 een nieuwe wet op het lager onderwijs aangenomen. Daarin bleef in naam het algemeen christelijk karakter van de school gehandhaafd door de bepaling over de opleiding ‘tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden’. Maar tegelijk werd de neutraliteit van de openbare school aangescherpt door de bepaling, dat er niets geleerd of gedaan mocht worden, dat strijdig was met de eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige...

Hoe homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd in religieus onderwijs

tags: #calvijn #groene #hart #opgericht