De gebeurtenissen rondom predikant Antonius Hambroeck op Formosa (het huidige Taiwan) in 1661 vormen een aangrijpend hoofdstuk in de geschiedenis van de Nederlandse aanwezigheid in Azië. Deze gebeurtenissen zijn vastgelegd in diverse historische bronnen en kunstwerken, waaronder het schilderij "De zelfopoffering van predikant Hambroeck op Formosa" van Jan Willem Pieneman uit 1810.
Achtergrond: De VOC op Formosa
De Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) vestigde haar gezag op Formosa in 1624. Vanuit het bestuurscentrum Fort Zeelandia breidde de VOC haar invloed uit over het eiland, dat ongeveer zo groot is als Nederland en voor een groot deel bergachtig terrein kent. Zendelingen werkten onder de hoede van de VOC aan de kerstening van de inheemse bevolking. Een van hen was ds. Antonius Hambroeck.

De Invasie van Coxinga
Op 30 april 1661 voerde de Chinese mandarijn Zheng Chenggong, in het Nederlands beter bekend als Coxinga, een invasie uit op het eiland. Vele Nederlanders, waaronder Hambroeck, zijn vrouw en enkele kinderen, vielen in Chinese handen. Het Fort Zeelandia wist echter weerstand te bieden.
Hambroeck's Missie en Zelfopoffering
Coxinga besloot vervolgens Hambroeck in te zetten om de commandant van Fort Zeelandia, Coyett, over te halen zich over te geven. Op 24 mei 1661 verscheen de deputatie, met Hambroeck, voor de wallen van het kasteel. In plaats van de overgave te eisen, spoorde Hambroeck Coyett en zijn manschappen aan om vol te houden in de strijd. Dit was een moedige daad, vooral omdat hij wist dat zijn missie waarschijnlijk gedoemd was te mislukken en hij de dood tegemoet kon zien.

Hambroeck nam bovendien het besluit om terug te keren naar Coxinga, ondanks de smeekbeden van zijn twee dochters die zich in het fort bevonden. Hij werd, enkele maanden later op 16 september 1661, samen met drie andere predikanten en andere Nederlanders, waaronder zijn zoon, onthoofd. Coxinga vreesde een tegenaanval van de VOC en wilde zich van een groot aantal gevangenen ontdoen.
Artistieke en Historische Verbeeldingen
De zelfopoffering van Hambroeck heeft kunstenaars en schrijvers door de eeuwen heen geïnspireerd. Het schilderij van Jan Willem Pieneman uit 1810, met de afmetingen 102 x 114 cm (olieverf op doek), beeldt de episode uit waarin Hambroeck afscheid neemt van zijn dochters in het belegerde Fort Zeelandia.

De compositie van het schilderij, met zorg geënsceneerde groepen, suggereert inspiratie uit het contemporaine toneel. Dit wordt versterkt door het feit dat een toneelstuk over Hambroeck door J. Nomsz. (1775) destijds zeer populair was. Pieneman maakte echter een chronologische fout door het jaartal 1662 in plaats van 1661 te vermelden, een fout die ook in de versie van Valentijn in zijn "Oud en Nieuw Oost-Indië" (1726) voorkomt.
Naast Pieneman's schilderij, zijn er ook andere artistieke uitingen. Een lithografie uit 1837, vervaardigd door Carel Christiaan Antony Last naar een schilderij van Jan Willem Pieneman, toont eveneens de scène van Hambroeck's afscheid. Er bestaat ook een bronzen beeldengroep in de Sint Laurenskerk te Rotterdam, opgericht in 1930 ter nagedachtenis aan dominee Hambroeck, waarop hij tweemaal is afgebeeld: als onderwijzer van Formozanen en tijdens zijn onthoofding. Daarbovenop bevindt zich een metershoge schildering van striptekenaar Paul Bodoni uit 2010, die het leven en einde van Hambroeck weergeeft.
Hambroeck's Leven
Antonius Hambrouck werd rond 1606 in Rotterdam geboren. Na zijn studie aan de Universiteit Leiden, diende hij als predikant in Schipluiden gedurende vijftien jaar. Tijdens deze periode hield hij zich niet alleen bezig met de geestelijke zorg van zijn gemeente, maar bemiddelde hij ook in conflicten met de ambachtsheren en -vrouwen van Keenenburg. Een opmerkelijke gebeurtenis was zijn deelname als predikant aan de vloot van admiraal Maarten Harpertsz. Tromp in de strijd tegen Duinkerker kapers.
In april 1646 vertrok de familie Hambroeck uit Schipluiden om aan de roep van de classis van Schieland te voldoen om een bekwame predikant naar Oost-Indië te zenden. Na aankomst in Batavia in november 1647, vestigde de familie zich enkele maanden later op Formosa, in Mattau, een regio die bekend stond om het verzet tegen de Nederlanders.

Op Formosa trad Hambroeck niet alleen op als dominee en missionaris, maar ook als vertegenwoordiger van het VOC-gezag. Hij bemiddelde bij de inkoop van rijst, administreerde visrechten en gaf onderwijs aan zowel jongens, mannen, meisjes als vrouwen. Hij leerde de Formosaanse dialecten en werkte mee aan bijbelvertalingen. Ondanks de verwoestingen door orkanen en sprinkhanen, pleitte hij voor de oprichting van een drukkerij en de opleiding van inlandse schoolmeesters.
Nalatenschap en Herdenking
In de negentiende eeuw werd Hambroeck door publicaties en afbeeldingen een nationale figuur, vergelijkbaar met helden als Jan van Schaffelaar en Michiel Adriaansz. de Ruyter. Zijn heldendom en geloof werden als voorbeeld gesteld voor alle Nederlanders. Ook in de twintigste eeuw en recentelijk, binnen de orthodox-protestante geloofsgemeenschap, is zijn leven nog als voorbeeld gesteld.
De stad Rotterdam, waar Hambroeck slechts enkele jaren woonde, besteedt opvallend veel aandacht aan zijn persoon. Taiwan eert dominee Hambroeck in minstens drie musea. Een predikant in het huidige Madou (het vroegere Mattau) erkent hem als vertaler van bijbelboeken. De Historische Vereniging Oud-Schipluiden heeft een actie gestart om een zichtbare herinnering aan Hambroeck in de Dorpskerk van Schipluiden te plaatsen, waar hij vijftien jaar heeft gewoond en gewerkt. Het idee is om een vergelijkbare herinnering te realiseren in een Presbyteriaanse kerk in Madou.