Adriaan Johannis Gunst werd geboren op 11 januari 1941 op het Zeeuwse eiland Tholen, in Oud-Vossemeer. Kerkelijk behoorde het gezin tot Sint-Annaland, waar hij gedoopt werd door ds. A. van Stuijvenberg. Zijn vader was landbouwer en een liefhebber van oude schrijvers. Later verhuisde het gezin naar Nisse (1948) en in 1952 naar Kapelle-Biezelinge.
Na het voltooien van de middelbare school ging Gunst aan de slag in het bankwezen. Hij bekleedde de functie van chef personeelszaken bij de Amrobank in Goes.
Ambtsdrager op Jonge Leeftijd
In 1967 trouwde Adriaan Gunst met Coby Lukasse, dochter van ouderling P.J. Lukasse uit Hoedekenskerke. Het echtpaar kreeg twee zonen en inmiddels telt de familie negen kleinkinderen. In 1968 werd Gunst in Kapelle-Biezelinge gekozen tot diaken. Hij was destijds 27 jaar oud, wat ongebruikelijk was voor zo'n jonge ambtsdrager in die gemeente.
Gunst ervoer het ambt aanvankelijk als een grote uitdaging. Hij voelde zich onzeker naast de ervaren ouderlingen Marien de Leeuw en Piet Slabbekoorn. Hij deelde zijn twijfels met Slabbekoorn, die hem aanmoedigde er enkele dagen over na te denken. Uiteindelijk vond Gunst de vrijmoedigheid om het ambt te aanvaarden. Na drie jaar werd hij ouderling en leerde hij veel van de waardevolle adviezen van Slabbekoorn.

Het Leven en de Dienst van Ouderling Slabbekoorn
Piet Slabbekoorn (25 februari 1886 - 30 augustus 1988) had een uitzonderlijk lange staat van dienst als ouderling. Op 25-jarige leeftijd, in 1912, werd hij bevestigd tot ouderling in Goes. Na vijftien jaar in Goes diende hij vanaf 1927 tot 1975 als ouderling in Biezelinge, wat een totale diensttijd van ruim 62 jaar opleverde.
Slabbekoorn moest regelmatig voorgaan in leesdiensten, soms twee of zelfs driemaal per zondag. Dit deed hij ondanks zijn eigen beleving van onkunde, met name in het begin van zijn ambtelijke loopbaan. Hij moest als boerenknecht al voorlezen uit de Bijbel en probeerde zijn onkunde te verbergen door vaak hetzelfde hoofdstuk te lezen. Zelfs nadat hij ouderling werd, ervoer hij zijn eigen onbekwaamheid, hoewel anderen dit niet opmerkten. God hield hem nederig, zoals blijkt uit twee voorvallen.
Op een dankdag moest Slabbekoorn preeklezen voor een volle kerk, waar velen een predikant verwachtten. Hij voelde zich opnieuw onbekwaam, totdat hij zich geïnspireerd voelde door het beeld van het tarwegraan. Hoewel hij hoopte op een opbeurende gebedservaring, kon hij nauwelijks woorden vinden. Een tweede voorval deed zich voor toen hij na een leesdienst hoorde dat mensen zijn voorlezing prezen. Hij dacht in de avond nog beter te kunnen lezen, maar ondervond keelproblemen en de dienst verliep moeizaam. De tekst benadrukt dat God waakt over Zijn eer.
Ambtsdrager Gunst werkte samen met deze toegewijde man. Hij herinnert zich de jaren dat hij catechisatie van Slabbekoorn kreeg. Slabbekoorn gaf op eenvoudige wijze leiding, ook toen hij al op leeftijd was.
De Eerste Stappen in de Lezingendienst
Ouderling Gunst moest al op de eerste zondag na zijn bevestiging door ds. Chr. van der Poel uit Yerseke voorgaan. Slabbekoorn adviseerde hem om direct te beginnen, omdat uitstel de angst zou vergroten. Zijn eerste leesdienst bevatte een preek van ds. G.H. Kersten over Mattheüs 26:30. Het eerste gezongen vers, Psalm 89:10 (Datheen), sprak hem bijzonder aan en versterkte hem in het geloof dat het Gods zaak was dat hij daar stond.
Gunst deelde ook een anekdote over zijn vader, die opmerkte dat hij de langste preek van ds. W.C. Lamain had ingekort. Zijn vader zei: "Wat jij kent, wat je beleefd hebt, heb je gelezen. Wat je niet beleefd hebt, heb je overgeslagen!" Dit gold inderdaad voor de preek, die te lang was voor zijn beleving.

Lessen uit Huisbezoeken en Oefening
Achteraf was Adriaan Gunst dankbaar voor de lessen die hij had geleerd, met name door de oude Slabbekoorn. Hij herinnert zich zijn eerste huisbezoek, samen met Slabbekoorn. Ze bezochten drie gezinnen op één avond. Slabbekoorn sloot de eerste twee bezoeken af met een gedeelte uit Gods Woord en een gebed. Voor het derde bezoek drong Slabbekoorn erop aan dat Gunst zelf de afsluiting zou verzorgen, met de woorden: "En als je dat niet doet, gaan we zonder bidden weg!" Dit benadrukt de gewoonte van het oude volk om de dienst te zegenen met gebed.
Gunst haalt ook ds. G.H. Kersten aan, die eens een lid van een gemeente in Maastricht aansprak op het gebrek aan kritische reflectie op zijn gebeden en preken. Kersten stelde: "Dan word je ouderling!" Dit illustreert de vroegere manier van omgaan met elkaar in de kerk. Slabbekoorn merkte echter op dat hijzelf vaak klachten had over zijn eigen ambtelijk leven, niet van anderen. Wanneer hij hierdoor werd aangevochten, zag hij de buigende Borg in de hof van Gethsemane en verwonderde zich erover dat Jezus dat voor hem wilde doen. Dit nam de leugenaar weg en gaf God de eer.
De Roeping tot het Predikantschap
Adriaan Gunst voelde een roeping tot het predikantschap, naast zijn werk als diaken en ouderling. In 1981 meldde hij zich aan bij het curatorium van de Theologische School in Rotterdam en werd als enige toegelaten. Het was een periode met weinig studenten; het jaar ervoor en erna waren er ook slechts één student toegelaten.
Gedurende zijn opleiding had Gunst docent Moerkerken gedurende de gehele periode, naast de docenten De Gier en gedeeltelijk Van Haaren en Honkoop. In 1985 was hij de enige kandidaat die de Theologische School verliet.
Het aantal beroepen was opvallend hoog: 57. Dit wees op de grote nood aan predikanten en de vele lege kansels. Zelfs kleine gemeenten deden een beroep. Uiteindelijk bleven er twee beroepen over, één waar hij graag heen wilde en één dat hij niet begeerde. Ouder dominee Hoogerland adviseerde hem om zich niets op te leggen wat de Heere niet oplegt, bij het zoeken naar Gods weg.

Ouderling Elenbaas en de Begrafenisdienst
Als student zou Gunst spreken in Sint Annaland, de gemeente waar hij als kind lid van was. Daar was Joh. Elenbaas ouderling, een ware Ledeboeriaan. Elenbaas droeg Gunst op een tedere wijze op in gebed, waarbij hij de noodzaak van meer dan studie benadrukte.
Elenbaas was een man met genade en gaven. Op 2 januari 1978 moest hij onvoorbereid een begrafenis leiden in Sint Annaland. Na afzeggingen van ds. Mouw sr. en ds. Hoogerland, werd Elenbaas gevraagd. Gunst en zijn broer konden de begrafenis niet bijwonen vanwege slecht weer. Zijn ouders woonden echter dichtbij en konden wel aanwezig zijn. Zij vertelden later dat Elenbaas de dienst zeer stichtelijk had geleid en zeer thuis was in de dogmatiek.
Schoonvader Pieter Jakobus Lukasse: Bekering en Dienst
Pieter Jakobus Lukasse, de schoonvader van Adriaan Gunst, kwam in 1946 tot bekering onder een preek van student Chr. van Dam. Later werd hij, samen met ouderling Krijger uit Yerseke, voorgedragen als secundus-curator van de Theologische School. De stemmen staakten, twintig voor ieder. Uiteindelijk nam Krijger, die ouder en wijzer werd geacht, het ambt aan, hoewel hij nooit primus werd.
Schoonvader Lukasse was een man met grote vrijmoedigheid. Hij leidde alle begrafenissen in de gemeente en zijn omgang met Gods kinderen reikte over kerkmuren heen. Hij sprak op het graf van vrouw Bareman van de Oud Gereformeerde Gemeente te Terneuzen en ging veel om met ouderling Hoekman van de Gereformeerde Gemeente in Nederland.
Lukasse, een controleur op de veiling, werd in 1952 ouderling en bleef dit tot 1982. Hij werd bijzonder vertroost door Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus en voelde de behoefte om dit te delen. Hij zocht advies bij vrouw Van Stee en Thona Melis, die hem hielpen de diepere betekenis van het Borgwerk van Christus te begrijpen.

Ziekte en Sterven
Aan het einde van zijn leven werd schoonvader Lukasse ernstig ziek. De laatste jaren woonde hij in ’s-Gravenpolder. Toen ds. J.C. Weststrate, de plaatselijke predikant, de bediening van het Heilig Avondmaal zou houden, liet zijn vrouw weten dat haar man niet kon deelnemen vanwege slikproblemen. Ds. Weststrate bezocht hem en Lukasse deelde dat hij bediend was met de woorden uit Psalm 68: 'Zult gij, door 't Godd'lijk oog belonkt, weer met uw schoonheid pralen.'
Naarmate de ziekte voortschreed, kon hij alleen nog met zijn ogen knipperen om instemming te tonen. Op zijn laatste avond werd hem uit Openbaring 19 voorgelezen. Toen zijn dochter vroeg of de woorden 'Zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams' ook voor hem golden, knipperde hij met zijn ogen. De volgende ochtend is hij heengegaan, om God eeuwig te dienen.
Dominee C. Molenaar en de Gemeente Kapelle-Biezelinge
Adriaan Gunst denkt ook terug aan ds. C. Molenaar (1915-1992). Na zijn eerste gemeente in Leiden, diende Molenaar Moerkapelle, Amsterdam-Noord en Kapelle-Biezelinge van 1971 tot zijn emeritaat in 1980. Gunst, toen beginnend ouderling, werd gevraagd na te denken over ds. Molenaar voor een tweetal in hun gemeente.
Molenaar kwam met ds. L. Vogelaar op tweetal, en ondanks een nipte uitslag, werd Molenaar beroepen. Destijds kende bijna niemand hem; hij was vijftien jaar eerder voor het laatst voorgegaan in Kapelle-Biezelinge. Het merendeel van de gemeente herinnerde zich hem niet.
