Oprichting en Vroege Jaren
Op 26 juli 1838 werd de ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente‘ te Heerjansdam geïnstitueerd. Dit gebeurde in een tijd dat het dorp nog minder dan 750 inwoners telde. De leiding van deze institutie lag in handen van ds. H.P. Scholte (1805-1868) uit Utrecht. De officiële handeling vond plaats in de woning van Hendrik (‘Hein’) en Maartje Kuiper te Develsluis, in het nabijgelegen Kleine Lindt.
De wortels van deze afscheiding reikten verder terug. Al in 1836 hadden Hendrik en Maartje Kuiper, samen met Adolf Broekhuizen, zich van de hervormde kerk afgescheiden. Kort daarna, op 18 april 1836, volgde Cornelis van der Poel, die de hervormde kerkenraad meedeelde dat hij dit kerkverband verliet. Ruim een jaar later, op 9 augustus 1837, maakte Cornelis Janssen zich eveneens los van dit kerkverband.
Direct na de dienst op 26 juli 1838 in huize Kuiper, waar ook de ouderlingen en diakenen waren gekozen, werden deze ambtsdragers door ds. Scholte in hun ambt bevestigd. De toenmalige burgemeester van Heerjansdam, de 36-jarige J. van ’t Hoff, stond bekend om zijn verdraagzaamheid. Kort na de institutie ontving hij een schrijven van de Officier van Justitie in Dordrecht, waarin werd gevraagd om het verbieden van eventuele ‘ongeoorloofde godsdienstige bijeenkomsten’. De burgemeester riep diaken Barnhard bij zich en informeerde of de Afgescheiden Gemeente diensten hield met meer dan twintig aanwezigen. Barnhard antwoordde hierop: ‘Soms wel en soms niet’. De burgemeester adviseerde Barnhard vervolgens om bijeenkomsten elders te houden, bijvoorbeeld in Rijsoord, ‘opdat het gepeupel niet al te warm wordt gemaakt’. Verder verzekerde hij de Officier van Justitie dat er niets aan te merken viel op het gedrag van de Afgescheidenen in Heerjansdam.

De Afgescheidenen ondervonden echter wel degelijk hinder van ‘dat gepeupel’. Bij Hein Kuiper op Develsluis waren de ramen al eens ingegooid en kerkgangers werden uitgescholden en met stenen bekogeld. Om deze redenen had men zich al vaker verplaatst, onder andere naar het huis van Bastiaan Kooiman in Kleine Lindt en van Jacob van Solingen in Rijsoord.
Zoektocht naar een Vaste Plek en Predikant
De plaats waar men in 1840 meestal bijeenkwam, aangeduid als ‘de tegenwoordige plaats der openbare godsdienstoefening’, is niet precies bekend. Volgens de notulen werd deze locatie per 1 januari 1841 gesloten, om redenen die niet vermeld zijn. De kerkdiensten bestonden doorgaans uit ‘leesdiensten’, waarbij een ouderling een preek van een degelijke gereformeerde predikant uit het verleden voorlas en de dienst verder leidde.
Vanaf 1841 kreeg de gemeente te maken met de komst van ds. Dijksterhuis (1814-1882), die verkozen werd boven de bestaande preeklezer van Heerjansdam. De kerkenraad liet de beslissing om naar Dordrecht te gaan over aan het geweten van de betreffende kerkgangers. Toen in januari 1841 de vaste kerkplaats gesloten werd, drong de noodzaak tot een nieuw onderkomen zich op.
Op 10 februari 1841 kocht vlasboer Jacob de Haan op eigen naam, maar ten behoeve van de Afgescheiden Gemeente, voor fl. 2.250 een ‘erf met huis, schuur en woonkeet’. Dit perceel werd verbouwd tot kosterswoning voor Jan van Zijl, en het overige deel werd ingericht als kerkruimte. De kerk, omschreven als ‘een kleine, maar nette kerk der Afgescheidenen’, bevond zich ongeveer op de plaats van het latere gemeentehuis aan de Dorpsstraat.
De burgemeester had echter bezwaren tegen deze specifieke locatie, vanwege ‘verschillende omstandigheden, zowel ten aanzien van de rust en ongestoorde Godsdienstoefening van andere gezindheden als van die der Adressanten’. Hij weigerde toestemming. De kerkenraad wees echter op het feit dat de afstand tussen de hervormde kerk en die van de Afgescheidenen bijna 280 meter bedroeg, wat wat betreft de afstand geen bezwaar zou mogen zijn. De kerkenraad ging in beroep en vroeg de koning om erkenning van de Christelijke Afgescheidene Gemeente en om verlof de kerk als zodanig te mogen gebruiken.
De eerste dienst in de nieuw ingerichte ruimte vond plaats op 1 december 1841, onder leiding van ds. G. Baaij (1792-1849) van Leerdam. Kort daarna besloot de kerkenraad over te gaan tot het beroepen van een eigen predikant. Aanvankelijk had men student W. Gardenier (1819-1856) op het oog, die bij ds. H.P. Scholte voor predikant had gestudeerd. Dit was in lijn met de praktijk waarbij de ‘Vaders der Afscheiding’ studenten opleidden, aangezien pas in 1854 een officiële ‘School der Kerk’ in Kampen werd opgericht.
Gardenier werd door zijn leermeester aanbevolen, en de preses van de kerkenraad, Dingeman de Haan sr., stond aanvankelijk positief tegenover hem. Later veranderde hij echter van mening, ‘omdat hij de bekwaamheden tot het leeraarsambt in hem miste’.
Interne Strijd en Afsplitsingen
Ondertussen hadden de in Barendrecht woonachtige Afgescheidenen van Heerjansdam, via Bastiaan Leeuwenburg, aan de kerkenraad laten weten dat zij in Barendrecht een eigen gemeente wilden stichten. Deze leden maakten zich inderdaad los van Heerjansdam, maar werden geen zelfstandige gemeente; zij voegden zich bij de gemeente te Schiedam, waar ds. A. Brummelkamp (1811-1888) predikant was. De kerkenraad van Heerjansdam kon zich hier niet mee verenigen, mede omdat dit inkomsten zou kosten door kerkelijke bijdragen en collecteopbrengsten. Bovendien stond ds. Brummelkamp destijds bij sommigen bloot aan verdenking van enige onrechtzinnigheid.
De classis en de provinciale vergadering brachten geen verandering in het besluit van de kerkenraad. Leeuwenburg kreeg na verloop van tijd spijt van zijn beslissing.
Juist in deze periode spitsten allerlei onenigheden tussen de hoofdfiguren van de Afscheiding zich toe. Dit leidde in 1842 tot de vorming van twee Afgescheiden groepen in Zuid-Holland: enerzijds de aanhang van ds. H.P. Scholte, waaronder ‘vol overtuiging’ de gemeente te Heerjansdam, en die van Westmaas, Zuid-Beijerland, Leerdam en Schoonhoven; anderzijds de overige gemeenten.
Niet iedereen was het eens met de positiekeuze van Heerjansdam. Bakker Willem van Zijl, 39 jaar oud, zegde samen met zijn vrouw het lidmaatschap van de gemeente op en sloot zich aan bij die van Dordrecht. Dit geschiedde ondanks het feit dat de kerkenraad hem hierom onder censuur plaatste. Van Zijl baseerde zijn beslissing op een Bijbeltekst uit 1 Timotheüs, waarin staat dat men zich moet afkeren van hen die ‘een andere leer leert’. Van Zijl en drie anderen werden in 1845 zelfs ‘afgesneden’ (geëxcommuniceerd) van de gemeente te Heerjansdam.

Verdere Ontwikkelingen en Vacatures
De kerkenraad bleef ondertussen op zoek naar een eigen dominee. Meestal moest men zich behelpen met het preeklezen door een van de ouderlingen. Soms kwam er echter een classispredikant of een andere predikant uit de omgeving op de preekstoel, zoals ds. A.J. Betten (1813-1900) van Noordeloos, die de broeders in Heerjansdam nu en dan uit de brand hielp.
Op 30 maart 1848 waren de manslidmaten aanwezig op de kerkenraadsvergadering, wat daar overigens lange jaren gewoonte was. Aanwezig was ook de 31-jarige ds. A.C. Tris (1817-1907) uit Groede, die dat jaar echter - zonder dat de kerkenraad van Heerjansdam ervan op de hoogte was - geschorst was. Hij had meegedeeld een overtuigd aanhanger van ds. Scholte te zijn, wat de kerkenraad met blijdschap vervulde.
Gevraagd of hij het beroep op de bepaalde voorwaarden wilde aannemen, antwoordde ds. Tris dat hij daartoe bereid was, mits de gemeente van Zuid-Beijerland (geïnstitueerd in 1836) één derde deel van de preekbeurten zou kunnen krijgen. Heerjansdam kon niet meer dan fl. 400 traktement geven; door een derde deel van de preekbeurten af te staan aan Zuid-Beijerland, zou die gemeente in de kosten kunnen bijdragen. Kortom, beide gemeenten zouden hem in combinatie moeten beroepen. De vraag was echter of Zuid-Beijerland hiertoe bereid was.
Vervolgens volgde een periode van onduidelijkheid, waarover geen ondertekende notulen bestaan. Wel was ds. Tris tussen april 1848 en 3 mei 1851 werkzaam voor de combinatie van beide gemeenten. De toestand in de gemeente te Heerjansdam was bovendien erg verward. Ds. Tris had al tijdens de moeilijkheden in Zeeland in 1847 aangegeven vastbesloten te zijn naar Amerika te gaan. Eenmaal in Heerjansdam zag hij zichzelf daar op zijn plaats. Echter, hij had ondertussen ook Pietertje van Dam, dochter van diaken Jacob de Haan, leren kennen en wilde met haar trouwen.
Op 30 maart 1848 had ds. Tris mondeling verklaard het beroep onvoorwaardelijk te hebben aangenomen. Twee dagen later had Pietertje verklaard met de predikant te willen trouwen, en vader De Haan had toestemming gegeven. Kort daarna werd de verloving echter afgebroken, volgens ds. Tris ‘zonder aanvoering van voldoende redenen die voor God bestaan kunnen’. Als Pietertje met iemand anders zou trouwen, zou hij, ds. Tris, naar Amerika moeten vertrekken.
Ondertussen had ds. Tris het beroep naar Heerjansdam nog steeds niet schriftelijk aangenomen en was hij dus noch in Heerjansdam, noch in Zuid-Beijerland in het ambt bevestigd. Tris bleef volhouden dat eerst met Zuid-Beijerland overeenstemming bereikt moest worden over het traktement. Kerkenraadsleden vroegen zich af of dit verband hield met de perikelen rond Pietertje. Preses Dingeman de Haan en andere kerkenraadsleden dachten van wel en noemden Tris ‘onoprecht’. Tris hield echter vol dat het alleen te maken had met het feit dat Nieuw-Beijerland de preekregeling nog niet had aangenomen.
In 1848 werd de situatie nog complexer. Vader De Haan meende dat het maar de vraag was of de predikant wel ‘kennis der genade’ bezat. De preses voegde hieraan toe dat hij meende dat ds. Tris ‘een ongeheiligd hart heeft en van het Middelaarswerk van den Borg Christus niet genoegzaam kan voorstellen, omdat hij er voor zichzelven niets van verstaat, en daarom met zich zelven begint en eindigt, en daarom nog nooit iets van het waarachtige leven, waarin het voor God bestaat, uit zijnen mond gehoord te hebben’.
De verwarring groeide: Jacob de Haan wilde zijn lidmaatschap opzeggen, iemand anders dreigde ‘de leeraar aanstaande zondag in het openbaar te zullen tegenspreken’, en een ander had liever dat ds. Tris in het geheel niet op de kansel zou komen. Andere kerkenraadsleden vroegen Dingeman de Haan en De Haan hun opmerkingen met bewijzen te staven, vooral toen verwezen werd naar ‘wat door Tris in Zeeland gedaan was’. Wat dit precies inhield, is in nevelen gehuld. De notulen van de Zeeuwse provinciale vergadering van 4 januari 1848, waardoor ds. Tris werd afgezet, vermelden als reden:
"Uit kracht van langdurige handelingen en onderscheidene provinciale vergaderingen (…) is de provinciale vergadering over moeten gaan om den Heer A.C. Tris, vroeger Leeraar van de gem. Groede, onbekwaam te verklaren tot deze bediening doordien Z.Ed."
Toen De Haan en Dingeman de Haan geen krimp gaven, nam de meerderheid van de kerkenraad, in samenwerking met enkele manslidmaten, afstand van hun opmerkingen en beschuldigde hen van laster. Kort daarop, in 1849, emigreerden zowel De Haan als Dingeman de Haan naar Pella in Iowa, in navolging van hun geliefde ds. H.P. Scholte.
Ds. Tris bleef echter gewoon in Heerjansdam aan het werk. Eerst ontstonden nog wat problemen over het wel of niet toelaten tot het doen van belijdenis des geloofs van een viertal doopleden. De kerkenraad achtte hen onbekwaam, maar ds. Tris was het daar niet mee eens. Begin 1849 verscheen Bastiaan Molendijk, toen 24 jaar oud, ondanks de uitnodiging niet op de kerkenraadsvergadering. Kennelijk ging het over het kerkelijk inzegenen van zijn huwelijk met Jaantje de Kuiper, ‘bij voorkeur in afwezigheid van ds. Tris’, bijvoorbeeld als deze in Nieuw-Beijerland preekte.
‘De bruid’ - zo schreef ds. Tris aan Bastiaan Molendijk - ‘behoort in allen gevalle eerst belijdenis in de gemeente af te leggen in eene vergadering waarin de leeraar tegenwoordig is’, maar ook Molendijk zelf diende schuldbelijdenis af te leggen.
Op 4 mei 1851 preekte ds. Tris voor het laatst in Heerjansdam. De daaropvolgende vacante periode strekte zich uit over ongeveer dertig jaar. Pas op 25 oktober 1881 deed de volgende predikant, ds. M., zijn intrede.
Herstel en Terugkeer naar het Kerkverband
In de vacaturetijd keerde de rust in de gemeente terug. Het ledental van de kleine gemeente steeg van 86 in 1856 naar 134 in 1871. Vele jaren lang, van 1834 tot 1869, bestond de kerkenraad trouwens uit slechts twee man: ouderling Floris Nugteren en zijn broer, diaken Simon Nugteren. Floris ging vaak voor in de kerkdiensten, waar hij preken van zeer orthodoxe predikanten uit het verleden las en de diensten leidde.
In 1853 keerde de gemeente van Heerjansdam terug tot het kerkverband van de Christelijke Afgescheidene Kerk. De kerkenraad moest op de classisvergadering te Dordrecht schuld bekennen en belijden. Men verklaarde dat de classis Dordrecht behoorde tot de ware kerk, de Christelijke Afgescheidene Kerk. De kerkenraad gaf een ‘volkomen antwoord’, en ‘Barendrecht’ hielp een handje, want haar afgevaardigde verklaarde te weten dat de kerkenraad het ook meende! Heerjansdam kwam dus terug, ‘waarover de blijdschap der broederen zich algemeen liet gevoelen, dat de Heere Zijn verstrooide schapen tot Zijn kudde leidde’, zo melden de classicale notulen.
Ook andere individuele leden die in de loop der jaren - ten tijde van ds. Ds. A. - zich hadden afgescheiden, keerden terug. Wel werd de kerkenraad dus weer in het kerkverband opgenomen, toch was het enige tijd later weer hommeles. De kerkenraad werd gedurende zes weken ‘door het kerkverband’, de classis van 26 oktober 1853, in zijn bediening geschorst. Deze schorsing gold ook voor de gemeente van Heerjansdam.
De reden hiervoor was dat men ds. W. van Leeuwen (1810-1886) van Putten wilde beroepen als predikant. Hij was een aanhanger van ds. A. Brummelkamp, die destijds als niet rechtzinnig genoeg werd beschouwd; hij werd ‘te ruim in verschillende opzichten’ bevonden, en sommige provinciale synoden hadden hem daarom geschorst. Van Leeuwen behoorde tot degenen die Brummelkamp steunden, wat verdacht was. De classis schorste daarom de kerkenraad en gemeente (die achter de kerkenraad bleef staan), en de provinciale synode gaf de classis gelijk.