De Symboliek en Tradities van Koninklijke Doopceremonies
De doopdienst van koninklijke kinderen is vaak een gebeurtenis die zowel religieuze als ceremoniële aspecten omvat. Historisch gezien zijn deze ceremonies een weerspiegeling van de maatschappelijke en religieuze normen van hun tijd. De Protestantse Kerk in Nederland (PKN), zoals die na de kerkenfusie op 1 mei tot stand is gekomen, draagt een protestants karakter, wat betekent dat de doopdienst primair door een predikant wordt geleid. Hoewel de rol van een rooms-katholieke priester in deze specifieke context niet is weggelegd, zelfs niet wanneer een van de ouders van katholieke huize is, benadrukt dit de protestantse aard van de ceremonie.
De rol van peetouders (meters en peters) is ook van oudsher belangrijk. Het woord 'peet' is afgeleid van het Latijnse 'patrinus', wat doopvader of doopmoeder betekent. Vroeger vervulden de Staten van Holland en de steden vaak deze rol, voornamelijk om politieke redenen. Deze peetouders kwamen vaak met aanzienlijke pillegiften over de brug. Een pillegift, afgeleid van het Middelnederlandse woord 'pille' dat petekind betekent, kon bestaan uit geld, lijfrentes of rentebrieven. Een opmerkelijk voorbeeld is de pillegift van 50.000 gulden die de Staten van Friesland aan prinses Albertine gaven bij de geboorte van Hendrik Casimir II.

Koninklijke Doopceremonies door de Eeuwen Heen
De geschiedenis van de doopceremonies binnen het Nederlandse koningshuis toont een fascinerende evolutie. Bij de doop van prins Willem III in 1651 waren vertegenwoordigers van de Staten-Generaal, de Staten van Holland en Westfriesland, en de steden Delft, Leiden en Amsterdam aanwezig als peetouders. De preek werd verzorgd door ds. Tobias Tegnejus, en de doop werd bediend door ds. Lindanus.
De doop van Willem V in 1748 was een groots schouwspel met onder anderen vertegenwoordigers van de Staten van Holland en Westfriesland, Zeeland en Friesland, evenals de steden Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Schiedam en Nijmegen als peetouders. Ds. Godefridus van Utrecht preekte en ds. Pielat las het doopformulier voor.
Door de eeuwen heen hebben diverse predikanten de doop van Oranjes bediend. Zo preekte Arnold Crusius op 12 juni 1584 voor de doop van een zoon van Willem van Oranje. Frederik Hendrik werd gedoopt door ds. Hackius uit Leiden. Tijdens deze doop uitte ds. Hackius de mening dat de moord op vader Willem van Oranje in 1584 een straf van God was, omdat de prins de toorn van de Heer zou hebben opgeroepen door zijn Franse huwelijk en het buitensporige vertoon bij de doop van zijn zoon. Louise de Coligny, de moeder van Frederik Hendrik, wist uiteindelijk een preekverbod voor de dominee te bewerkstelligen. Bij de doop van Willem II, zoon van Frederik Hendrik, op 1 juli 1626, hield Hugo Beyerus een preek in Den Haag.
Ds. Joannes Munnekemolen preekte bij de doopplechtigheid van erfprins Willem, de latere koning Willem I, in 1772. Hij sprak uit Genesis 1:28: "Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt." Ds. Petrus Nieuwland las het doopformulier. Bij de doop van prins Willem II in 1792 werd gepreekt uit 2 Samuël 7:16a: "Doch uw huis zal bestendig zijn."
Na 1772 veranderde het protocol; de rol van het begeleiden en binnenleiden van de baby in de kerk werd overgenomen door de grootmeesteres van de moeder. Anna Paulowna was onverwachts aanwezig bij de doop van prins Hendrik, de broer van Willem III. Zij en de grootmeesteres waren gekleed in effen witte japonnen, terwijl de algemene kledingcode groot gala voorschreef. Predikanten als Krieger en Dermout verschenen in deze periode.
De Rol van Hofpredikers en de Protestantse Traditie
De figuur van de hofkapelaan of hofprediker was gedurende enkele eeuwen, van prinses Louise de Coligny tot koningin Wilhelmina, een vertrouwd gezicht in Den Haag. Het hofpredikerschap was doorgaans een nevenfunctie van een predikant die ook een gemeente diende. Vóór 1795 waren vaak Waalse dominees aan het hof verbonden. In de negentiende eeuw ontstond het gebruik dat naast een Franstalige predikant ook een Nederduits hervormde predikant als hofprediker fungeerde. Deze traditie hield stand tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw.
De eerste hofpredikers van het Oranjehuis waren Jean Taffin en Pierre Loyseleur de Villiers, die beiden in dienst waren van prins Willem van Oranje. Hun invloed op zijn godsdienstige overtuiging was significant; mede door hen voelde Willem van Oranje zich steeds meer thuis in het geestelijke klimaat van het calvinisme. Na de dood van de prins bleef De Villiers nog enige jaren hofprediker voor Louise de Coligny en prins Maurits.
In Den Haag verscheen de hofprediker nadat Louise de Coligny in augustus 1591 met haar zoon Frederik Hendrik en enkele stiefdochters een woning aan het Noordeinde betrok. De prinses-weduwe bezocht de diensten van de Waalse gemeente in de Hofkapel aan het Binnenhof. Mede op aandrang van ds. Taffin werd Johannes Wtenbogaert, een van de plaatselijke gereformeerde predikanten, in september 1591 "pasteur" van de Waalse gemeente en daarmee feitelijk hofkapelaan van Louise de Coligny en prins Maurits. Toen Maurits in 1617 de zijde van de contraremonstranten koos en brak met de remonstrantse Wtenbogaert, bleven Louise de Coligny en Frederik Hendrik deze predikant trouw. In 1620 vertrok de prinses naar Frankrijk, waar zij nog in hetzelfde jaar overleed. Vermeldenswaard is dat ds. Johannes Bogerman, voorzitter van de Dordtse Synode, in 1618 enige tijd als hofprediker van prins Maurits fungeerde.
De Waalse Gemeente en het Oranjehuis
Nadat prins Frederik Hendrik in 1625 zijn broer Maurits als stadhouder opvolgde, versterkte zich de band tussen het Oranjehuis en de Waalse gemeente. Na de dood van Frederik Hendrik (1647) en zijn zoon stadhouder Willem II (1650) verslapten de contacten. Amalia van Solms, de weduwe van Frederik Hendrik, had in haar laatste levensjaren een niet-Waalse hofprediker, Petrus van Balen. Van Balen combineerde zijn functie aan het hof in Den Haag vanaf 1672 met een predikantschap in Breda.
De betrekkingen tussen de Waalse gemeente en het vorstenhuis verbeterden na 1747, toen de Friese stadhouder Willem Karel Hendrik Friso van Leeuwarden naar Den Haag kwam en stadhouder werd van alle zeven gewesten. Zijn zoon Willem V werd in 1764 door de Waalse predikant en hofkapelaan Jean Royer als lidmaat van de Gereformeerde Kerk aangenomen. Een volgende hofprediker, Jean Isaac Guichérit, bevestigde in 1788 de zestienjarige zoon van stadhouder Willem V, Willem Frederik. In 1791 werd de Waalse predikant Daniel Delprat, die op uitdrukkelijke wens van de stadhouder naar Den Haag was beroepen, benoemd tot hofkapelaan. Toen de stadhouderlijke familie in 1795 in ballingschap ging, bleef Delprat in Den Haag. Koning Willem I benoemde hem in 1817 opnieuw tot hofkapelaan, welke functie hij ook na zijn emeritaat in 1827 bleef bekleden, tot aan zijn dood in 1841.
Nederduits Hervormde Hofpredikers en Koninklijke Wensen
Na de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden werd het gebruikelijk om naast een Franstalige ook een Nederduits hervormde dominee tot hofprediker te benoemen. Tot 1920 werd hiervoor steeds een dienstdoende Haagse predikant gekozen. De eerste was ds. W. L. Krieger, die bij de inhuldiging van koning Willem I in een dank- en biduur voorging. Kriegers opvolger was ds. I. J. Dermout. Toen deze in 1848 met emeritaat ging, werd niet, zoals verwacht, zijn ambtgenoot dr. Th. C. R. Huydecoper benoemd, maar de wijkpredikant van het Noordeinde, dr. G. Ruitenschild. De vermoedelijke reden was dat ds. Huydecoper geweigerd had een wens van koning Willem II in te willigen: hij was verzocht op een oudejaarsavond te preken in de Gothische Zaal, zodat de koning niet naar de kerk hoefde. Koning Willem II vermeed namelijk zeer druk bezochte plaatsen, omdat hem eens was voorspeld dat hij in een volksoploop om het leven zou worden gebracht. Dr. Huydecoper liet de koning echter weten dat hij gerust met de gemeente kon opgaan en niet bijgelovig moest zijn. Dr. Ruitenschild voldeed wél aan de wens van de koning en werd in 1849 tot hofprediker aangesteld.

De Ambtelijke Loopbaan van Hofpredikers
Toen koning Willem III in 1878, na het overlijden van dr. Ruitenschild, een nieuwe hofprediker zocht, viel de keuze op de 71-jarige dr. C. E. van Koetsveld. De koning wilde niet dat het hofpredikerschap een sinecure zou zijn. De kapel op Paleis Het Loo werd in orde gebracht en Van Koetsveld kreeg in het paleis een eigen kamer. Bij de benoeming merkte de koning op: "Ik wil graag dat je de waarheid zegt, strooplikkers heb ik hier al genoeg." Van Koetsveld had zo'n aansporing niet nodig; hij was gewend onverbloemd de waarheid te zeggen. In een preek op Het Loo liet hij zich eens zo scherp uit dat de koning erdoor geraakt werd en boos de kapel uitliep. Na de dienst moest de vorst echter erkennen: "Wat je zei was hard, maar het was de waarheid." Van Koetsveld hield vijfmaal een toespraak bij de begrafenis van een lid van het huis Oranje-Nassau. Bij de begrafenis van Willem III op 4 december 1890 sprak hij: "Zo gaan ook de koningen heen, afgesneden als halmen in den oogst, maar de Koning der koningen blijft."
Als hofprediker maakte hij niet alleen droeve gebeurtenissen mee. Op 12 oktober 1880 doopte hij in de Willemskerk prinses Wilhelmina. Na enige jaren waarin Van Koetsvelds relatie met het hof was afgekoeld en zijn Franse collega, de orthodoxe predikant Emile Bourlier, meer in de gratie was, werd de 80-jarige hofprediker door koningin Emma geraadpleegd over het godsdienstonderwijs dat zij prinses Wilhelmina wilde geven. Speciaal voor dit doel schreef de predikant zijn tweedelige boek "De kinderen in den Bijbel", dat hij opdroeg aan H.K.H. prinses Wilhelmina der Nederlanden ter gelegenheid van haar negende verjaardag.
Koningin Wilhelmina en het Godsdienstonderwijs
Van Koetsvelds opvolger als hofprediker, dr. G. J. van der Flier, gaf vanaf 1894 godsdienstonderwijs aan de jeugdige Wilhelmina en bereidde haar voor op haar aanneming en bevestiging als lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk. Uit Wilhelmina's memoires (verschenen in 1959) blijkt dat zij dit catechetisch onderwijs onbevredigend vond, omdat het geen antwoord had gegeven op de vraag: Wie is Christus, wat is Zijn betekenis voor mijn leven? Ook zinde het haar niet dat de bevestiging in besloten kring plaats had, in een speciale dienst ten paleize Noordeinde. Op 7 februari 1901 gaf dr. Van der Flier de eer om het huwelijk van koningin Wilhelmina met prins Hendrik in te zegenen.
Door ziekte van dr. Van der Flier kon zijn wens prinses Juliana te dopen niet in vervulling gaan. De doopdienst in de Willemskerk, op 5 juni 1909, werd geleid door dr. J. H. Gerretsen. De predikant koos als tekst: "En Hij gaf hem aan zijne moeder" (Lukas 7:15b), een woord ontleend aan de geschiedenis van de jongeling te Naïn die door Jezus werd opgewekt en aan zijn moeder teruggegeven. Dr. Gerretsen wees erop dat de doop, met inachtneming van de oude gewoonte van onderdompeling, ten diepste niets anders is dan een begrafenis. "Wij zijn hedenmiddag opgegaan naar het huis des gebeds om prinses Juliana te dopen, dat wil zeggen te begraven met Christus in Zijn dood, opdat zij, met Hem begraven, ook met Hem moge worden opgewekt tot een nieuw leven."
De preek, die onder de titel "Aan Hare Moeder gegeven" in druk verscheen, zorgde voor de nodige ophef. Vrijzinnig-protestantse en rooms-katholieke aanwezigen stootten zich eraan dat de doop met een begrafenis werd vergeleken. De liberale oud-minister mr. W. H. de Beaufort nam het de predikant kwalijk dat deze het gehele doopformulier had gelezen, zelfs de passage over Farao's verdrinking in de Rode Zee.
Na de dood van Van der Flier werd dr. Gerretsen met ingang van 1 februari 1910 tot hofprediker aangesteld. Hij bedong dat hij zou worden vrijgesteld van "bals en dergelijke festiviteiten ten hove". In 1915 vroeg hij ontslag toen bleek dat de koningin niet hem, maar zijn Haagse ambtgenoot dr. J. A. Cramer had geraadpleegd over haar plannen voor de opvoeding van prinses Juliana. Ook stelde het hem teleur dat de vorstin stelselmatig wegbleef bij kerkdiensten waarin hij voorging. In overleg met haar kwam Gerretsen weldra op zijn verzoek om ontslag terug. Doordat hij in 1916 geestelijk instortte, kon hij zijn functie niet meer uitoefenen.
Zijn Haagse collega ds. W. L. Welter (geboren in 1849) werd in 1918 voorlopig en in 1920 definitief tot hofprediker benoemd. Een historisch moment beleefde deze predikant op zondag 17 november 1918, na een veelbewogen week waarin Troelstra, de leider van de sociaal-democraten, tot revolutie had opgeroepen. Die zondag was de koninklijke familie in de Willemskerk onder het gehoor van ds. Welter, die preekte over Jesaja 54:10. Aan het einde van de prediking las ds. Welter een proclamatie voor waarin vermaand werd het hoofd te bieden aan de revolutionaire gedachte en trouw te blijven aan het vorstenhuis. Na het uitspreken van de zegen zong de gemeente de koningin spontaan het Wilhelmus toe. Ds. Welter kreeg de eervolle opdracht prinses Juliana catechetisch onderwijs te geven. Op zondag 12 juni 1927 deed zij in de naar haar genoemde Julianakerk tezamen met 33 anderen openbare geloofsbelijdenis.
In september 1929 verzocht de reeds 80-jarige hofprediker ontheffing uit zijn functie. Als opvolger werd de Utrechtse hoogleraar dr. H. Th. Obbink benoemd, die in de jaren 1906-1910 hervormd predikant in Den Haag was geweest. Tijdens zijn hofpredikerschap werd prof. Obbink tweemaal geroepen dienst te doen bij de begrafenis van een lid van het vorstenhuis: in maart 1934 bij die van koningin Emma en reeds in juli van hetzelfde jaar bij de uitvaart van prins Hendrik.

De Laatste Hofpredikers en het Einde van een Traditie
Een vreugdevolle dag was daarentegen 7 januari 1937, toen in de Grote Kerk van Den Haag het huwelijk van prinses Juliana met prins Bernhard werd bevestigd in een dienst waarin prof. Obbink voorging. De inzegening van het huwelijk geschiedde door de 87-jarige voormalige hofprediker ds. Welter. In hetzelfde kerkgebouw bediende ds. Welter op 12 mei 1938 de doop aan prinses Beatrix, na een prediking door ds. E. H. Blaauwendraad, hervormd predikant te Baarn.
Nog eenmaal deed de oud-hofprediker van zich spreken. Nadat koningin Wilhelmina in de meidagen van 1940 naar Engeland was uitgeweken, gaf de 90-jarige ds. Welter blijk van zijn Oranjegezindheid in een gedichtje dat indertijd in het gehele land de ronde deed: "Neen, 't was geen vlucht, die U deed gaan, maar volgen, waar God riep..."
Als Franse hofpredikers waren tijdens de regering van koningin Wilhelmina achtereenvolgens de Waalse dominee E. Bourlier en de Parijse predikanten E. Lacheret en P. Gounelle in functie. De ambtsplichten van pasteur Lacheret bleven beperkt tot enkele preekbeurten per jaar en het verstrekken van informatie over de positie van het Franse protestantisme; voor zijn opvolger gold vermoedelijk hetzelfde.
De vraag welke invloed de hofpredikers in geestelijk opzicht hebben uitgeoefend, is moeilijk te beantwoorden. Wat Wilhelmina over haar godsdienstige ontwikkelingsgang heeft medegedeeld, duidt erop dat deze predikanten daarin maar een bescheiden rol hebben gespeeld. Opmerkelijk is dat zij in haar memoires slechts een van hen noemt: ds. Welter, van wie zij terloops vermeldt dat hij in 1927 Juliana bevestigde.
De laatste twee hofpredikers van het Nederlandse vorstenhuis waren de Apeldoornse predikant J. F. Berkel en pasteur G. Y. P. A. B. Forget van de Waalse gemeente in Den Haag. Ds. Berkel werd in 1947 door koningin Wilhelmina benoemd. Over deze aanstelling vertelde zij later: "Het was een revolutionaire daad. De oude regel zei: Als hofprediker benoem je alleen grote sterren aan het geestelijk firmament. Ik wilde hiermee na de oorlog breken. De hofprediker moest een gewone, echt goeie dominee zijn en toen nam ik het lijstje van Apeldoornse predikanten maar eens voor mij. Ik wilde voor mij en de mijnen een dominee zoals het volk ook had en heeft." In zijn boek "De levensavond van koningin Wilhelmina" tekent Thijs Booy hierbij aan dat er een werkelijk contact tussen Wilhelmina en de Nederlandse hofprediker heeft bestaan en dat ds. Berkel met ware trouw en een sterk inlevingsvermogen de grijze slotvrouwe van Het Loo van dienst is geweest.
Pasteur Forget, die reeds vanaf 1935 de Waalse gemeente in Den Haag diende, werd in januari 1955 tot hofprediker benoemd als opvolger van P. Gounelle. Ook hij was, naar Booy opmerkt, in de levensavond van Wilhelmina niet alleen "een titeldrager in de verte". Beide hofpredikers deden dienst toen Wilhelmina van Oranje-Nassau op zaterdag 8 december 1962 naar haar laatste rustplaats werd gebracht. In de rouwdienst in de Nieuwe Kerk te Delft hield ds. Berkel een predikatie naar aanleiding van Matthéüs 28:20: "En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." Ds. Forget besloot de dienst met een in het Frans gesproken gebed, dat diepe indruk maakte.
Ds. Berkel verkreeg in mei 1965 emeritaat, ds. Forget twee jaar later. Hun plaatsen werden niet opgevuld. De functie van hofprediker, die blijkbaar niet meer in onze tijd past, behoort tot het verleden.