Dominee Johannes Bulthuis en de geschiedenis van Buitenpost

Dominee Johannes Bulthuis (1791) studeerde theologie in Groningen, waar hij zich inschreef op 29 augustus 1748. In 1755 werd hij proponent en ruim twee jaar later predikant te Holwierda in Groningen. Van daaruit vertrok hij in 1773 naar Wirdum. In 1775 werd hij beroepen in Sneek, waar hij de kansel gebruikte om zijn staatkundige gevoelens te uiten. Dit leidde ertoe dat hij op 4 april 1786 door het Hof van Friesland veroordeeld werd tot een boete van 500 gulden. Hierop verliet hij Sneek en ging naar Hasselt. Van daaruit werd hij beroepen in Rijzum in Oost-Friesland, waar hij op 24 september 1786 werd bevestigd. In 1789 verleende Willem V hem de collatie van De Klundert, een beroep dat hij niet aannam. In 1790 werd hij echter predikant te Workum in Friesland.

Zie: Brucherus, Gedenkb. van Stad en Lande, 67; Vaderl. Hist. ten verv. op Wagenaar XIII, 133-135; XXIII, 89; Album Studiosorum Acad.

De geschiedenis van het religieuze leven in Buitenpost

In maart 1580 vergaderde de Friese landdag, waarmee de overheersing van de Spanjaarden in Friesland bijna ten einde was. In die periode werden geestelijken uit hun ambt gezet en de bezittingen van katholieken verbeurd verklaard. De periode van de Reformatie bracht ingrijpende veranderingen met zich mee.

De tekst vermeldt ook de rol van een schoolmeester en de toestemming voor bepaalde religieuze uitingen. Het verbod op de uitingen van zowel Doopsgezinden als Luthersen duidt op een periode van religieuze spanningen en controle door de overheid. De aanwezigheid van Staatse troepen en de zware lijdensdruk voor de bevolking wijzen op militaire conflicten en de gevolgen daarvan.

Er is sprake van de opbouw van iets nieuws, mogelijk een kerkelijke structuur of gemeenschap. De naam Bartholomeus Nicolai Billerbeek (ook wel gespeld als Bilderbeek) wordt genoemd, die te Havelte woonde en in 1620 overleed. Dit suggereert een connectie met de bredere geschiedenis van de regio en de kerkelijke leiders.

Illustratie van een historische kerk in Friesland

Kerkdiensten en prediking in de 17e en 18e eeuw

De tekst werpt een interessante vraag op over hoe de preken in de 17e en 18e eeuw verliepen. Er wordt gesuggereerd dat de preken destijds meer gericht waren op het verstand dan op het gemoed, en dat ze aanzienlijk langer duurden dan de preken van nu. De middagdienst kon bijvoorbeeld twee uur duren.

Om de predikanten te stimuleren hun preken binnen de perken te houden, werden er speciale maatregelen genomen. Op de preekstoelen stond een zandloper met een koperen armatuur, die fungeerde als tijdsindicatie. Het overschrijden van de toegestane tijd kon leiden tot een boete. De tekst meldt dat er ook al een boete stond op het te lang preken.

Hoewel we niet zeker weten hoe druk de kerkdiensten werden bezocht, is er wel informatie over de inkomsten. De 'buydel' (de collecte) per dienst werd nauwkeurig genoteerd, en het bleek dat tijdens de avondmaalsdiensten verreweg het meeste geld werd binnengehaald.

De tekst vermeldt ook het concept van 'voorgangers' en hun ambtsperiodes. Gemiddeld hadden predikanten een ambtsperiode van ongeveer tien jaar. Sommige predikanten werden zelfs in de kerk begraven.

Illustratie van een oude zandloper op een preekstoel

Predikanten en hun ambt in Buitenpost

In 1659 overleed een predikant die bemiddelde in zijn gemeente te Buitenpost, Lutkepost en Gerkesklooster. Hij wordt beschreven als iemand die de geheimen des geloofs heeft verklaard en de grootheid van de Drie-eenheid bezong. Dit beeld van een gelovige en toegewijde dienaar van het woord wordt verder aangevuld met de vermelding van een predikant die van 1726-1764 de gemeente diende en daarna nog in Buitenpost bleef wonen tot op 82-jarige leeftijd. Deze predikant verdronk 's nachts in de regenwaterbak, mogelijk door een onweersbui.

De tekst beschrijft ook het vertrek van een predikant in februari 1775, na een ambtsperiode van ongeveer 34 jaar. De komst van dominee Salomon Sieuwert de Koe wordt genoemd, waarna hij op 13 oktober 1872 naar Buitenpost kwam.

De strijd om de verkiezing van predikanten

De tekst belicht een periode waarin de verkiezing van predikanten werd opgedragen aan de grondbezitters. De kerkeraad was in die tijd verplicht de door hen gekozen kandidaat te beroepen. Echter, dit systeem leidde tot conflicten wanneer de kerkeraad het niet eens was met de keuze van de gemeente. Er wordt een specifieke situatie beschreven waarin de kerkeraad weigerde een benoemde kandidaat te beroepen, ondanks een duidelijke meerderheid van stemmen voor die kandidaat onder de floreenplichtigen.

De strijd rond het floreenstelsel, waarbij de stem van de grondbezitters zwaar woog, had dus niet altijd het gewenste resultaat voor de kerkeraad. Dit systeem stimuleerde discussies en gaf aanleiding tot de formulering van bepaalde standpunten.

De tekst noemt ook de gemeenten van Zwartsluis en Purmerend, en de impact van veranderingen binnen de kerkelijke leer. De "Doleantie" wordt genoemd als een stroming die invloed had op de kerkelijke ontwikkelingen.

Chronologisch overzicht van predikanten

De tekst geeft een lijst van predikanten die de gemeente hebben gediend, met hun ambtsperiodes:

  • 1896-1903: ds. J.
  • 1904-1934: ds. J.E.
  • 1934-1938: ds. T.
  • 1939-1958: ds. J.
  • 1951-1967: ds. J.Ph.
  • 1967-1974: ds. R.
  • 1975-1980: ds. L.
  • 1981-1989: ds. C.

De bouw van een nieuwe pastorie

Rond 1727 was men bezig met de bouw van een nieuwe pastorie. De kerkvoogdij werd hierbij niet vergeten, en er werd 'rinkelman bier' verstrekt aan de timmerlieden die aan de pastorie werkten. De aanbesteding voor de bouw van een nieuwe pastorie, woning en schuur met bijbehorende voorwaarden werd gehouden. Het werk werd gegund aan de timmerman J. Bulthuis, die het afbreken en opbouwen voor 3900 caroli gulden uitvoerde.

De totale kosten voor de bouw kwamen uit op 3618 gulden. Een aanzienlijk deel van dit bedrag, namelijk 2000 gulden, werd geleend. Het bedrag van 200 gulden werd ook uit de diaconie betaald. De bouw van de pastorie werd als een fraai geheel beschouwd.

Schematische weergave van een historische pastorie met schuur

Het dorpsleven en de burgerlijke stand

Het gebouw van de pastorie diende later ook als paardenmarkt in augustus, wat de grietenij jaarlijks een bepaalde huur opleverde. De eerste documenten die hiernaar verwijzen dateren van januari 1817.

De tekst beschrijft de archieftoegang, die uitgebreide informatie biedt over een archief, inclusief kenmerken, een inleiding en een inventaris of plaatsingslijst. De kenmerken omvatten omvang, vindplaats, beschikbaarheid en openbaarheid. De inleiding bevat informatie over de geschiedenis van het archief en de archiefvormer. De inventaris is een hiërarchisch overzicht van beschreven archiefstukken.

De archiefstukken, zoals de verslagen van de kerkenraadsvergaderingen, straalden een zekere eerbiedwaardigheid uit. Deze verslagen waren van een standaardmodel en werden tot ongeveer 1870 gebruikt. De vergaderingen werden geopend met gebed. Er werd gelet op het wandel van gemeenteleden en eventuele klachten over diaconiewoningen.

Er wordt een anekdote verteld over "krakeelen van een vrouw, genaamd Groote Hil", die regelmatig ruzie had met haar buren. De kerkeraad besloot de situatie te laten zoals die was, ook al had de predikant bezwaar gemaakt tegen de uitgaven voor wijn tijdens vergaderingen.

De tekst vermeldt ook de burgerlijke stand en de bevolkingsregisters. De eerste bevolkingsregisters dateren van 1850, terwijl de kerkboeken van Buitenpost teruggaan tot 1645. Predikanten waren verantwoordelijk voor het bijhouden van deze boeken, die niet altijd even leesbaar waren.

Kerkboeken en huwelijken

In de kerkboeken werden de gegevens van de dopeling, inclusief de naam van de vader, vastgelegd. Ook de gegevens van de bruidegom werden uitvoerig genoteerd. Voordat een huwelijk kon plaatsvinden, werd dit 'geproclameerd' (afgekondigd). Na de laatste afkondiging kon het huwelijk voltrokken worden.

Een analyse van huwelijken tussen 1730 en 1780 laat zien dat partners uit eigen dorp minder vaak werden gekozen. De kans was groter dat men een partner uit een andere plaats koos, omdat de sociale kring in het dorp beperkter was. De omliggende plaatsen en aangrenzende gemeenten waren de meest voorkomende herkomstgebieden voor partners.

De tekst vermeldt ook het concept van lidmaatschap van de kerk, waarbij nieuwe leden werden ingeschreven in het lidmatenboek na het doen van geloofsbelijdenis. De vermelding van "Hoog Ed. Wijbrand), syn gemalin" en "Onsterfelijke belangens" duidt op de religieuze context van die tijd.

Uittreksel uit een historisch kerkboek met gegevens over dopen en huwelijken

Evangelisatie in Buitenpost

De predikanten in Buitenpost waren oorspronkelijk van rechtzinnige komaf, maar dit veranderde geleidelijk. De komst van drs. E. leidde tot de oprichting van een evangelisatievereniging. Hoewel er rechtzinnige prediking was, mochten de evangelisten de sacramenten niet bedienen.

De Evangelisatie in Buitenpost werd opgericht op 5 april 1905 en had een aanzienlijk budget van 900 gulden. Het aantal leden groeide gestaag, en er was zelfs een 'jongedochtersvereniging' met 10 leden. De eerste vaste evangelist was dhr. J. van der Net.

De samenwerking met de kerkenraad leidde tot het organiseren van jeugdwerk. Echter, dit verliep niet altijd zonder problemen. Het gebouw van de evangelisatie werd te klein, en er ontstonden meningsverschillen over de koers van de Evangelisatie. Uiteindelijk trad de gehele kerkeraad in mei 1958 af, waarna de leiding overging naar de Evangelisatie. De Evangelisatie werd in 1962 opgeheven en het gebouw verkocht.

Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië (1945 - 1949)

tags: #dominees #johannes #bulthuis