De geschiedenis van Giethoorn is nauw verbonden met de ontwikkeling van haar religieuze gemeenschappen. Deze maandelijkse rubriek duikt in het Gieters verleden, waarbij de Doopsgezinde Gemeente en haar voorgeschiedenis centraal staan. Giethoorn heeft door de eeuwen heen een dynamische ontwikkeling doorgemaakt, waarbij de gemeenschap en haar kerkgebouwen mee verhuisden. Dit fenomeen wordt treffend omschreven als "Samen op Weg avant la lettre".
De Vroege Nederzettingen en de Middeleeuwse Kapel
Volgens historici ontstond de nederzetting Giethoorn in de eerste helft van de 12e eeuw bij het Giethoornse Meer. Restanten van een tweede nederzetting kunnen worden gezien in gebieden als Muggenbeet en Jonen. In dit half ontgonnen gebied heeft waarschijnlijk een kleine middeleeuwse kapel gestaan. De huidige Kapelweg langs de Thijssengracht herinnert nog aan deze vroege religieuze aanwezigheid.
Uit een brief uit 1798, geschreven door de kerkvoogden van Giethoorn aan de Eerste Kamer, is informatie over deze kapel overgeleverd. De brief beschrijft een "kleine Cappelle, welker staandplaats in het water en uitgeveende landstreken, in een woestenij en wildernis thans nog zichtbaar en bij alle oudgezetenen noch bekend is en ten huidige dage de Cappelle genoemd wordt". Deze kapel bevond zich in het buitengebied, in de Noordelijke Kluft, aan de Cappelsloot nabij het Helder Gat, op ongeveer 4 kilometer van de huidige Beulakerweg. De brief vermeldt verder dat de kapel "ruim 2000 schreden ver in de waterpoelen ligt, alwaar geen, of omtrent geen huizen of woonplaatsen existeren, destijds de vergaderplaats was der Roomsche godsdienstbelijderen".
Het middeleeuwse Giethoorn was destijds nog geen afzonderlijke parochie. De religieuze dienst werd waargenomen door de monniken van Sint Jansklooster. Deze monniken verzorgden tevens kleine godshuizen in de omgeving, waar de mis werd bediend, kinderen werden gedoopt, biechten konden worden afgelegd en begrafenissen plaatsvonden. Een kapel aan een slootje zal vermoedelijk ook een kleine klok hebben gehad om de aanwezigheid van een priester aan te kondigen.
De Nieuwe Katholieke Kerk en het Protestantisme
Rond 1500 werd een nieuwe katholieke kerk gebouwd, gelegen ten oosten van de Tijsjessloot en de Bouwerssloot. Het merendeel van de agrarische bevolking was inmiddels opgeschoven naar de huidige Beulakerweg. In 1571 deed Aegidius de Monte, bisschop van Deventer, kerkvisitatie in Giethoorn. De kerk was gewijd aan Sint Maarten, de patroonheilige van de Utrechtse Domkerk. Dit zou mogelijk de oorsprong kunnen zijn van de traditie waarbij kinderen op 11 november langs de deuren gaan.
De 16e eeuw markeerde de opkomst van het protestantisme. Op diverse plaatsen werden katholieke dorpskerken door protestanten overgenomen. In de loop van de 17e eeuw ontstond er discussie over de toekomst van het Gieterse kerkje, dat aan groot onderhoud toe was. Op 19 maart 1642 besloot de Ridderschap en Steden van Overijssel tot het uitrekken van een som voor herstel, maar op 26 maart 1644 werd alsnog een bedrag van 300 florijnen voor de bouw van een nieuwe kerk toegestaan. Verzoeken om de oude kerk te herstellen werden afgewezen. De nieuwe protestantse kerk werd gebouwd op de fundamenten van de oude kerk. Bij een restauratie in 1931 werden onder de grond ruwe zwerfkeien gevonden, vermoedelijk de fundering van de kerk uit circa 1500.
Het Protestantse Kerkje en de Begraafplaats
Het protestantse kerkje in Noord, met haar karakteristieke klokkentoren, is het gebouw dat we vandaag de dag kennen. Hier bevindt zich tevens de begraafplaats, waar de Gietersen "keurig op een rijtje en zonder aanzien des persoons" worden begraven. Het bestaan van deze begraafplaats heeft waarschijnlijk bijgedragen aan het behoud van de kerk op deze locatie, ook toen het dorp nog een keer verhuisde naar de huidige nederzetting langs de Dorpsgracht. Dit verklaart waarom de kerk enigszins aan de rand van het huidige dorp lijkt te staan.
De eerste "Vermaenige" (een doopsgezinde kerk) kreeg een plek aan de Dorpsgracht in Zuid, waar in 1871 de huidige doopsgezinde kerk werd gebouwd. Giethoorn kent een bewogen geschiedenis, en de aanwezigheid van deze twee kerken herinnert aan de voortdurende mogelijkheden voor geloof, hoop en liefde.

De Ontwikkeling van de Doopsgezinden
De Doopsgezinden hebben een rijk verleden dat teruggaat tot een beweging die rond 1520 ontstond in Zwitserland en Zuid- en Midden-Duitsland. Deze gemeenschappen keerden zich tegen de leer en praktijken van de Kerk van Rome, maar op een andere wijze dan de volgelingen van Luther en Zwingli. Centraal stond de doop van volwassenen als teken van een nieuwe levenswending, wat hen de naam "wederdopers" of "anabaptisten" opleverde.
Op 21 januari 1525 doopte Conrad Grebel de eerste volwassene in Zürich, wat leidde tot de vorming van de eerste gemeenschap. Ondanks vervolgingen groeide de beweging. De Schleitheimer Artikelen, opgesteld onder leiding van Michael Sattler, legden zeven regels vast over onder meer de doop, de omgang met zonde, het Avondmaal en de afzondering van andersdenkenden. Deze artikelen stelden het gezag van de overheid over de kerk ter discussie en werden in 1527 gedrukt in Worms, waarna ze zich snel verspreidden, ook naar de Nederlanden.
Een opmerkelijk figuur in de vroege doopsgezinde geschiedenis was Sicke Frerixzoon. Hij werd rond 11 december 1530 in Emden gedoopt, ondanks een eerdere kinderdoop. Zijn publieke bekentenis en herdoop leidden tot een veroordeling tot de dood door onthoofding, met executie op een rad en plaatsing van het hoofd op een staak. Deze martelaarsdood had grote impact, onder meer op Menno Simons.
De Münsterse Opstand en de Rol van Menno Simons
De wederdopers, onder leiding van Jan Breukelsz. van Leiden, stichtten in Münster een radicale theocratie, het "Nieuwe Jeruzalem". Dit trok gelukzoekers en geloofsdwazen uit heel Nederland aan. Amsterdam werd een verzamelpunt, maar de magistraat verhinderde de doorreis. Tegelijkertijd ontstond het idee om ook in Amsterdam een "Nieuw Jeruzalem" te stichten. Op 9 mei 1535 mislukte een aanslag op de stad, waarbij het stadhuis werd bezet en een burgemeester omkwam.
Menno Simons, oorspronkelijk priester gewijd in Utrecht en aangesteld als vicaris in Pingjum, raakte rond 1531 onder de indruk van de wederdopers. De onthoofding van Sicke Frericxzoon en de dood van zijn radicale broer Pieter Simons tijdens de belegering van het Oldeklooster van Bolsward, brachten hem ertoe om in 1535 alle geweld af te zweren. Uit angst voor vervolging vluchtte hij en leidde een zwervend bestaan. In 1540 nam hij de leiding over een groep vredelievende baptisten, de latere mennonieten.
Vanaf 1579 bracht de Unie van Utrecht een einde aan de vervolgingen van doopsgezinden en maakte de bouw van kleine kerken mogelijk. Deze "vermaanhuizen" mochten niet als kerk herkenbaar zijn en moesten opgetrokken worden achter bestaande gebouwen.
Doopsgezinde Gemeenten in Giethoorn
De Doopsgezinde gemeente in Giethoorn behoort tot de oudste van het land. Tussen 1563 en 1565 bezocht Leenaert Bouwens deze gemeente en doopte er vijf personen. Al spoedig, in de 16e eeuw, splitste de gemeente zich in tweeën: Giethoorn Noordzij en Giethoorn Zuidzij. Deze geografische splitsing kreeg al snel ook religieuze betekenis. De Zuidzij sloot zich aan bij de Zonsche Sociëteit, terwijl de Noordzij zich aansloot bij de Dantziger Oude Vlamingen, de meest behoudende groep onder de Doopsgezinden. Later sprak men van Fijne Mennisten (Noordzij) en Grove Mennisten (Zuidzij).
Tot 1890 leefden de twee gemeenten naast elkaar voort. De Noordzij kende echter een kwijnend bestaan. Op 2 januari 1890 vond een fusie plaats tussen de kerkenraad van Zuidzij en de leden van Noordzij. Op 5 januari 1890 werd deze belangrijke gebeurtenis officieel afgekondigd. De doopsgezinde kerk is sinds 2022 geheel gerestaureerd en open voor bezoekers. Er is een permanente expositie over godsdienstvrijheid in het veen en de kerk dient als een plek van rust, stilte, vrede en licht in het levendige dorp Giethoorn.

Architectuur en Restauratie
De Doopsgezinde kerk in Giethoorn, gelegen aan het Binnenpad, werd in 1871 gebouwd in een sobere waterstaatsstijl. De vroeg 20e-eeuwse pastorie, ten noorden van de kerk, vertoont elementen in de Art Nouveau stijl. De kerk en pastorie zijn gericht op het oosten, naar het water, en staan op een ruim perceel met gras en deels hekwerk.
De kerk is door de jaren heen diverse malen gerestaureerd. In 1931 werden bij de restauratie van de fundering ruwe zwerfkeien gevonden, vermoedelijk de fundering van de kerk uit circa 1500. Een specifieke restauratie vond plaats in 2022, waarbij de kerk weer geheel hersteld is en toegankelijk is voor bezoekers met een permanente expositie.
De Klokkenstoel en de Klok
Aan de westelijke gevel van de kerk bevindt zich een houten klokkenstoel, eigendom van de Gemeente Steenwijkerland. De oorspronkelijke grote klok droeg de namen van de schenkers: "Joncker Baldewijn van Renoy Scholtis tot Geithoren en Jofvrou Machteld Sloet zijn ed huisvrouwe", met het jaartal 1633. De klokkenstoel is dus ongeveer 12 jaar ouder dan de kerk zelf.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de klok in 1943 door de Duitsers gevorderd om te worden omgesmolten voor wapens. Na de oorlog werd de klok beschadigd teruggevonden in Hamburg. In 1950 werd van de oude klok een nieuwe gegoten bij de gieterij van Bergen in Midwolda. Op woensdag 7 mei 1952 werd de klok in de gerestaureerde klokkenstoel gehangen.

Bijzondere Objecten en Herinneringen
Van de oorspronkelijke kerkinventaris is veel verloren gegaan. Er zijn echter nog twee oude bijbels, een handgesmeed ijzeren doopstel en twee zilveren avondmaalsbekers aanwezig. De bekers zijn een geschenk van 'De weledele juffrouw' Machteld Sloet, weduwe.
Een bijzonder gedenkteken in de kerk is het houten kruis ter nagedachtenis aan Frederick C. Grambo, een 26-jarige Amerikaanse Lightings piloot die op 28 februari 1944 bij Giethoorn neerstortte. Zijn zoon verdronk later op 14-jarige leeftijd. De begrafenis werd door de Duitse bezetters gecontroleerd, maar het graf werd desondanks de volgende ochtend bedekt met bloemen. Grambo werd later herbegraven op de militaire begraafplaats in Margraten.
De Begraafplaats en Familiebanden
Rondom de kerk bevindt zich de algemene begraafplaats. Oude zerken ontbreken, aangezien het geen eigen graven betreft, maar mensen naast elkaar worden begraven op volgorde van overlijden. De oudste zerk staat op het graf van de familie Kaempf. Vader Kaempf was maire (burgemeester) van Giethoorn en overleed op 3 januari 1813. Zijn zoon, eveneens burgemeester, overleed op 18 augustus 1863. Zijn vrouw en dochter zijn eveneens bijgezet in dit familiegraf.
Tijdens graafwerkzaamheden in en om de kerk zijn diverse keien (hunebedstenen) gevonden. Vlak naast de klokkenstoel ligt een kei met een doorsnede van circa 1.40 meter.
De Doopsgezinde Gemeente: Lange Geschiedenis en Huidige Status
Vanaf 1602 hebben er 38 predikanten in de Doopsgezinde gemeente van Giethoorn gestaan, met een dienstverband variërend van 1 tot 49 jaar. De gemeente behoort tot de oudste van het land.
De kerk is sinds 2022 geheel gerestaureerd en toegankelijk voor bezoekers. Er is een permanente expositie over godsdienstvrijheid in het veen en de kerk biedt een plek van rust, stilte, vrede en licht. Een bezoek aan de Doopsgezinde kerk is vrij. Er is ook een familiespeurtocht beschikbaar.
tags: #doopsgezinde #giethoorn #over #de #brug