Dit artikel biedt een gedetailleerd overzicht van de geschiedenis van doopsgezinde predikanten in Friesland, met vermelding van hun gemeenten, relaties en de ontwikkelingen binnen de doopsgezinde beweging door de eeuwen heen.
Vroege Geschiedenis en Ontwikkeling
De geschiedenis van de doopsgezinden in Friesland gaat ver terug. De oudste vermeldingen dateren uit het jaar 1563, toen Leenaert Bouwens in Holwerd 67 broeders en zusters doopte. Hoewel de locatie van de vroege samenkomsten onbekend is, werd in 1692 een kerkgebouw gesticht aan de Koningsstraat in Holwerd, dat nog steeds bestaat, evenals de aangrenzende woning.
De doopsgezinde beweging, ook wel bekend als mennonieten of menisten, kent zijn oorsprong in de 16e eeuw. In Zwitserland en Zuid- en Midden-Duitsland keerden gemeenschappen zich tegen de leer en praktijken van de Katholieke Kerk. Deze "wederdopers" of "anabaptisten" verwierpen de kinderdoop en kozen voor de volwassenendoop als teken van een nieuwe levenswending. Conrad Grebel doopte op 21 januari 1525 de eerste volwassene in Zürich, wat leidde tot de vorming van de eerste doopsgezinde gemeenschap.
Onder leiding van Michael Sattler werden de "Schleitheimer Artikelen" opgesteld, een zevental regels die betrekking hadden op de doop, kerkelijke tucht, het Avondmaal, afscheiding van andersdenkenden, het ambt van herder en leraar, en het verbod op het voeren van het zwaard of het zweren van eden. Deze artikelen, voor het eerst gedrukt in 1527, vonden wijdverspreide verspreiding, ook in de Nederlanden.
Sicke Frerixczoon werd rond 11 december 1530 in Emden, Duitsland, gedoopt, ondanks eerdere doop in zijn jeugd. Zijn veroordeling tot de dood met het zwaard en het tonen van zijn onthoofde lichaam op een staak, zorgde voor veel beroering en had een diepgaande impact op onder meer Menno Simons.
De wederdopers stichtten in Münster het "Nieuwe Jeruzalem" met geweld, wat gelukzoekers en geloofsdwazen uit heel Nederland aantrok. Amsterdam was een verzamelpunt, maar de magistraat voorkwam de doorreis over de Zuiderzee. Op 9 mei 1535 mislukte een aanslag op de stad, waarbij het stadhuis werd bezet en een burgemeester omkwam.
Menno Simons, oorspronkelijk priester, raakte onder de indruk van de wederdopers en begon de Bijbelse grond voor de volwassenendoop te onderzoeken. Na de dood van zijn broer, Pieter Simons, tijdens de belegering van het Oldeklooster van Bolsward, zwoer Menno Simons in 1535 alle geweld af. Hij vluchtte in 1536 uit Witmarsum en leidde een zwervend bestaan. In 1537 werd hij oudste bij de obbenieten van David Joris en Dirk Phillips, een groep vredelievende baptisten, waarover Simons in 1540 de leiding nam. Deze groep werd later bekend als de mennieten, menisten en mennonieten.
Vanaf 1579 kwam er met de Unie van Utrecht een einde aan de vervolgingen van doopsgezinden. Kleine kerken, "vermanhuizen" of "vermaningen", mochten worden gebouwd, mits ze niet herkenbaar waren als kerk en niet aan de openbare weg lagen. Ze werden vaak achter bestaande gebouwen opgetrokken.
Predikanten en Gemeenten in Friesland
De website biedt een overzicht van predikanten die de christelijke gereformeerde en andere kerken dienen of hebben gediend, met hun relaties en andere predikanten na 1834. Ook zijn er gegevens te vinden van predikanten en gemeenten van de Gereformeerde Kerken (vanaf 1816 de Nederlands Hervormde Kerk genoemd) vanaf circa 1580 tot 1816 in Friesland.
De bronbewerking van de predikantenlijst van Hervormde Gemeenten in Friesland (Register Romein) vanaf de Hervorming biedt de mogelijkheid om te zoeken op alfabetische volgorde van achternaam of plaatsnaam. Daarnaast zijn er twee pdf-bestanden beschikbaar met de boeken van ds. T.A. Romein, die de classis Leeuwarden, Franeker, Sneek, Dokkum en Heerenveen behandelen.
In de achttiende eeuw waren er veel vermeldingen van predikanten en kandidaten. Voortdurend wordt gewerkt aan een verdere voltooiing van de gegevens. Van predikanten en gemeenten zijn op de site ook enkele primaire gegevens vermeld, met de mogelijkheid om meer bijzonderheden over een dominee te vinden.
Ternaard werd in 1850 een zelfstandige gemeente en stichtte een nieuw kerkgebouw. Holwerd en Blija bleven een combinatie tot 1935, toen het kerkgebouw in Blija werd verkocht. Deze situatie duurde tot 1999, waarna de Vermaning in Ternaard werd verkocht aan gemeentelid Theunis Elzinga, en medio 2007 een nieuwe eigenaar kreeg.
Een bijzondere voorganger in de gemeenten Holwerd, Blija en Ternaard (Vischbuurt) was ds. Marten Martens, die van 1798 tot 1849 gedurende 51 jaar voorganger was. Dit was een uitzonderlijk lange loopbaan op één standplaats. Ds. Martens studeerde van 1791 tot 1798 aan het Doopsgezind Seminarium te Amsterdam en voelde zich na zijn afsluitend examen gelukkig: "Ik heb het groote doel mijner Aardsche bestemming bereikt". Hij was tevens schoolopziener in de Dongeradelen en aangrenzende gemeenten in noordoost-Friesland, en vertaler.

Doopsgezinde Gemeenten en hun Karakteristieken
De doopsgezinde gemeenschap in Friesland kende diverse stromingen, zoals de "Waterlanders" uit Stavoren, die milder waren in hun oordeel over levenswandel, en de Sneker "Oude Vlamingen", die strenger waren. De Friese stadhouder Karel V hakte in 1535 gewelddadige wederdopers uit Münster genadeloos neer, waaronder de broer van Menno Simons.
Cor Trompetter, historicus en auteur van "Doopsgezinden in Friesland 1530-1850", beschrijft hoe deze minderheid, ondanks vervolgingen, uitblonk in lokale scheuringen rond de vraag of men mocht praten met een gemeentelid wiens levenswandel niet "zonder vlek of rimpel" was. De "Harde Fries" Jan Jacobs uit Harlingen wist rond 1600 kinderen voor hun vader te verbergen om te voorkomen dat ze de kinderdoop zouden ondergaan.
De doopsgezinden emancipeerden zich geleidelijk op economisch en cultureel gebied. Ondanks hun pacifistische principes verleenden zij rond het rampjaar 1672 de Friese Staten een lening van 500.000 gulden om de Tweede Engelse Oorlog te financieren, waarvoor zij actief kiesrecht en vrijstelling van wapendienst bedongen.
De politieke ambities groeiden, en een eeuw later stonden Friese dopers vooraan in de militante Patriottenbeweging. De ingetogen levensstijl raakte uit zwang, en de doopsgezinde burgerij nam vanaf de 18e eeuw steeds vaker deel aan zeilwedstrijden, harddraverijen en kermissen.
Foeke Sjoerd, schoolmeester uit Oosternijkerk, constateerde rond 1765 dat "De ervaring heeft [de strenge doopsgezinden] langzamerhand geleerd dat de allerstipste strengheid niet altijd de voordeligste weg is om hun gemeenschap in stand te houden".
Trompetter's boek benadrukt de economische en maatschappelijke rol van de doopsgezinden in Friesland, met name in de Friese Zuidwesthoek, waar de welvaart grotendeels op hun inzet rustte. Zij vormden bijna een elite in Sneek, Bolsward, Workum en Balk, en maakten deel uit van de lokale elites.
Historische documenten zoals "Transcripties van het Evangelisch Luthers Lidmatenregister van Amsterdam 1809" en "Diverse registers betreffende kinderen in het Weeshuis van de Doopsgezinde Gemeenten bij het Lam en de Toren in Amsterdam (1677-1811)" bieden inzicht in specifieke gemeenten en perioden.
Attestaties van Doopsgezinden te Leiden (1673-1900) dienden als bewijs van lidmaatschap en goed gedrag bij verhuizingen of vestiging in Leiden. De Kerkenraden bleven verantwoordelijk voor de ondersteuning van hun leden.

Publicaties en Onderzoek
S. Blaupot ten Cate publiceerde in 1842 zijn "Geschiedenis der Doopsgezinden in Groningen, Overijssel en Oost-Friesland, van derzelver ontstaan tot dezen tijd". Dit werk, dat voortbouwt op zijn eerdere "Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland", behandelt de oorsprong, opkomst, bijzondere personen en gemeenten in deze gewesten.
Het eerste hoofdstuk van Blaupot ten Cate's werk beschrijft de oorsprong en opkomst in de 16e en eerste helft van de 17e eeuw. De opkomst wordt toegeschreven aan het lezen en onderzoeken van de Heilige Schrift, evenals de verspreiding van religieuze ideeën door vluchtelingen uit de Waldenzen of Albigenzen.
In het tweede deel van zijn werk behandelt Blaupot ten Cate de geschiedenis van de 17e eeuw tot de huidige tijd, met aandacht voor de verschillende verenigingen, zoals de "Sociëteit der oude Vlamingen" te Groningen, die streefde naar handhaving van zuiverheid van geloof en leven. Later kwamen hierin veranderingen, en de post van oudsten werd vervangen door algemene opzieners.
De "Friese Doopsgezinde Sociëteit", opgericht in Leeuwarden, telde 51 aangesloten gemeenten, waaronder drie Groningse. Het doel was hulp en ondersteuning te verlenen aan buitenlandse en binnenlandse geloofsgenoten.
De "Maatschappij van Konsten en Wetenschappen, tot nut van 't Algemeen", opgericht in 1784 te Edam, bevorderde het welzijn, de ontplooiing en maatschappelijke discussie, onder meer op het gebied van onderwijs.
Anna Zernike, een van de eerste vrouwelijke predikanten, werd op 5 november 1911 aangesteld in de doopsgezinde gemeente in Bovenknijpe, Friesland. Ze trouwde in 1915 met kunstschilder Jan Mankes.
De "Gemeentedagbeweging", gestart in 1916 door ds. T.O. Hylkema en collega's, beoogde een vrije tribune en ontmoetingsplaats voor Nederlandse doopsgezinden. Dit markeerde een omslagpunt van 19e-eeuwse burgerlijkheid naar een 20e-eeuws begrip van wereldbroederschap.
Cor, een antimilitarist, geheelonthouder en vegetariër, weigerde in de jaren na de Eerste Wereldoorlog de militaire dienstplicht en koos voor gevangenisstraf. Hij was betrokken bij de "Arbeidsgroep tegen de Krijgsdienst", die na de Tweede Wereldoorlog werd voortgezet als de "Doopsgezinde Vredesgroep (DGV)".
Het "Broederschapshuis" in Elspeet, opgericht in 1925, diende als ontmoetingsplaats voor de doopsgezinde gemeenschap. In de jaren zestig werd het een meer professionele hotelaccommodatie.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden 210 baby's en peuters van Joodse ouders, met hulp van het Amsterdamse studentenverzet, ondergebracht bij gezinnen in Friesland. Baby Alfred, gesmokkeld door Iet van Dijk, vond onderdak in Sneek.
Wie was Menno Simons? Stichter van de mennonieten (1496-1561)
tags: #doopsgezinde #predikanten #friesland