De evolutie van Duitse psalmen en gezangen

Alle liederen die we zingen bevatten een Bijbelse boodschap, of zijn, in het geval van de Psalmen, het Woord van God zelf. Het is ons verlangen dat Gods Woord in de wereld uitgestrooid wordt. Sommige mensen zullen niet zo snel naar een preek luisteren, maar zijn wel benieuwd naar de muziek en zang. Daarnaast willen we mensen graag kennis laten maken met onze vorm van de eredienst. Wat onze kerkdiensten kenmerkt is, behalve de verkondiging van het Woord, ook de eenvoudige samenzang van psalmen en Bijbelse liederen. In Oostenrijk is dat voor velen onbekend. De Rooms-Katholieke Kerk kent voornamelijk een koorzangcultuur. Evangelische gemeentes hebben vaak een worship cultuur. Een derde reden is dat liederen vaak meer beluisterd worden dan de preken. Door de liederen krijgen we dus meer kliks op ons kanaal. Hoe vaker onze filmpjes aangeklikt worden, hoe makkelijker ze ook weer door anderen gevonden worden. Op het YouTubekanaal worden voornamelijk Psalmen en traditionele Duitse liederen geplaatst.

Illustratie van een kerkkoor dat zingt

De uitdaging van berijmde psalmen

De berijmde psalmen zijn in de gemeentes nauwelijks bekend. Sommige mensen vinden het maar niks en klagen dat de melodieën te moeilijk en de teksten te oud zijn. Bij de beantwoording van de vraag naar psalmberijmingen in de middeleeuwen heeft men nooit deze complexiteit voor ogen gehouden. En toch is dat noodzakelijk als men op grond van het verleden beweren wil dat wat Luther in 1524, Marot in de dertiger jaren en de Souterliedekens in '40 brachten, niets nieuws was.

Het kerklied als element in de Duitse Reformatie

In Duitsland was het kerklied een belangrijk element. Dr. Karl Weinmann spreekt voor vele gelijkdenkenden: ‘Wackernagel brengt in het tweede deel niet minder dan 1448 liederen, die het liedschat van vóór de Reformatie toebehoren.’ Weinmann doet het voorkomen alsof al die 1448 liederen daadwerkelijk kerkliederen zijn geweest, dat wil zeggen, dat ze door het volk in de kerk gezongen zijn geweest. Dit zal nader onderzocht worden aan de hand van wat betrouwbare vorsers daarover hebben meegedeeld. Ondanks zijn ouderdom mag het werk van Bäumker nog steeds als een standaardwerk gelden, waarin alles is samengebracht wat in de documentaria te vinden was over het aandeel van het ‘volk’ in de kerkzang. Later gevonden getuigenissen dienaangaande, o.a. vermeld in Merker-Stammler's Reallexikon, vullen Bäumker's gegevens aan en bevestigen te sterker de conclusies die men uit diens rijke materiaal kan trekken.

Afbeelding van een middeleeuws manuscript met liederen

De oorsprong van het Duitse kerklied

Het pas gekerstende Duitse volk zweeg en luisterde toe, als de zangers de Latijnse koralen voordroegen. Het verstond de taal niet. Karel de Grote moest de kerkgangers wat tegemoet komen, door voor te schrijven dat het gehele volk de doxologie Gloria Patri et Filio, enz. en dat de priester met het volk en de heilige engelen het Sanctus zou zingen. Lodewijk II moet daar in 856 nog een kleine uitbreiding aan gegeven hebben, maar of die verordeningen werkelijk opgevolgd zijn, is onbekend, voegt Bäumker eraan toe. Wel weten we dat de woorden Kyrie-eleison het volk, bij gebrek aan liederen in de moedertaal, gediend hebben om zijn religieuze gevoelens in gezang te uiten. Bij alle mogelijke gelegenheden weerklonk deze roep: bij begrafenissen, bedevaarten, op het slagveld, bij de ontvangst van hooggeplaatste persoonlijkheden, enz. Niet zelden ontaardde de roep in een onverstaanbare jubel. Verwant daarmee waren de jubilaties die op de laatste lettergreep van Alleluja na het Graduaal in zwang gekomen waren. Om deze jubilaties aan de vergetelheid te ontrukken, kwam men op de gedachte de melodieën te fixeren door er een tekst onder te schuiven, volgens de regel: zoveel lettergrepen, zoveel noten. Op deze wijze ontstonden de sequenties. Hetzelfde gebeurde met het Kyrie-eleison, op de melodie waarvan men Duitse woorden zocht. Deze gezangen eindigden dan alle weer met Kyrie-eleison. Zo werden de eerste Duitse kerkliederen geboren, die men Leisen ging noemen.

Ontwikkeling van het geestelijk lied in de 12e en 13e eeuw

Eerst in de 12e eeuw kwam het geestelijk lied in de moedertaal tot grotere ontplooiing. Wackernagel verzamelde niet minder dan 160 liederen uit deze tijd. De 13e eeuw zag een groot aantal geestdriftige liederen tot lof van de H. Maagd ontstaan. Slechts enkele ervan kwamen, - en hetzelfde geldt voor de latere liederen van de ‘Meistersänger’ - in kerkelijk gebruik. Daarentegen is hun invloed op de kunstige vorming van de strofe en de melodie van het latere volkslied aanzienlijk geweest.

De bloeiperiode van het volkslied in de 14e eeuw

Met de 14e eeuw komen we in het bloeitijdperk van het wereldlijk en geestelijk volkslied. De ontwikkeling van het stadswezen en het (kunstige) handwerk geven aan het geestelijk leven nieuwe impulsen en vormen, waarvan de poëzie de weerslag ondervindt. De tijd van de Meistersänger breekt aan. Nieuwe kansen krijgt het geestelijk lied in de Kerst-, Passie- en Paasspelen. De instelling van nieuwe feesten als de Sacramentsdag (1264), het Drievuldigheidsfeest (1334), Maria's Ontvangenis (1356), Maria Boodschap (1389) en vele Heiligendagen verrijkte ongemeen het aantal Latijnse hymnen waarvan Johannes von Salzburg er enige tientallen vertaalde.

De 15e eeuw: contrafacten en geestelijke volksliederen

In de 15e eeuw is de oogst aan kerkliederen, resp. geestelijke volksliederen zeer groot. Een merkwaardig verschijnsel vormen de zogenaamde contrafacten: wereldlijke liederen omgewerkt tot geestelijke, met behoud (of met omwerking) van de melodie en vaak ook van de eerste versregel. Heinrich von Loufenberg was op dit terrein vruchtbaar werkzaam. ‘Het Duitse volk bezat dus vóór de uitbraak van de Reformatie een schat aan geestelijke volksliederen, resp.’ De vraag is nu maar in hoeverre dit geestelijk lied in eigenlijke zin kerklied is geweest. Ook hierop heeft Bäumker een antwoord gegeven in het tweede deel van zijn werk (1883), hoofdstuk II: Über die Stellung des deutschen Kirchenliedes zur Liturgie bis zum Ende des 17. Jahrhunderts. ‘Onbetwistbaar is het, dat de Latijnse, Gregoriaanse koraalgezang gedurende de middeleeuwen ook in Duitsland de enige liturgische gezang in de katholieke kerk was...’

Diagram dat de ontwikkeling van het Duitse kerklied toont

Toepassing van volkstalige liederen in de middeleeuwse kerk

Er is echter een bepaald bericht dat meedeelt in hoeverre liederen in de volkstaal toelaatbaar waren. Bij welke gelegenheden had dit plaats? 1e. Op de hoogste feestdagen, bij de dramatische opvoeringen in de kerk, bijv. in de Kerstnacht bij het ‘kindjewiegen’: Joseph, lieber Joseph mein, helf mir wiegen mein kindelein... of, bij de kribbe: In dulci jubilo, singet unde weset fro.. Ook op het Paasfeest, bij de visitatio sepulchri: het koor zong Te Deum, het volk Christ ist erstanden. 2e. In verbinding met de sequenties. Volgens een mededeling in het Ordinarium inclitae ecclesiae Sverinensis van 1519 (men lette op het jaartal!) mocht het volk na het presenteren van het H. Sacrament driemaal het lied zingen: Gelobet seistu, Jesu Christ. 3e. Er zijn bewijzen dat in bepaalde tijden op sommige plaatsen Duitse liederen werden gezongen vóór en na de preek, in het bijzonder op de zondagen tussen Pasen en Hemelvaart. 4e. Bij de ‘leesdienst’, d.w.z. gedurende de stille mis, en in buiten-liturgische middag- en avondwijdingen.

De afwezigheid van volkse psalmberijmingen vóór de Reformatie

Wat echter voor dit betoog het allerbelangrijkst is: nergens is bij dit alles ook maar even sprake van een Duitse psalm, laat staan van een psalm, berijmd in de strofe van een volkslied. Onder de meer dan veertienhonderd Duitse ‘Kerk’-liederen, die Wackernagel verzameld heeft, treffen we twee psalmen op rijm aan: brokstukken van psalm 138 [Hebr. 139], naar een handschrift uit de 10e eeuw, en de 50e [Hebr. 51e] psalm, in 42 strofen (?), uit de 13e eeuw. Van deze boetpsalm kende Wackernagel nog twee andere handschriften. Hij komt ook, met varianten, voor in Joh. Zo er dus al sprake mag zijn van een geestelijk lied in de volkstaal ten gebruike van het gehele volk in de kerk - waarmee het lied tot een kerklied gestempeld werd -, tevergeefs zoeken we naar een volks psalm, om niet te spreken van een kerkelijke volkspsalm, uit de 15e en het begin van de 16e eeuw, die ons van een traditie in het psalmberijmen zou kunnen overtuigen. In heel het omvangrijke documentarium dat Bäumker en zijn opvolgers hebben bijeengebracht om tot de aanwezigheid van een kerkelijk lied in de volkstaal vóór de Reformatie te kunnen concluderen, wordt wel gesproken over ons bekende vertaalde hymnen en geestelijke volksliederen, maar met geen woord gerept van een psalm in de moedertaal. Niet zonder grond beweert Hübner dan ook: ‘Poëtische bewerkingen [van de Psalter] verschijnen niet [in de middeleeuwen], met uitzondering van de oudhoogduitse behandeling van de 138e psalm, die echter niet als fragment van een vertaling van de gehele Psalter te beschouwen is. Dat veranderde met de Reformatie.’ Berijmingen van psalmen en psalmgedeelten vond men, vooral in de 15e eeuw, in de geversificeerde gebedenboeken, zoals we die ook in de Nederlanden zullen aantreffen. Voor het middelnederduitse taalgebied zijn we hierover uitnemend geïnformeerd door de opsporingen van Borchling, die o.a. in de Bibl. des Kgl. Gymnasiums te Quedlinburg een berijmd Officium b. De boetpsalmen werden ook los van het getijdenboek in verzen gebracht. Borchling vond te Rostock, in de Grossherzogliche Universitäts-Bibliothek daarvan een voorbeeld: De souen Salmen gereimt, als onderdeel van een gebedenboek.

De rol van Luther en de Reformatie

Toen Luther in 1523 voor zijn kerkvolk Duitse liederen wilde hebben en deze ging zoeken, deed hij een greep in de schat van het middeleeuwse kerklied: hij adopteerde vertalingen van de oudkerkelijke hymnen en bewerkte geestelijke volksliederen zo, dat ze voor zijn eredienst geschikt werden. Toen hij vóór alles ook psalmen verlangde, boden de liedboeken van de middeleeuwen hem niets, moest hij zelf aan het dichten gaan en anderen opwekken zijn voorbeeld te volgen. Hier liet de traditie Luther en de zijnen in de steek.

De Geschiedenis van: MAARTEN LUTHER

Psalmberijmingen in Frankrijk

Voor Frankrijk liggen de zaken enigszins anders. Toen Marot zijn psalmen begon te vervaardigen, was er geen kerk waarin zijn liederen door het volk, actief in het liturgisch gebeuren betrokken zoals in de Duitse hervormde kerken, zouden kunnen worden aangeheven. Er is nog een tweede verschil met Duitsland. Frankrijk heeft in de middeleeuwen ‘psalmberijmingen’ gekend, berijmingen zelfs van het gehele psalter, wat Amédée Gastoué heeft verlokt tot het poneren van de stelling dat het dichten van psalmen in de volkstaal niet een uitvloeisel is van de protestantse hervormingsbeweging, maar in de traditie geworteld lag. ‘En réalité, le Psaume français appartient à une très ancienne tradition.’

Middeleeuwse Franse psalmberijmingen

Laat ons zien van welke aard de Franse berijmingen van de middeleeuwen geweest zijn. Tot de oudste versificaties behoort het Sauter en fraunceys, dat omstreeks 1140 geschreven werd in een anglo-normandisch dialect. De eerste strofen van de psalmen 41 [Hebr. 42] en 44 [Hebr. Het beste bewijs dat de dichter de psalmen als hymnen heeft beschouwd, levert de strofe met het rijmschema aabccb, dat juist in de 12e eeuw voor het eerst een veelvuldige toepassing begon te krijgen. Zo zouden dus deze strofen op de melodieën van hymnen gezongen geweest kunnen zijn. In geen geval gezongen is het oneindig lange (‘interminable’) Eructavit, een bewerking van de 45e psalm, vervaardigd omstreeks 1190 voor Marie de Champagne, de zuster van Philippe-Auguste. De tweede volledige berijming van het psalter dateert uit de 13e eeuw, en wordt door Gastoué genoemd le Grand Psautier. Er bestaan nog zes handschriften van. Een ervan (Paris, Bibl. Nat. 13092) werd in 1860 door Fr. maar in stichische verzen! Ter vergelijking geef ik ook hier het begin van de psalmen 41 en 44 [Hebr. Op geheel dezelfde wijze berijmd zijn de aan de psalmen toegevoegde Cantica (Te Deum, Benedicite, Zachariae, Mariae, Simeonis, Oratio Dominica, Professio Fidei, S. Athanasii Credo). Zeer populair waren de kleine collecties van de Sept Psaumes de la Pénitence. We vinden ze in ‘une infinité de manuscrits’ en oude drukken van de 13e tot in de 16e eeuw. Gastoué rekent deze boetpsalmen tot de meest authentieke bronnen van Marot's berijming en grondt zijn stelling op de beginverzen van de psalm 6 en 37 [Hebr. Diex! Las! Diex! De 15e eeuw geeft een opleving te zien in het dichten van stichtelijke verzen. Jean de Santes, een kartuizer uit Clairvaux, brengt opnieuw (1467) een Franse vertaling van het psalmboek in (gepaard rijmende) verzen, met vele vrome uitbreidingen. Nieuwe parafrasen van de psalmen verschijnen ook in de gedrukte getijdenboeken.

Literaire versus populaire psalmberijmingen in Frankrijk

Van deze activiteit zegt Gastoué, dat ze ‘grandit et s'accèlère de plus en plus, mais dans un genre purement littéraire, et en dehors du courant populaire et chanté’. ‘Mais, si nous avons dû parfois hésiter devant la question de savoir si tel Psaume du XIIIe siècle a été chanté, la solution devient plus difficile à résoudre pour ceux du XVe. Welnu, men zong deze psalmen op de acht ‘psalmtonen’ zoals die in de liturgische gezangen van het Officium zijn toegepast, en met ‘men’ bedoelt Gastoué ongetwijfeld kloosterlingen en priesters. Van belang is wat Gastoué meedeelt over de hymnen. Evenals in Duitsland zijn ook in Frankrijk de Latijnse hymnen in de volkstaal overgebracht. De oudste verzameling vertalingen, die de gehele cyclus van het liturgische jaar omvat, dateert uit 1415. Litterair-historisch zijn de hymnen hieruit belangrijk, omdat ze de oorspronkelijke metra in het Frans trachten te behouden en hun auteur daarmee een ‘précurseur de la Pléiade’ is geworden. ‘La mélodie, de son côté, est presque toujours le chant liturgique correspondant.’ Ik heb gezocht naar Franse psalmberijmingen die het onmiddellijke voorbeeld voor Marot geweest zouden kunnen zijn.

De Nederlandse situatie: de Souterliedekens

Nu we hebben gezien in hoeverre in Duitsland en Frankrijk bij het begin van de Reformatie gesproken kan worden van een traditie inzake het berijmen van psalmen in de complexe betekenis als op blz. 35 is aangegeven, moet de vraag beantwoord worden hoe het in dit opzicht ten onzent gesteld staat; om concreet te zijn: of de Souterliedekens van 1540 het (voorlopige) sluitstuk vormen van een traditie. Een vraag die literair-historisch niet van belang ontbloot is en die te meer klemt nu prof. dr. J. van Mierlo, s.j. ‘al vroeg werden, evenals vele kerkelijke gezangen, ook de voornaamste psalmen in het Diets berijmd. Trouwens, door het kerkelijk officie, dat grotendeels uit psalmen bestaat, was het volk met de psalmen vertrouwd geraakt en werden, lang vóór de Hervorming, die hierin slechts een oud katholiek gebruik voortzette, de psalmen gezongen als godsdienstige liederen. Ik heb getracht alles bijeen te brengen wat de middeleeuwen tot 1525 aan psalmberijmingen hebben opgeleverd. Het materiaal in de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (BNM) te Leiden is me daarbij tot grote steun geweest. Maar dit was dan ook zo goed als de enige steun, want de middeleeuwse geversificeerde Schriftgedeelten zijn nog nooit een voorwerp van literair-historisch onderzoek geweest.

De boetpsalmen in de Nederlandse context

1. Psalm 50 [Hebr. 51], het Miserere, de vierde van de zeven Boetpsalmen, bezitten we in een wijdlopige parafrase: 22 strofen (eigenlijk 21 + 1, de laatste is een uitbreiding van de doxologie) van 16 regels. En het is ook te begrijpen. Moge voor ons het oudtestamentische lied aangrijpend zijn door de suggestieve kracht van smeekbede en klacht, voor de middeleeuwer moet de breedheid waarmee de her-dichtende boeteling eigen doemwaardigheid stelt tegenover Gods barmhartigheid grote bekoring gehad hebben. In het gedicht is elk bijbelvers tot een strofe geworden, het eerste zelfs tot twee. De strofeopeningen berijmen nauwkeurig het bijbelvers, waarbij het opvalt dat de dichter zich in zijn woordkeus zo dicht mogelijk bij de bijbeltekst probeert te houden.

Visuele weergave van de structuur van een psalmberijming

Discussies over ritmische zang en melodieën

Bert Mulder schreef: Nee. En als je de oorspronkelijke geschriften van deze personen naar boven haalt komt dit naar boven, neem als voorbeeld Goudimel die de oorspronkelijke Geneefse melodieën gecomponeerd heeft en waar een nieuwe uitgave van is. Ho ho, Goudimel heeft geen melodieën gemaakt. Goudimel maakte als eerste een complete set meerstemmige zettingen, dat wel. Over ingebakken verhogingen: dat is een kwestie van communicatie met de gemeente. Het heeft geen enkele zin om als organist opeens géén verhogingen meer te spelen: de gemeente zal ze blijven zingen, inderdaad. En ze zingen isoritmisch. Nee, Wentz doet niks verkeerd. Het gaat om een compositie van Ruppe, een Duitser die rond 1800 in Holland werkte (Leiden, A'dam). In Nederland zijn de psalmen nooit ritmisch gezongen (dat kon niet, dankzij die ritmisch onzingbare berijming/vertaling van Datheen), totdat er aan het eind van de 19e eeuw voor 't eerst gepoogd werd het oorspronkelijke ritme ook in Nederland in te voeren. Ruppe kende de melodieën dus in hun niet-ritmische misvormde versie. Hetzelfde zie je al bij Bach: de melodie "O Mensch bewein dein Sünde gross" (onze Psalm 36/68) werd in de tijd van Bach in Duitsland ook niet-ritmisch gezongen. Er valt bij psalm 68 niet heel veel ritmisch te doen. Neemt niet weg dat je bij Bach een aantal Geneefse psalmmelodieën kunt tegenkomen die niet meer hun oorspronkelijke ritme hebben (o.a. 8, 42, 86).

De mythe van psalmmelodieën als straatversjes

Arie Eikelboom heeft z'n leven lang kerkmuziek gedoceerd en is nu bezig aan een serie publicaties over hymnologie. Jammer dat in het laatste filmje vanuit Katwijt het fabeltje nog weer wordt opgedist dat sommige psalmmelodieën straatversjes zijn geweest. Dat sprookje is onuitroeibaar.

Het Evangelisches Gesangbuch

Het Evangelisches Gesangbuch is het huidige liedboek van de Duitse protestantse gemeenschappen in Duitsland, Elzas-Lotharingen en Luxemburg. Karl Christian Thust: Bibliografie über die Lieder des Evangelischen Gesangbuchs. Karl Christian Thust, Die Lieder des Evangelischen Gesangbuchs. Band 1: Kirchenjahr und Gottesdienst (EG 1-269). Kommentar zu Entstehung, Text und Musik, Kassel u. a. 2012. ders., Die Lieder des Evangelischen Gesangbuchs. Band 2: Biblische Gesänge und Glauben - Liebe - Hoffnung (EG 270-535). Kommentar zu Entstehung, Text und Musik, Kassel u. a. 2015. Beide Bände sind - in einer Datei - auch als E-Book erschienen: ISBN 978-3-7618-7028-0 (epub) bzw. Gerhard Hahn, Jürgen Henkys (Hrsg.): Liederkunde zum evangelischen Gesangbuch. (= Handbuch zum Evangelischen Gesangbuch; Bd. 3). Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen 2000 ff. Wolfgang Herbst (Hrsg.): Komponisten und Liederdichter des evangelischen Gesangbuchs. (= Handbuch zum Evangelischen Gesangbuch; Bd. 2). Ernst Lippold, Günter Vogelsang: Konkordanz zum Evangelischen Gesangbuch mit Verzeichnis der Strophenanfänge, Kanons, mehrstimmigen Sätze und Wochenlieder. (= Handbuch zum Evangelischen Gesangbuch; Bd. 1).

Omslag van het Evangelisches Gesangbuch

Luther's bijdrage aan Duitse liederen

Precies vijf eeuwen geleden verschijnen de eerste gezangen van Luther in de Duitse liedboeken. Niet minder dan vierentwintig liederen van Luther zijn in 1524 in omloop. Maar de dichtader is nog niet uitgeput: gaandeweg verschijnen er de jaren door nog ten minste twaalf andere liederen van zijn hand. Zo maakt hij, als de Turken Europa dreigen binnen te vallen, het lied ‘Verleih uns Frieden gnädiglich’, een vertaling van het Latijnse ‘Da pacem Domine’. En als hij in 1534 met z'n gezin het kerstfeest wil vieren, schrijft hij bij wijze van rollenspel het kinderlied ‘Vom Himmel hoch, da komm ich her’. In deze jaren ontstaat ook Luthers beroemdste lied: ‘Ein feste Burg ist unser Gott’. Nee, het vindt z'n oorsprong niet in de periodes dat Luther op de Wartburg of de Coburg doorbrengt. Zijn lied ontstaat gewoon in Wittenberg, als er veel leed en aanvechting is en Luther houvast en troost zoekt. Die vindt hij in Psalm 46: ‘God is voor ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.’ Naar aanleiding van die woorden zingt Luther over God als burcht en toevlucht en bezingt hij de kracht van het Woord dat van geen wijken weet. Tot zijn dood blijft Luther bezig met het kerklied. Een paar jaar voor zijn sterven in 1546 bezorgt hij een zogenaamd begrafenisbundeltje, waarin liederen over vergankelijkheid en troost zijn samengebracht. Onder andere zijn Psalm 130 staat erin, evenals het lied ‘Mitten wir im Leben sind’, een vertaling van het middeleeuwse ‘Media vita in morte sumus’. Een jaar voor zijn dood schrijft Luther nog een woord vooraf in een nieuw gezangboek dat in Leipzig op de markt wordt gebracht. Wie het Evangelie begrepen heeft, stelt hij daarin, móét ervan zingen. ‘Want God heeft ons hart en gemoed vrolijk gemaakt door Zijn lieve Zoon, Die Hij voor ons gegeven heeft tot verlossing van zonde, dood en duivel.’

Luther's liederen in de lutherse en Nederlandse traditie

Luthers liederen kennen, al tijdens zijn leven maar ook na zijn dood, een brede uitstraling en enorme uitwerking. Sowieso in de lutherse traditie. In talloze Duitse gezangboeken worden de gezangen van de reformator steeds weer opgenomen. Ook het huidige ‘Evangelisches Gesangbuch’ telt de nodige liederen van Luther. In de verspreiding van dit repertoire speelt de muziek een grote rol. Duitse componisten als Buxtehude en Bach en later Mendelssohn toonzetten deze zestiende-eeuwse teksten voor orgel of koor en orkest. Denk aan Bachs koraalcantate ‘Christ lag in Todesbanden’ (BWV 4), aan diens orgelbewerking van Luthers dooplied ‘Christ unser Herr zum Jordan kam’ (BWV 684), of aan het koorstuk ‘Verleih uns Frieden gnädiglich’ van Mendelssohn. Luthers lied vindt ook een voedingsbodem in Nederland, niet alleen bij lutheranen maar ook onder gereformeerden. Al direct in de zestiende eeuw wordt in gereformeerde gezangboeken een aantal liederen van Luther in vertaling verspreid. Het bekendste is het ‘Gebed des Heeren’, een vertaling van Luthers ‘Vater unser im Himmelreich’. Dat gezang neemt Petrus Dathenus in 1566 op in zijn psalmboek, een vertaling van het Geneefse Psalter, in de kleine collectie gezangen achterin. Al snel duikt in de edities van Dathenus’ psalmen een tweede gezang van Luther op: zijn Credolied (‘Wir glauben all an einen Gott’). Interessant is dat in het noorden en oosten van het land - in Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel - onder gereformeerden nog meer liederen van Luther in omloop zijn. Officieel zingen de gereformeerden in ons land tot de negentiende eeuw uitsluitend psalmen - afgezien van de kleine collectie ‘Eenige Gezangen’. Daar komt in 1806 een eind aan, als de bundel ‘Evangelische Gezangen’ verschijnt. Daarin staat echter geen enkel lied van Luther. Dat verandert in 1869, als de ‘Vervolgbundel’ verschijnt. In een klein aanhangsel met klassieke liederen zijn in deze uitgave nu ook een paar gezangen van Luther opgenomen, waaronder ‘Een vaste burg’, in de bekende versie van J.J.L. In de twintigste eeuw krijgt deze trend een vervolg. De hervormde zangbundel van 1938 telt zes Lutherliederen, waaronder een vertaling van Luthers kinderkerstlied ‘Vom Himmel hoch da komm ich her’. Het volgende gezangboek, het ‘Liedboek voor de kerken’ uit 1973, bevat maar liefst zeventien liederen van de reformator. Vaak in nieuwe vertalingen en veelal ook getoonzet op de oorspronkelijke melodieën. Na het ‘Liedboek voor de kerken’ blijkt de aandacht voor Luthers lied in Nederland over zijn hoogtepunt heen. ‘Al is hij gestorven, hij leeft’, moet Melanchthon na Luthers dood gezegd hebben. Dat geldt zeker voor zijn liederen. In al die teksten en melodieën blijft Luther een levende stem voor hedendaagse christenen.

tags: #duitse #psalmen #of #gezangen