Afbeeldingen van Jezus: Een Historische en Theologische Beschouwing

De Reformatorische Terughoudendheid ten aanzien van Afbeeldingen van Jezus

Reformatorische christenen hebben van oudsher een grote terughoudendheid gekend bij het afbeelden van Jezus. Deze voorzichtigheid is geworteld in meerdere overwegingen. Ten eerste is er het praktische bezwaar dat de exacte fysieke verschijning van Jezus niet bekend is. Ten tweede speelt het tweede gebod een cruciale rol: „Gij zult geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.” Dit gebod wordt door velen geïnterpreteerd als een verbod op het creëren van religieuze beelden.

Daarnaast rijst de theologische complexiteit van Jezus' natuur: Hij was zowel mens als God. De vraag hoe deze twee naturen in een beeld kunnen worden weergegeven, vormt een aanzienlijke uitdaging. Hoewel in de middeleeuwen een aureool met een kruis als aanduiding van goddelijkheid werd gebruikt, raakte dit symbool vanaf de renaissance in onbruik. Meer en meer werd Jezus in de kunst als een mens onder de mensen voorgesteld. Voor reformatorische gelovigen kan dit een spanningsveld oproepen: de middeleeuwse aureool wordt geassocieerd met het rooms-katholicisme, terwijl de focus op de menselijke Jezus als ontoereikend wordt beschouwd omdat het Zijn goddelijke natuur uit het zicht zou onttrekken. Vanuit deze overwegingen wordt een afbeelding van Jezus soms als een onveilige keuze beschouwd.

Het Tweede Gebod en de Mogelijkheden van Afbeelding

Echter, de vraag of het tweede gebod ruimte laat voor het afbeelden van Jezus, verdient nader onderzoek. De kern van dit gebod ligt niet zozeer in het verbod op het maken van beelden, maar in de oproep om niet voor deze beelden te buigen en ze niet te dienen. Het fundamentele principe is: „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.” Deze interpretatie heeft door de eeuwen heen talloze christelijke kunstenaars de vrijmoedigheid gegeven om Jezus op diverse manieren weer te geven.

Een illustratie van het tweede gebod uit de Tien Geboden.

De Grote Afwezige: Vraagtekens bij Strikte Interpretaties

Binnen reformatorische kringen worden de laatste jaren steeds vaker vraagtekens geplaatst bij een strikte interpretatie van het beeldverbod. Dit is met name relevant voor illustratoren van kinderbijbels en voor personen die actief zijn in het evangelisatiewerk. Onderzoek naar het afbeelden van Jezus in het (kinder)evangelisatiewerk heeft uitgewezen dat het raadzaam kan zijn om afbeeldingen van Jezus te gebruiken, zeker wanneer ook andere Bijbelse personen worden afgebeeld.

De Gewone Menselijke Gestalte en Symbolische Representatie

Kunstenaar Jan van ’t Hoff (60) uit Dordrecht worstelt met deze problematiek. Zijn doel is om mensen door middel van zijn schilderijen aan te sporen de Bijbel te openen en te lezen. Hij vraagt zich af hoe dit kan zonder de centrale figuur van de Bijbel, Jezus, af te beelden. Van ’t Hoff gaat „redelijk terughoudend” om met het weergeven van Jezus. Zo schildert hij bij het thema van de opstanding het lege graf. Hij benadrukt echter het belang van het realiseren dat Jezus zowel God als mens tegelijk was, waarbij de twee naturen weliswaar onderscheiden, maar niet gescheiden mogen worden.

Het Concilie van Chalcedon omschreef deze twee naturen als onvermengd en onveranderd, maar ook als ongedeeld en ongescheiden. Jezus was zichtbaar voor de mensen om Hem heen, en wat zij zagen was een gewone menselijke gestalte. Aan Zijn uiterlijk was Zijn goddelijke natuur niet af te lezen. Van ’t Hoff maakt in zijn schilderijen gebruik van uiterlijke kenmerken die door de kunstgeschiedenis heen zijn gebruikt om Jezus aan te duiden. Op deze manier kan hij duidelijk maken dat hij Jezus bedoelt, ook zonder te weten hoe Hij er werkelijk uitzag. Hij schildert daarmee in feite een symbool. De vraag rijst dan wat het onderscheid is tussen Jezus afbeelden als symbool (zoals het ichthusteken, het Griekse kruis of het Lam) en Hem afbeelden als mens. Zowel het symbool als de afbeelding van de menselijke gestalte zijn vanzelfsprekend nooit bedoeld om te aanbidden.

Een voorbeeld van een vroege christelijke symbolische afbeelding van Jezus als de Goede Herder.

Historische Perspectieven: Calvijn, Luther en Beeldgebruik in de Kerk

De historische interpretatie van het beeldverbod is complex. Johannes Calvijn was terughoudender dan Maarten Luther. Calvijn stelde: „Als de predikers Christus met hun woorden uitschilderen, heeft de gemeente de dode beelden niet meer nodig.” Deze opvatting sluit aan bij zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus, die stelt dat beelden in de kerken, hoewel bedoeld als „boeken der leken”, niet toegestaan kunnen worden. God wil Zijn christenen onderwijzen door de levende verkondiging van Zijn Woord, niet door stomme beelden.

Deze overwegingen betroffen echter primair het beeldgebruik binnen de kerk en de rol ervan in de liturgie. De situatie buiten de kerk, in de bredere maatschappelijke context, kende een andere dynamiek. Na de Reformatie en de afscheiding van het Spaanse rijk in de Nederlanden, maakte de kunst zich steeds meer los van de kerkelijke context. De (gereformeerde) kerk verloor haar rol als opdrachtgever voor kunst, een rol die werd overgenomen door welgestelde burgers. Deze nieuwe politieke en economische elite, vaak contraremonstrants, toonde veel belangstelling voor kunst.

Verrassend Positieve Houding ten aanzien van Beeldende Kunst

Verrassend genoeg lieten orthodox-gereformeerde predikanten zich in deze periode positief uit over beeldende kunst. Willem Teellinck uit Middelburg betoogde in 1611 dat men „onberispt onse huysen verciert hebben met Schilderijen ende Figueren (...) want niemandt van ons en seydt dat het beelde-snijden ofte schilderen in zijn selven quaet sy.” Hij stond zelfs beeltenissen toe in kerkgebouwen, op „sitstoelen, de bancken, het gewelff, de pilaren ende mueren onse Kercken (...) als dat soo pas geeft.” Uiteraard betrof dit in de kerken niet direct afbeeldingen van Jezus, maar in het maatschappelijke leven golden andere regels, ook voor christelijke kunstenaars.

Rembrandt en de Vrijheid van Afbeelden

Rembrandt van Rijn had geen principiële bezwaren tegen het afbeelden van Jezus en nam daarin geen terughoudendheid in acht, zoals te zien is in zijn Bijbelse werken. Zijn opvattingen lijken vandaag de dag ook bij orthodoxe christenen weinig weerstand meer op te roepen. Zo wordt in het tijdschrift Criterium, gewijd aan Rembrandt ter gelegenheid van zijn 350e sterfdag, onbekommerd verwezen naar zijn schilderijen van Jezus. Scribent Theo Mulder meent zelfs Rembrandts „bekering” te kunnen traceren aan de hand van zijn afbeeldingen van Jezus. Hij stelt dat Christus niet langer werd afgebeeld als een menselijke triomfator, maar zonder uiterlijke zwier en pracht, als de Christus van Jesaja 53.

Een detail uit een schilderij van Rembrandt waarop Jezus is afgebeeld.

De column „Van de redactie” in ditzelfde tijdschrift erkent weliswaar dat het tweede gebod Gods verbiedt af te beelden, maar legt de nadruk op het spanningsveld tussen beeld en woord. Het Woord en zijn betekenis moeten de grootste plaats krijgen. God Zelf mag niet worden afgebeeld, en een beeld mag geen God worden zoals de koperen slang in de tijd van Hizkia. Rembrandt zou in zijn werk deze spanning zichtbaar hebben gemaakt, door de toeschouwer juist bij het Woord te brengen. Dat hij daarbij wél Jezus afbeeldde, blijft onbesproken.

Voetius en de Strikte Interpretatie van het Beeldverbod

Opmerkelijk is dat er in Rembrandts tijd ook heel andere geluiden klonken. De theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676) was niet alleen tegen het afbeelden van Jezus als mens, maar beschouwde ook symbolen die naar God verwezen - zon, kruis, lam, vis, duif - als taboe. Hij ging zelfs zover dat hij het logo van de Universiteit Utrecht van zijn toga knipte, omdat dit een zonnetje met een Latijnse spreuk bevatte die naar Jezus Christus verwees.

Voetius’ opvatting is in de gereformeerde gezindte allang achterhaald, indien ze al brede ingang heeft gevonden. In reformatorische kerkgebouwen wordt steeds vaker symboliek toegepast in architectuur, glas-in-lood, beeldhouw- en schilderkunst. De meeste mensen storen zich niet aan de afbeelding van een vis of een duif op een glas-in-loodraam of aan de letters alfa en omega op de kerkmuur.

De Openere Houding ten aanzien van Afbeeldingen van Jezus

Tegenwoordig is er een opener houding ten aanzien van het afbeelden van Jezus als mens waarneembaar. Historisch gezien is daar niet veel tegenin te brengen. Er zijn door de geschiedenis heen altijd christelijke kunstenaars geweest die op een integere en Bijbelse manier Jezus afbeeldden, zonder de kern van het tweede gebod te schenden. De strikte interpretatie van het gebod is in dit licht eerder een kwestie van traditie dan van principe. Tegelijkertijd zijn omzichtigheid en voorzichtigheid geboden: Jezus is weliswaar mens geworden, maar niet zomaar een mens.

Het belang van zien, ook als het om geestelijke zaken gaat, wordt duidelijk uit de evangeliën. De herders in de velden van Efratha haastten zich naar de stal van Bethlehem om te zien „het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.” En na het zien van „het Kindeke” verheerlijkten en prezen zij God over alles wat zij gehoord en gezien hadden. De oude Simeon zong, met het kind Jezus in zijn armen: „Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.” Uiteindelijk gaat het daar om.

Van Catacombe tot Reformatie: De Evolutie van Beeldgebruik

Het gebruik van symbolische voorstellingen van Jezus heeft een lange geschiedenis. De vis als symbool voor Christus dateert al uit de eerste eeuw van onze jaartelling. Het is een acrostichon, waarbij de letters van het Griekse woord voor vis (ichthus) de afkorting vormen van Jezus Christus, Zoon van God, Redder.

Het gebruik van dergelijke symbolen hing samen met de vervolgingen van de eerste christenen in het Romeinse Rijk. Om geloofsgenoten te herkennen, werden tekens gebruikt die voor buitenstaanders geen betekenis hadden. Naast de vis werden onder meer het Christusmonogram (de Griekse letters chi en ro), de letters alfa en omega, en de voorstelling van Jezus als de Goede Herder gebruikt. In de catacomben van Rome, waar de eerste christenen hun doden begroeven, zijn deze symbolen veelvuldig terug te vinden.

Een fresco uit de catacomben van Rome met een vroege christelijke afbeelding.

Toen de vervolgingen afnamen, werden in de catacomben - op minder dubbelzinnige wijze - ook allerlei geschiedenissen uit de evangeliën weergegeven. Vanaf de derde eeuw werd Christus ook als mens afgebeeld. Soms als een jonge, Griekse filosoof, als baardloze herder, maar ook als kind, met Zijn moeder Maria. In de zesde eeuw werd het gebruikelijk om Jezus met een baard af te beelden, eerst in het oosten en veel later in het westen van Europa. Pas in de late middeleeuwen en de renaissance ontstond het klassieke beeld van Jezus met lang haar en een baard, dat tot op heden voortleeft.

Vanaf de negende eeuw wordt Jezus steeds vaker stervend aan het kruis afgebeeld. Al vrij snel werden ook de schaduwkanten van het afbeelden van Jezus zichtbaar. In het Byzantijnse Rijk werden iconen - afbeeldingen van Jezus, Maria en heiligen - vereerd als ”vensters op de hemel”. Via een icoon konden christenen zich rechtstreeks tot Christus, Maria of een heilige richten.

In de achtste en negende eeuw woedde hierover een felle strijd. De iconenstrijd hield het Byzantijnse Rijk tientallen jaren in zijn greep. Vanaf 726 tot 787 en opnieuw van 813 tot 843 was het ten strengste verboden om religieuze afbeeldingen te maken en te vereren. Tijdens het vierde Concilie van Constantinopel in 869 werd uiteindelijk vastgelegd dat het aanbidden van beelden niet was toegestaan, maar het vereren ervan wel.

In de eeuwen die volgden, werd ook in de westerse kerk het vereren van beelden algemeen. In tegenstelling tot het oosten ging het hier vooral om driedimensionale beelden van Christus, Maria en heiligen. In de tijd van de Reformatie kwamen deze praktijken onder kritiek. Een nieuwe Beeldenstorm volgde in de tweede helft van de zestiende eeuw, waarbij talloze kerken in Nederland en elders in Europa van beelden werden gezuiverd.

Toch ging het de kerkhervormers niet om de beelden als zodanig, maar om het misbruik dat ervan werd gemaakt. Zelfs na de Reformatie van Gouda in 1572 werden er in de Sint-Janskerk nog gebrandschilderde glazen aangebracht waarop Jezus werd afgebeeld, zoals een glas-in-loodraam uit 1601 waarop de geschiedenis van Jezus en de overspelige vrouw is weergegeven. Ook Lucas Cranach (1472-1553), dé Duitse schilder van de Reformatie, bleef Jezus gewoon afbeelden.

Hedendaagse Discussies: Film, Evangelisatie en de Geest van Pinksteren

De vraag of Jezus mag worden afgebeeld, blijft actueel, met name in relatie tot hedendaagse media zoals video's. Ds. J. merkt op dat veel christenen problemen hebben met het afbeelden van Jezus in lichaam en geest op video's. Hij stelt de vraag of het naspelen of tekenen van Jezus mogelijk is, gezien het feit dat mensen Jezus niet kunnen naspelen. Hij waarschuwt voor een glijdende schaal, beginnend met sobere tekeningen in kinderbijbels, oplopend tot evangelisatiefilms waarin Hij wordt nagespeeld.

Ds. J. benadrukt dat het onmogelijk is voor beperkte, zondige mensen om de volmaakte en zondeloze Jezus na te spelen. Hij vraagt zich af wat de vrucht is van films over Jezus en of deze werkelijk een middel zijn waardoor de Heilige Geest mensen tot geloof en bekering brengt. Hij vergelijkt dit met de apostel Paulus, die niet het theater in ging om het Evangelie uit te beelden. Hij pleit ervoor om meer te verwachten van de Geest van Pinksteren en het heerlijke Evangelie van Jezus Christus, en om het zaadje van het Woord te laten vallen door persoonlijk contact.

Een ander gevaar van een evangelisatiefilm is dat men Jezus Christus alleen nog kan zien zoals Hij op die film werd voorgesteld. Dit beeld brandt zich op het netvlies, terwijl Jezus zo rijk, groot en veelzijdig is dat Hij niet volledig kan worden nagespeeld. De Geest verheerlijkt Christus, stelt Hem voor in de vele beloften van het Evangelie. De verkondiging van het Woord richt zich primair niet op gevoelens en emoties die door een film worden losgemaakt.

Op grond van de Bijbel pleit ds. J. er dan ook sterk voor om zeer terughoudend te zijn met het afbeelden van de Heere Jezus. Een sobere tekening van Hem beschouwt hij als de grens. Een film, bijvoorbeeld over Zijn lijden, wordt op het netvlies ingebrand en is veel heftiger en schokkender. Hij vraagt zich af of het Evangelie de nadruk legt op pijn, bloed en angst, of veel meer op het evangelie zelf.

tags: #ets #afbeelding #jezus #evangelie