Gereformeerde Kerk Oldenzaal: Een Historisch Overzicht

De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk Oldenzaal is nauw verweven met de ontwikkeling van de stad Oldenzaal zelf, een plaats met een rijke en lange historie die teruggaat tot de 7e eeuw. Oorspronkelijk bekend als 'Altisalja', wat 'oude zaal' betekent, ontwikkelde Oldenzaal zich tot een belangrijk handelscentrum, mede dankzij de aanwezigheid van een koninklijke hof en de strategische ligging op een kruispunt van wegen.

De Vroege Geschiedenis en de Stichting van de Plechelmuskerk

De oorsprong van religieuze activiteit op de locatie van de huidige kerk gaat terug tot de tweede helft van de 8e eeuw, met de vermoedelijke bouw van een houten kerk. In 954 wijdde bisschop Balderik een nieuwe kerk aan de heilig verklaarde Plechelmus. Deze kerk, met een bijbehorende immuniteit afgebakend door een gracht, werd het centrum van de heiligenverering van de relieken van St. Plechelmus. Plechelmus, afkomstig uit Ierland, reisde in de 8e eeuw door het Europese vasteland en vestigde zijn invloed vanuit de kloosters in Prüm en Echternach.

Aan de St. Plechelmuskerk was een kapittel verbonden, bestaande uit een proost en 15 kanunniken. De bouw van de huidige, imposante kerk begon in het tweede kwart van de 12e eeuw, vanuit het koor in westelijke richting. Dit monumentale bouwwerk, uitgevoerd in zandsteen afkomstig uit een steengroeve bij Bentheim, dient niet alleen als religieus centrum, maar ook als symbool van de legitimatie, macht en representatie van de bisschop aan de grenzen van het Sticht Utrecht.

Reconstructie van de St. Plechelmuskerk in de 12e/13e eeuw

Architectuur en Bouwfase van de St. Plechelmuskerk

De St. Plechelmuskerk werd gebouwd als een driebeukige kruisbasiliek in zuivere Romaanse stijl, met een symmetrische plattegrond. Het priesterkoor, afgesloten met een ingesnoerde apsis, werd geflankeerd door hoekdubbelkapellen. Het middenschip kende een gebonden stelsel, waarbij één travee van het middenschip overeenkwam met twee traveeën van de zijbeuken. De viering diende waarschijnlijk als koor voor de kanunniken en was mogelijk afgescheiden van de rest van de kerk. De vloer van de Romaanse koortravee lag ongeveer 30 cm hoger dan de kerkvloer in het middenschip, de viering en de transepten.

De muren van de kerk zijn opgetrokken in kistwerk, waarbij de ruimte tussen een binnen- en buitenbekleding van gehakte zandsteenblokken werd volgestort met een kalkmortel gemengd met keien, grit en steengruis. De kerkruimte was geheel overwelfd. De bouw vorderde vanuit het koor, via de transepten en de viering, de lichtbeuk en de zijbeuken, tot aan de later gebouwde toren.

Het interieur van de kerk was oorspronkelijk rijker gedecoreerd dan tegenwoordig. Het koor en de transepten werden afgesloten met een topgevel, en de nok van het zadeldak boven het middenschip, de viering, het koor en de transepten lag op hetzelfde niveau. De indeling en opbouw van de eindgevels van de transepten waren identiek, met in het midden een rondboogdoorgang.

De Bouw van de Toren en de Ontwikkeling tot Stadskerk

Tijdens het bestuur van bisschop Otto II van Lippe (1215-1227) begon de bouw van de toren in een Romaans-Gotische stijl. De kerk en de toren zijn los van elkaar gebouwd, wat blijkt uit de kleine opgevulde ruimte tussen de gordelboog van de kerk en de spitsboog die de torenmuur ondersteunt. Opvallend is dat de toren gedeeltelijk vóór de zijbeuken werd gebouwd.

Het westkoor van de Plechelmuskerk stond in open verbinding met het middenschip en werd afgesloten met een stijgend koepelgewelf met acht ribben. In de eerste helft van de 13e eeuw maakte de bevolking van Oldenzaal, dat nog geen eigen parochiekerk had, gebruik van de kapittelkerk. Bisschop Otto II van Lippe verleende waarschijnlijk tussen 1216 en 1227 stadsrechten aan Oldenzaal, inclusief een eigen toren en het gebruik van het westkoor als parochiekerk. In de 19e eeuw werd dit westkoor nog aangeduid als 'torenkerk' en door de bevolking ook wel 'Ludekarke' genoemd.

Bouwgeschiedenis en Restauraties

De bouwgeschiedenis van de Plechelmuskerk is relatief overzichtelijk, mede doordat veel van de 12e en 13e-eeuwse bouwsubstantie bewaard is gebleven en latere verbouwingen beperkt bleven. Het verlies van vrijwel alle schriftelijke bronnenmateriaal maakt de kerk zelf tot de belangrijkste materiële bron van informatie.

In de westmuur van de zuidbeuk is de grafzerk van bisschop Balderik ingemetseld, met de inscriptie: 'In het jaar des Heren 1481 is het gebeente van Balderik van Kleef, eertijds bisschop van Utrecht en stichter van dit kapittel, naar hier overgebracht. Zijn ziel rust in vrede. Amen.'

De Helmichsbrand en de Gevolgen voor de Kerk

De kapconstructies van het gotische koor, het Romaanse koor, het schip en het noordelijke transept zijn dendrochronologisch gedateerd. De datering van de eiken kapconstructies, met uitzondering van die boven het gotische koor, is direct te relateren aan de grote stadsbrand, de 'Helmichsbrand', die in 1492 Oldenzaal grotendeels verwoestte en ook de kerk aanzienlijke schade toebracht. De kap boven het gotische koor dateert van enkele jaren later, omdat de bouw daarvan in 1492 nog niet voltooid was.

De nieuwe kerkkappen zijn sporenkappen, ondersteund door gestapelde dekbalkgebinten met daarboven een stijl met haanhoutfliering. Boven het gotische koor ontbreken de laatstgenoemde elementen. De onderdelen zijn voorzien van gesneden telmerken.

Verlenging en Uitbreiding van het Koor

Onder het bewind van bisschop David van Bourgondië (1456-1496) werd de bestaande Romaanse koortravee in oostelijke richting verlengd met een nieuw koor in gotische stijl. De noord- en zuidmuur van de gotische koortravee werden tegen de oostmuur van het oudere Romaanse koor geplaatst. Om de koordiensten tijdens de bouw te kunnen voortzetten, werd deze muur zo lang mogelijk intact gelaten.

De bestaande muraalboog en de nieuwe gordelspitsboog vormen samen de samengestelde gordelboog tussen de Romaanse en de Gotische koortravee. Bij voltooiing van het nieuwe gotische koor schonk bisschop David van Bourgondië in 1493-1494 een glas-in-loodvenster van 200 voet voor het nieuwe koor. De onderzijde van het venster in de noordwand van de gotische koortravee werd bij de overname door de Rooms-Katholieke parochie in 1810 dichtgezet. In de noordwand van de koorsluiting werd later een sacramentshuisje ingemetseld.

In de noordoostelijke binnenhoek tussen het transept en het Romaanse koor werd in dezelfde periode een nieuwe sacristie in gotische stijl gerealiseerd, waarvoor de koorhoekdubbelkapel en de apsis moesten worden afgebroken. De steunbeer op de noordoostelijke hoek van het Romaanse koor werd bij de bouw van de sacristie weggekapt.

De verlenging van het Romaanse koor leidde tot de verplaatsing van het kanunnikenkoor, het 'chorus minor', van de viering naar het Romaanse koor. Dit deel werd met een doxaal afgeschermd van de lekenkerk.

Uitbreiding met een Nieuwe Zuidbeuk

Eind 15e eeuw werd de kerk uitgebreid met een nieuwe zuidbeuk, die ruimtelijk werd samengevoegd met het zuider transept. De westmuur van de oorspronkelijke zijbeuk werd bij deze bouw geheel uitgebroken. De oorspronkelijke muraalboog en de nieuwe gotische gordelspitsboog vormen samen de samengestelde gordelboog tussen het schip en de zuidbeuk. Vanwege een eigen toegangsportaal in de zuidbeuk kon de oorspronkelijke toegang aan deze zijde van de kerk in de kopgevel van het zuider transept worden dichtgemetseld.

In verband met het plaatsen van een groot altaar werd waarschijnlijk in 1810 de apsis van het transept dichtgemetseld.

Detail van de Romaanse architectuur van de St. Plechelmuskerk

De Reformatie en de Tachtigjarige Oorlog

Gedurende de Tachtigjarige Oorlog wisselde Oldenzaal af tussen Spaanse en Staatse handen. Uiteindelijk werd in 1626 alleen nog het gereformeerde geloof openlijk toegestaan. Na de veldtocht van Maurits in 1597 langs de oostgrens van de Republiek werd de Rooms-Katholieke godsdienst in Twente verboden. In 1605 heroverde Spinola Oldenzaal echter weer, waarna de gereformeerde leer opnieuw werd verboden.

In 1626 nam een Staats leger onder leiding van Ernst Casimir van Nassau de stad in en kondigde af dat alleen de gereformeerde religie was toegestaan. De zuidwand van het gotische koor liep bij de aanval op de stad in 1626 een voltreffer op.

Latere Ontwikkelingen en Gebruiksveranderingen

Na de Vrede van Münster werd in 1651 de kapittelzaal boven de noordbeuk aangepast voor gebruik als Latijnse school. De gevels op de verdieping waren uitgevoerd in baksteen. De leerlingen konden via een doorgang in de westmuur van het noorder transept de kerk betreden, een opening die later werd dichtgezet.

In 1795 namen vluchtende geallieerde Engelse soldaten bezit van de kerk. De noordbeuk werd ingericht als paardenstal. Na hun vertrek was het interieur zwaar beschadigd: stoelen, banken, de preekstoel, de geschilderde orgeldeuren en de koordeuren waren opgestookt.

In 1809 werd bij Koninklijk Besluit bepaald dat de Plechelmuskerk op 1 januari 1810 aan de Roomsgezinden moest worden overgedragen. In 1810 gaf de Rooms-Katholieke parochie opdracht tot het dichtmetselen van de grote opening tussen middenschip en westkoor.

De Grote Restauratie onder Joseph Cuypers

De eerste grote restauratie van de Plechelmuskerk in Oldenzaal begon in 1891 onder leiding van architect Joseph Th.J. Cuypers (1861-1949), met de feitelijke uitvoering in de periode 1895-1900. Cuypers, zoon van de beroemde architect Pierre J.H. Cuypers, had al restauratiekennis opgedaan bij de restauratie van de O.L.V. kerk in Maastricht. De St. Plechelmuskerk was een van zijn eerste grote zelfstandige restauratieprojecten.

Eind 19e eeuw verkeerde de St. Plechelmuskerk in een tamelijk vervallen staat, met name het interieur. Joseph Cuypers streefde naar een 'puristische' restauratievisie, waarbij het authentieke materiaal werd gewaardeerd en historische bouwsporen dienden als bron voor reconstructie. Een middeleeuws gebouw moest in deze visie bij voorkeur gezuiverd worden van latere toevoegingen.

Parochie H. Plechelmus geschokt over misbruik

Werkzaamheden en Financiële Aspecten

Van 1891 tot 1894 werden plannen gemaakt voor de restauratie. De eerste ontwerpen kwamen van het architectenbureau Cuypers, met een dominante rol voor Pierre Cuypers. De inspectie van de restauratie was in handen van vader Pierre Cuypers, die namens de regering de begroting en uitvoering controleerde.

De totale kosten van de restauratie werden geraamd op fl. 48.360,-. Het Ministerie verstrekte van 1895 tot 1899 een jaarlijkse subsidie van fl. 2.500,-. De rest van het bedrag werd opgebracht door het kerkbestuur, dat hiervoor deels afhankelijk was van de geloofsgemeenschap.

Restauratie van het Exterieur en de Noordbeuk

De restauratie van het exterieur richtte zich op het herstellen van het middeleeuwse kerkgebouw, inclusief de Romaanse kerk en haar Gotische uitbreidingen. De 17e-eeuwse Latijnse school boven de noordbeuk werd als 'onsierlijk bouwwerk' beschouwd dat het licht van de noordelijke vensters ontnam. Na de sloop van de verdieping boven de noordbeuk kwamen de dichtgezette vensteropeningen in de westgevel van het noorder transept weer in zicht en werden voorzien van nieuwe vensters.

De Gereformeerde Kerk zelf, gebouwd in 1894 naar een ontwerp van H.E. Zeggelink, is een apart bouwwerk in Oldenzaal en niet direct gerelateerd aan de historische St. Plechelmuskerk, die van oorsprong een katholieke kerk is.

Gereformeerde Kerk Oldenzaal, gebouwd in 1894

De Gereformeerde Kerk in Oldenzaal

De Gereformeerde Kerk van Oldenzaal ontstond later en heeft een eigen geschiedenis. In 1929 ontstond er een zelfstandige Gereformeerde Kerk in Oldenzaal, waartoe ook de inwoners van Denekamp gingen behoren. Geleidelijk aan werden er in Denekamp eigen samenkomsten georganiseerd, en vanaf 1950 was er eens per maand een officiële kerkdienst met de predikant van Oldenzaal. In 1960 kreeg Denekamp een eigen kerkgebouw.

In de jaren tachtig besloten de hervormden en gereformeerden in Denekamp tot een 'samen-op-weg'-proces, wat in 1987 resulteerde in de vorming van een gezamenlijke gemeente met een gezamenlijke kerk en predikant.

tags: #gereformeerde #kerk #oldenzaal