Gezang 341: Een Lied voor Lidmaten en de Lutherse Credo

Het lied "Gij hebt uw woord gegeven" is een belangrijk kerklied met een rijke geschiedenis. Het verscheen voor het eerst in de bundel Loflied voor tegenstem (Baarn, 1965) onder de rubriek 'Vrije liederen' met de titel 'Een lied voor de bevestiging van lidmaten'. De bekendheid verwierf het echter door de opname in het Liedboek voor de kerken uit 1973, waar het gezang nummer 341 kreeg. Later vond het ook een plaats in Weerklank (2016, gezang 320).

Volgens Den Besten in het Compendium bij het Liedboek voor de kerken, bestaat het gevaar dat we bij woorden en daden aan twee verschillende zaken denken en deze tegenover elkaar plaatsen. Hij stelt dat een kerkelijke versie van "Geen woorden maar daden" niemand ten goede komt, maar hoopt dat een lied als dit wel helpt. Elke strofe begint met een vervoeging van het werkwoord 'geven', waarbij in de eerste en derde strofe de Eeuwige het onderwerp is, en in de tweede strofe 'ik'.

Analyse van de Tekst

Eerste Strofe: De Vader en Zijn Woord

De eerste strofe kenmerkt zich door de relatie tussen 'Gij' en 'ik'. De dichter spreekt God aan als 'Vader' (regel 5) en zingt lofliederen op de Vader die Zijn woord aan de mens heeft geschonken. De zin 'nog voor ik U iets vroeg' (regel 2) doet denken aan Jesaja 65:24: 'Ik zal hen antwoorden nog voor ze Mij roepen'. Het woord dat van Godswege en in Christus (strofe 3) gegeven is, omvat ons gehele bestaan, zowel leven als dood. De laatste vier regels ontvouwen het woord van de Vader nader.

Waar in onze cultuur woord en daad soms gescheiden wegen gaan, zijn deze bij de Vader één geheel. Den Besten verwijst hierbij mogelijk naar het Hebreeuwse woord dabar, dat een eenheid van woord en daad veronderstelt. Een illustratie hiervan vinden we in Genesis 1, waar Gods spreken en handelen een onverbrekelijke eenheid vormen. Den Besten noemt ook de oproep van de apostel Jakobus (1:22) in zijn commentaar.

Tweede Strofe: Woord en Daad in het Leven van de Mens

Het woord 'werd' - waarbij de dichter een verleden tijd hanteert - 'brood in de woestijn' (regel 6), een verwijzing naar de tocht door de woestijn waarbij het volk Israël gevoed werd door het manna (Exodus 16) en naar Deuteronomium 8:3: de mens leeft van al wat uit de mond van God uitgaat. In 'Uw woord … werd mens' (regel 7) herkennen we de aanvang van het evangelie van Johannes, waar de evangelist getuigt dat het woord (NBV), God zelf volgens de evangelist, in Christus 'vlees-en-bloed' (Naardense Bijbel) is geworden.

Waar in de eerste strofe de nadruk lag op 'Gij' en 'uw woord', verschuift de focus nu naar 'ik' en 'mijn'. Het woord vraagt om een antwoord. Dat antwoord is gegeven ('mijn woord gegeven'; regels 1-2) en wordt direct gevolgd door drie gebedsintenties waarin drie werkwoorden zijn vervat: instaan voor, waarmaken en zichtbaar maken. Zoals in Gods woord Zijn daad besloten ligt, zo bidt de dichter dat eenzelfde eenheid van woord en daad tot stand zal komen in zijn bestaan.

Hierbij benadrukt de dichter dat het niet draait om een los 'ik', maar dat degene die antwoordt, ruim baan geeft aan de genade van de Vader. De dichter vraagt in een bede dat wij zelf intermediair zijn in ons zijn en doen, een zichtbaar teken van Zijn genade.

Derde Strofe: Vernieuwing door de Zending van de Zoon

De derde strofe herneemt de aanvang van de eerste strofe. De dichter richt zich tot God en roept de zending van Zijn Zoon in herinnering, de incarnatie, de menswording die beoogt dat ons leven wordt herschapen. De dichter gebruikt hierbij de tegenwoordige tijd, omdat herschepping niet iets van gisteren of van een verre toekomst is.

In de derde en vierde regel verwoordt de dichter wat ons in de zending van de Zoon geschonken wordt. Ons leven wordt in Hem vernieuwd; we mogen mensen zijn die Zijn beeld weerspiegelen. Zie Efeziërs 2:10: 'in Christus Jezus geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God heeft voorbereid'. Zie ook Romeinen 8:29 en Kolossenzen 3:10. Naast de Zoon komt eveneens de Geest ter sprake, waarmee we in de sfeer van de belijdenis komen. In de eerste vier regels brengt de dichter het woord en de daad van God in Christus ter sprake; het lied draagt hier het karakter van de gedachtenis, de anamnese van Gods grote daden (magnalia Dei).

Het lied staat in de rubriek 'Belijdenis en Doop'. Voor gebruik in een dienst waarin de belijdenis plaatsvindt, reikt Den Besten in het commentaar op zijn lied de suggestie aan dat de 'aannemelingen' (zij die belijdenis doen) voor hun bevestiging strofe 1 zingen, gevolgd door strofe 2. Vervolgens kan strofe 3 door de gehele gemeente gezongen worden. Het lied kan echter ook in zijn geheel door de gemeente worden gezongen.

Illustratie van een Bijbel met een open pagina, symboliserend het Woord van God.

Het Lutherse Credolied: "Wir glauben all an einen Gott"

Het lied "Wij geloven allen in één God" is een vertaling van het Duitse credo-lied "Wir glauben all an einen Gott". De tekst is van Martin Luther (1483-1546) en de vertaling is van Wonno Bleij (1937-2011). Luther schreef dit lied oorspronkelijk voor Trinitatis in 1524, het feest dat acht dagen na Pinksteren werd gevierd. Vermoedelijk is een berijming van het Credo van Nikolaus van Kosel (overleden 1428 of 1433) de inspiratiebron geweest. Luther voegde er twee strofen aan toe om de drie hoofdpunten van de geloofsbelijdenis per strofe te behandelen.

Arie Eikelboom is van mening dat Luther bewust koos om van het enkelvoudige Credo in unum deum het meervoudige Wir glauben all te maken. Luther wilde immers de liturgie, inclusief het Credo, teruggeven aan de gemeente. De geloofsbelijdenis moest daarom direct door de gemeente worden ingezet, vandaar de aanhef met 'Wir'.

Ontwikkeling en Betekenis

Luther voegde aan het lied twee strofen toe, zodat de drie hoofdpunten van de geloofsbelijdenis per strofe aan bod konden komen. De 37 kerkliederen van Luther kunnen worden onderverdeeld in verschillende categorieën: psalmliederen, vertalingen van Gregoriaanse Latijnse hymnen, ordinariumliederen, catechismusliederen en liederen op vrije teksten. Het Lutherse Credolied "Wir glauben all an einen Gott" werd als vast bestanddeel van de liturgie al snel ingedeeld bij de Ordinariumliederen. Aanvankelijk schreef Luther dit lied voor Zondag Trinitatis, wat blijkt uit de plaats die het in Johann Walters Geistliche Gesangbüchlein van 1524 innam. Het stond daar na de Pinksterliederen en voor 'Gott der Vater wohn bei uns', een lied dat Luther eveneens voor Trinitatis schreef.

Luther ging bij zijn "Wir glauben all" uit van een voor-reformatorisch Latijns Credo dat hij in 1523 had leren kennen. Dit Credo ging terug op een handschrift uit Breslau uit 1417 en was deels in het Latijn, deels in het Duits. Bij de vertaling en bewerking van de middeleeuwse hymnen verwijderde Luther altijd de vele melismen (vele noten op één lettergreep) in de melodie om het lied beter zingbaar te maken voor de gemeente. Zo beklemtoonde hij het 'Wij' van de gemeente; het was niet langer het individuele geloof van de rooms-katholieke priester, maar een gemeenschappelijk belijden van de samengekomen gemeente.

De Lutherse predikant Wonno Bleij, de vertaler van dit credo-lied, was niet alleen gebonden aan het 16e-eeuwse origineel van Martin Luther, maar ook aan de intussen verouderde, maar toen nog steeds geliefde vertaling van Professor Pieter Boendermaker voor het Evangelisch-Luthers Gezangboek van 1955. Wonno Bleij heeft zoveel mogelijk de versie van Boendermaker willen respecteren, maar heeft vooral bij de vele germanismen naar een betere vertaling gezocht. In de eerste strofe heeft Bleij de zo belangrijke opvatting van Luther over Gods scheppend handelen een plaats kunnen geven. Het is een niet eenvoudige melodie, maar door haar vorm en structuur, na enige oefening, toch heel goed te zingen.

Verschillende Versies en Vertalingen

Het lied "Wir glauben all an einen Gott" werd voor het eerst afgedrukt in Das Geistliche Gesangbüchlein van Johann Walter in 1524. Daarna nam Luther het op in zijn Deutsche Messe van 1526 en drie jaar later kreeg het een plaats in het Klugschen Gesangbuch (1529), waar het werd opgenomen bij de begrafenisliederen. Luther publiceerde "Wir glauben all" in zijn bundel Begräbnisgesänge van 1542 en ook in het Babstschen Gesangbuch van 1545 werd het (met enige kleine wijzigingen ten opzichte van de versie van 1524) afgedrukt.

Er zijn vele pogingen ondernomen om de ontbrekende artikelen van de geloofsbelijdenis alsnog in het lied op te nemen. Vooral van de gereformeerden kreeg Luther het verwijt dat hij met het weglaten van Christus’ hemelvaart en wederkomst het geloof verstomde. In veel gezangboeken zijn dan ook van anonieme dichters toevoegingen opgenomen die dit gemis moesten opheffen. Al deze varianten hebben de oorspronkelijke versie van Luther echter nergens kunnen verdringen.

Het lied vond ook ingang in rooms-katholieke gezangboeken, zij het met enkele aanpassingen en toevoegingen, zoals in het gezangboek van Michael Vehe (1537) en Johann Leisentritt (1567). Ambrosius Lobwasser werkte in 1585 de tweede strofe uit tot twee coupletten om 'hemelvaart' en 'wederkomst' een plaats te geven.

In de Nederlandstalige gebieden verschijnt een vertaling van "Wir glauben all" voor het eerst in het Bonner Gesangbuch van 1544 en tevens in haar herdrukken in 1550, 1565 en 1567. Al snel krijgt het lied in een vertaling van Jan Utenhove ook een plaats bij de Enige Gezangen, die achter het berijmde Psalter van Petrus Datheen zijn opgenomen. In zijn dissertatie Heilige gezangen: Herkomst, ontwikkeling en receptie van de lofzangen in het psalmboek van Dathenus en de ‘Eenige Gezangen’ in de Staatsberijming van 1773 (Apeldoorn 2018) wijst Jaco van der Knijff erop dat de vertaling van Jan Utenhove reeds rond het midden van de zestiende eeuw bekend moet zijn geweest onder de Nederlandse gereformeerden.

Utenhove ontleende zijn teksten vooral aan het Bonner Gesangbuch van 1544 en publiceerde de vertaling van "Wir glauben all" in zijn eerste bundel psalmen (verloren gegaan) uit 1551. Daarnaast is het lied opgenomen in de edities van Utenhoves psalmboek die tussen 1561 en 1566 in Londen verschijnen, en ook komt het voor in de anonieme uitgave met 38 psalmen van Utenhove die in 1566 in (waarschijnlijk) Delft verschijnt. Toch neemt Datheen het gezang in 1566 nog niet op in zijn psalmboek, waarschijnlijk omdat hij al een andere geloofsbelijdenis bij de Enige gezangen had opgenomen, dit betrof een aan het Frans ontleend Symbolum. Een paar jaar later duikt het lied van Utenhove alsnog op in Dathenus’ psalmboek, voor het eerst in 1569. Het gezang wordt aangeduid als 'Dit is het gheloove door Jan Wtenhove overghesettet'. Jan Utenhove voegt, zoals velen voor hem in Duitsland, een extra strofe in om de hemelvaart, wederkomst en het gericht een plaats te geven.

Vertalingen van "Wir glauben all" verschijnen verder in de Antwerpse Gezangboeken van Willem van Haecht (1579, 1581 en 1582), in het Woerdische Sangboeck (1589) en de lutherse gezangboeken van Leiden en Amsterdam (1605). In de achttiende eeuw krijgt het lied een plaats in de Lutherse Consistoriale Bundel van 1779, een eeuw later is het opgenomen in de lutherse Synodale bundels van 1826/1850 en in de Christelijke Gezangen der Hersteld-Evangelisch-Lutherse Gemeenten in Nederland (1857). In de Psalmen en Gezangen (1938) van de Nederlands Hervormde Kerk is bij de Enige Gezangen de berijming van Johannes Eusebius Voet overgenomen, die in de Psalmberijming van 1773 de tekst van Utenhove had afgelost.

In de Lutherse jeugdbundel Uit hart en mond (1953) staat voor het eerst weer de melodie zoals deze in 1524 was gepubliceerd. De tekst van Pieter Boendermaker wordt twee jaar later in het Gezangboek der Evangelisch-Luthers Kerk (1955, gezang 106) op enkele punten bijgesteld. In het Liedboek voor de kerken (1973, gezang 331) wordt de berijming van Boendermaker vervangen door die van Wonno Bleij.

Waarom is Maria de belangrijkste vrouw voor katholieken?

Theologische Kernpunten

Het lied "Wir glauben all an einen Gott" heeft twee ontwikkelingssporen in zich opgenomen: het voor-reformatorisch 'volkse kerklied' en de christelijke geloofsbelijdenissen van Nicea (325)/Constantinopel (381) en het Apostolicum. Luther liet zich inspireren door de laatmiddeleeuwse strofe, nam de melodie in grote lijnen over en ook de eerste twee tekstregels. Daarnaast bouwde hij de middeleeuwse strofe uit tot een volledig nieuw lied van drie strofen, waarbij in ieder couplet een van de drie Godspersonen centraal staat. Met de drie strofen volgt Luther zijn eigen gebruik om de geloofsbelijdenis in drie gedeeltes te verdelen en niet, zoals in de oude kerk gebruikelijk was, in twaalf artikelen. Luther merkt daarnaast op dat kinderen drie punten gemakkelijker kunnen onthouden dan twaalf…

Iedere strofe behandelt een van de drie geloofsartikelen van Luthers Grote Catechismus: schepping, verlossing en heiliging. Geen artikel kan zich van de andere twee losmaken en geen artikel staat boven de ander. De geloofsbelijdenis roept het wezen van God vanuit het drievoudig perspectief in herinnering: Vader, Zoon en Heilige Geest. Opvallend is dat er geen aandacht wordt gegeven aan de 'hemelvaart' en de 'wederkomst'. Zoals hierboven opgemerkt zou dat erop kunnen duiden dat Luther in eerste instantie niet een credolied voor ogen had toen hij dit lied schreef. Aan de andere kant is het lied bij de verspreiding wel degelijk direct als een geloofsbelijdenis ervaren.

Luther veranderde ook het rijmschema ten opzichte van de Zwickauer versie. Hij ordende opnieuw het eindrijm, koos voor A-b-A-b-c-d-c-d-E-E en paste op veel punten stafrijm of alliteratie toe: 'wohl bewahren', 'will er wehren', 'wir warn verloren'.

Eerste Strofe: God de Vader

De eerste strofe handelt over God, de Vader. In tegenstelling tot de Latijnse handschriften (Credo - ik geloof) is in de aanhef het enkelvoud door Luther vervangen door het meervoudige 'Wir glauben'. Meestal wordt erop gewezen dat Luther hierbij bewust aan het 'wij' van de gemeente dacht en niet aan het 'ik' van de priester en dat hij dat zelfs in het fraaie melisme in het begin als een 'W' muzikaal heeft willen uittekenen. Maar eerlijkheidshalve moet gezegd worden dat er al eerder Duitse middeleeuwse vertalingen in omloop waren waarbij in de aanhef 'Wir' stond genoteerd. En ook in de oude Griekse tekst van het Nicenum stond 'wij geloven'. Luther heeft wat dit betreft graag gebruik gemaakt van een reeds bestaande traditie.

Opvallend is dat Luther 'glauben in' vervangt door 'glauben an', waarmee hij wil uitdrukken dat het om 'vertrouwen' gaat en niet om een puur theoretisch voor waar houden van leerstellige dogma's. Het toegevoegde 'all' kan als een versterking van het 'Wir' worden gezien. In het vervolg plaatst Luther boven de 'Schepper van de hemel en de aarde' het geloof aan de 'Vader', die zich met grote zorg om zijn kinderen bekommert (Psalm 103:13), omdat Hij ze altijd voedt, behoedt, voor hen zorgt en voor ongeval bewaart, zoals in het origineel: 'ernährt, hüt, sorget und wacht' (1 Petrus 5:7; Psalm 121:4). Luther maakt de melodie van het lied een regel langer om met de extra noten deze kerngedachte in de twee voorlaatste regels te kunnen accentueren. Hierdoor ontstaat bij 'wacht' een dalend melisme van zeven kwartnoten als een beschermende boog over de tekst heen uitgespreid.

Tweede Strofe: Jezus Christus, de Zoon

In de tweede strofe belijdt Luther Jezus Christus als de 'Zoon van God en onze Heer', zoals beleden in het Apostolicum (Matteüs 3:17 en 7:21). Vanuit het Nicenum stamt de zinsnede 'Die eeuwig bij de Vader is en aan God gelijk' (Johannes 1:1; 8:35, 10:30 en 1 Johannes 1:2). Zoals Hij waarlijk God is, zo is Hij ook de ware mens (Filippenzen 2:6-11). Met het toegevoegde 'im Glauben' wil Luther uitdrukken dat het minder om de persoon Maria gaat, maar meer om haar en onze geloofshouding. Centraal staat in deze middelste strofe de verlossing door Jezus Christus: 'für uns, die wir warn verloren' door kruis, dood en opstanding.

Derde Strofe: De Heilige Geest

Ook in de derde strofe, waarin de Geest beleden wordt, klinken gedeeltes uit de oude middeleeuwse geloofsbelijdenissen mee, zoals bij 'Heiligen Geist, Gott mit Vater und dem Sohne', waarin de wezensgelijkheid van de Godspersonen wordt uitgedrukt ('utrique consubstancialem', Johannes 4:24). Hij is de Trooster van de zwakken (Johannes 14-16), verrijkt ons met zijn gaven (Jesaja 11:2; 1 Korintiërs 12:4-...).

Afbeelding van een middeleeuws manuscript met kalligrafie, symboliserend de historische wortels van het lied.

Vergelijking met Andere Liederen

Het lied "Gij hebt uw woord gegeven" is een lied van Ad den Besten, te zingen als er belijdenis wordt gedaan of ambtsdragers worden bevestigd. Den Besten koos een Augsburgse melodie, Ist Gott für mich, so trete, voor de drie strofen.

Het oorspronkelijke Engelse lied, "While shepherds watch their flocks by night", geschreven door Nahum Tate (#361), is een berijming van Lukas 2:8-14. Attie van der Colf (#164) schreef de Afrikaanse tekst voor de bundel van 1978: "Eens in die volheid van die tyd". Hierin zijn er slechts in de vierde strofe overeenkomsten met Tate's tekst. De melodie WINCHESTER OLD werd voor het eerst gepubliceerd in Thomas Este's The whole Booke of Psalmes with their wanted tunes (1592), alhoewel het daar geen titel had. Hierin was het gezet op de metrische versie van Psalm 84 "How pleasant is they dwelling place". Deze tekst en melodie worden toegeschreven aan George Kirbye. Later verscheen het ook in Thomas Ravenscroft (ca. 1589 tot ca. 1635) 's Whole Book of Psalms (1621) waar het de titel WINCHESTER droeg. De naam verwijst naar Winchester, een oude stad in Hampshire. "OLD" werd toegevoegd nadat een andere melodie WINCHESTER NEW (zie Lied 436 en 596) verscheen.

Thomas Este (East, Est) (*ca. 1540, Swavesey, Cambridge; †1608, Londen) werkte het grootste deel van zijn leven in Londen. Hij was de toonaangevende drukker van de laat-Elizabethaanse periode. Hij drukte de meeste muziek van vooraanstaande componisten zoals William Byrd en Thomas Morley, evenals belangrijke publicaties zoals Musica transalpina (1588), John Dowland's Second Booke of Songes or Ayres (1600) en The Triumphes of Oriana (1601). Este's belangrijke bijdrage aan de Engelse hymnodie is zijn publicatie The Whole Booke of Psalmes: with their Wonted Tunes, as they are Song in all the Churches, Composed into Foure Parts [sic] (1592). De vierstemmige harmonisaties werden door verschillende componisten gedaan. Uit het voorwoord blijkt dat Este bedoelde dat de werken in plattelandse kerken gezongen moesten worden.

Zoals ook bij een twintigtal andere kerkliederen van Martin Luther, hebben tekst en melodie van "Wir glauben all an einen Gott" voor-reformatorische wortels. Drie laatmiddeleeuwse handschriften zijn overgeleverd van een één-strofig Latijns credolied ('Credo in Deum Patrem omnipotentem') waarbij onder de Latijnse tekst Duitse vertalingen waren ingetekend. Luther heeft waarschijnlijk de laatste van deze drie versies onder ogen gekregen toen Stephan Roth in 1523 hem in Wittenberg een bezoek bracht.

Opvallend aan dit Credo is dat het streng trinitarisch is opgebouwd met een drievoudig herhaald 'Credo', terwijl de Apostolische Geloofsbelijdenis in de Middeleeuwen meestal uit twaalf 'artikelen' bestond en het woord 'Credo' daar slechts tweemaal verschijnt. Ook is opvallend hoe weinig aandacht er wordt besteed aan de 'Vader' en de 'Zoon', terwijl dat in vroeger tijden altijd veel plaats innam. Duidelijk is dat deze Duitse versie niet meer een letterlijke vertaling is van het Latijnse origineel, maar dat er een geheel nieuwe tekst is ontstaan. Nieuw is dat de prozatekst is omgevormd tot een berijmd lied, bestaande uit tien (ongelijkmatige) regels en dat de eerste persoon enkelvoud 'Credo' ('Ik geloof') is omgevormd tot de derde persoon meervoud 'Wij geloven'. Het meest opvallend is dat de drieslag 'Vader, Zoon en Geest' is teruggebracht tot een tweeledige belijdenis: aan de Schepper en aan de Zoon, waarbij Jezus Christus niet eens met name (of met 'Zoon' of 'Heer') wordt genoemd, maar alleen in zijn heilsgeschiedenis wordt omschreven. Van de 'Heilige Geest' is in 't geheel geen sprake.

Luther veranderde ook het rijmschema ten opzichte van de Zwickauer versie. Hij ordende opnieuw het eindrijm, koos voor A-b-A-b-c-d-c-d-E-E en paste op veel punten stafrijm of alliteratie toe: 'wohl bewahren', 'will er wehren', 'wir warn verloren'.

De kern van Luthers theologie is terug te vinden in veel van zijn liederen. Het sola gratia ('door genade alleen') en sola scriptura ('door de Schrift alleen') klinkt regelmatig duidelijk mee in zijn kerkliederen en zo valt er ook veel voor te zeggen dat hij het sola fide ('door geloof alleen') wel degelijk voor ogen heeft gehad bij het dichten van 'Wir glauben all'.

Hymnologen hebben geen eenduidig antwoord kunnen geven op de vraag of Luther 'Wir glauben all' als een trinitatislied of als een credolied heeft geschreven. 'Wir glauben all an einen Gott' werd voor het eerst afgedrukt in Das Geistliche Gesangbüchlein van Johann Walter in 1524. Daarna nam Luther het op in zijn Deutsche Messe van 1526 en drie jaar later kreeg het een plaats in het Klugschen Gesangbuch (1529), waar het werd opgenomen bij de begrafenisliederen.

Een afbeelding van de Martinikerk in Groningen, een locatie waar het lied gezongen werd.

Het lied "Gij hebt uw woord gegeven" staat in de volgende veelgebruikte liedbundels:

  • Liedboek 2013: 341 (a)
  • Liedboek voor de kerken: Gezang 331 (a)
  • Weerklank: 320

Het lied "Wir glauben all an einen Gott" staat in de volgende veelgebruikte liedbundels:

  • Liedboek 2013: 345
  • Liedboek voor de kerken: Gezang 341
  • Weerklank: 320

tags: #gezang #341 #liedboek #tekst