Het Liedboek 446: Een Diepere Beschouwing

Inleiding

Het lied "O Jezus, hoe vertrouwd en goed" met nummer 446 in het Liedboek, is een Nederlandse vertaling van het Engelse lied "How sweet the name of Jesus sounds". De vertaling is van Willem Barnard, die een vrije interpretatie van de tekst van John Newton heeft gemaakt. De melodie is gecomponeerd door Alexander Robert Reinagle en draagt de naam St. Peter.

De Nederlandse tekst is auteursrechtelijk beschermd en is in verschillende bundels met variaties gepubliceerd, soms met 7, soms met 10 strofen. Barnard zelf gaf aan dat zijn vertaling aanzienlijk vrijer is dan een letterlijke weergave, met als doel de bezieling van het origineel te behouden.

Illustratie van een liedboekpagina met de tekst van

De Betekenis van Namen en Beelden

In het lied wordt Christus aangeduid met verschillende namen die zijn rol en betekenis voor de gelovigen uitdrukken. Enkele van deze benamingen zijn: 'Mijn herder en mijn held, mijn vriend, mijn koning en profeet'.

De naam van de melodie, St. Peter, verwijst naar de kerk waar de componist Alexander Robert Reinagle organist was.

Ontstaansgeschiedenis en Publicatie

De eerste publicatie van Willem Barnards vertaling van dit lied vond plaats in 1962 in het deeltje 'Kerstkring' van 'De adem van het jaar'. Hoewel Barnard het lied daarna niet opnam in zijn eigen verzameling 'De tale Kanaäns' (1964), verscheen het later in diverse andere bundels:

  • Gezangboek van de Evangelische Broedergemeente in Nederland (1968, nr. 438)
  • Liedboek voor de kerken (1973, gezang 446)
  • Verzamelde liederen (1986, nr. 235)
  • Oud-Katholiek Gezangboek (1990, nr. 815)
  • Liedboek (2013)
  • Hemelhoog (2015, nr. 652)
  • Op toonhoogte (editie 2015, nr. 206)
  • Weerklank (2016, gezang 458)
  • In wind en vuur (2023)

Willem Barnard baseerde zijn bewerking op de hymne van predikant en dichter John Newton, oorspronkelijk getiteld 'The name of Jesus'. Onder de titel 'How sweet the Name of Jesus sounds' is het lied in vele bundels opgenomen, vaak met kleine verschillen in tekst en strofevolgorde. De versie uit Olney Hymns (1799) met zeven strofen wordt beschouwd als de standaardtekst. Engelse liedboeken bevatten vaak zes strofen, waarbij de oorspronkelijke vierde strofe, die ook door Barnard is weggelaten, ontbreekt. Barnard zelf kwam tot een totaal van tien strofen.

Diepere Theologische Interpretatie

Barnard streefde ernaar om, net als Newton, de betekenis van Jezus' namen en beelden te belichten. Sommige verwijzingen zijn direct, zoals die naar het manna, andere zijn subtieler.

Newton verwees in zijn oorspronkelijke tekst met het woord 'echtgenoot' naar Jesaja 54:5, waar God zich ontfermt over zijn volk door het te huwen. Hij schreef het lied ook met Hooglied in gedachten, waar de naam van de koning als welriekende olie wordt beschreven. Newton benadrukte dat de naam van Jezus een helende geur heeft en in geen enkele preek mag ontbreken. Barnard herstelt, ondanks het weglaten van het woord 'echtgenoot', de innige liefdesband die dit impliceert.

Symbolische weergave van een zon die opkomt uit de nacht

De Vijfde Strofe: "Zolang gij nog onzichtbaar zijt"

De vijfde strofe, die in het Engelse origineel niet voorkomt, werd door Barnard toegevoegd als zijn persoonlijke credo. Deze strofe, met de beeldspraak van 'een zon diep in de nacht', benadrukt een houding van verwachten in plaats van zeker weten. Dit sluit aan bij een apofatische theologie, die zich richt op het gemis en het onbekende, in tegenstelling tot een bevestigende, katafatische theologie.

De strofe verwijst naar de woestijnvader Arsenios, die 's nachts wakker bleef om de opkomende zon te verwelkomen, een symbool van de verwachting van de nieuwe dag en het vernieuwde leven in Christus.

De onzichtbaarheid van de zon in de nacht kan ook worden gezien als een metafoor voor de periode van Christus' verborgenheid vóór zijn verschijning, een periode die Barnard 'de dertien nachten' noemt. Dit lied is bijzonder geschikt voor de Naamgeving van de Heer op 1 januari, een dag die de intrede markeert van de Naam die boven alle namen is.

De Melodie: St. Peter

De melodie St. Peter werd voor het eerst gepubliceerd door Alexander Robert Reinagle in zijn 'Psalm-Tunes for the Voice and Pianoforte' (circa 1826). De naam 'St. Peter' werd pas in een latere uitgave (1840) toegevoegd, verwijzend naar de kerk St. Peter-in-the-East in Oxford, waar Reinagle organist was.

De melodie, gecomponeerd in common metre (8-6-8-6), kenmerkt zich door een verloop in kwarten en een 4/4-maat, met voornamelijk dalende motieven. Er zijn melodische overeenkomsten tussen de eerste en vierde regel, en tussen de tweede en derde regel.

Simon & Garfunkel - The Sound of Silence (Orgel/Organ-Cover)

Kenmerken van de Melodie

De melodie roept een sfeer van vertwijfelde verwachting op door het gebruik van tritonus-spanningen. Oorspronkelijk was de melodie genoteerd in een 5/4-maatsoort, wat een specifieke ritmische structuur gaf. De huidige notatie, zonder maatstrepen en in tactus minor, benadrukt een vloeiend, syncoperend begin en een consequente melodische opbouw.

De melodie is opgebouwd uit intervallen die de kleine terts niet overstijgen, wat bijdraagt aan de ingetogenheid. Opvallende uitzonderingen zijn het openingsinterval van de vierde regel en de slotwending, die doen denken aan melodische cadensen uit de vroege renaissance.

Uitvoerenden en Arrangementen

Het lied is uitgevoerd door diverse koren en ensembles. Een opname met de Maria Magdalena-cantorij onder leiding van Henk Lemckert op het orgel van de Abdijkerk van Loosduinen is bekend.

De tekst van het lied is door verschillende auteurs bewerkt en in diverse bundels gepubliceerd, wat de blijvende relevantie van het lied onderstreept.

tags: #gezang #446 #liedboek #orkest