De Gereformeerde Kerk te Bleiswijk heeft een rijke en complexe geschiedenis, die teruggaat tot de 19e eeuw. Op 26 juni 2017 vierde de kerk haar 125-jarig bestaan. Oorspronkelijk ontstond zij in 1887 als de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’, wat neerkomt op 130 jaar geleden vanaf het moment van schrijven. Echter, de wortels van deze kerk gaan dieper, voorafgaand aan de Doleantie in Bleiswijk, met diverse kerkelijke ontwikkelingen die direct verband houden met de uiteindelijke oprichting van ‘De Gereformeerde Kerk te Bleiswijk’.
De aanloop naar de Doleantie: Vereniging voor Christelijke Belangen
In 1866 werd in Bleiswijk de ‘Vereeniging voor Christelijke Belangen’ opgericht. Deze vereniging sloot zich direct aan bij de landelijke ‘Vereeniging Vrienden der Waarheid’. Soortgelijke verenigingen waren reeds sinds de jaren '50 van de 19e eeuw ontstaan, met als doel op te komen voor de gereformeerde leer binnen de Nederlandsche Hervormde Kerk, uit onvrede met de toenemende vrijzinnigheid. De plaatselijke verenigingen richtten zich op de kerkenraden, hen beschuldigend van onvoldoende verdediging van de gereformeerde leer tegen vrijzinnige dwalingen. Tevens werden evangelisten aangesteld om te evangeliseren in gebieden zonder orthodoxe prediking.
Toen in 1886 de Doleantie zich aandiende, koos de landelijke ‘Vereeniging’ voor onvoorwaardelijke steun aan de Dolerende kerken, een lijn die ook in Bleiswijk werd gevolgd. De leden van de ‘Vereeniging voor Christelijke Belangen’ kwamen voor het eerst bijeen op 6 maart 1866. Zij zorgden ook direct voor eigen onderdak door het Remonstrantse kerkgebouw aan de Dorpsstraat te kopen van zeven leden van de Remonstrantse Gemeente voor fl. 3.500, waarbij elk van hen fl. 500 betaalde.

In Bleiswijk werd Rutgeres van Mazijk (1826-1900) aangesteld als evangelist. Deze koopman, die in 1832 naar Bleiswijk verhuisde, trachtte ‘het recht gesneden Woord Gods’ te verkondigen, in contrast met de prediking in de plaatselijke Hervormde Gemeente. Ook sprak hij af en toe in het evangelisatiegebouw aan de Dorpsstraat. Gedurende de periode 1866 tot 1875 waren er diverse bekende predikanten en oefenaars die er voorgingen, waaronder ds. D. Klinkert, ds. F. Lion Cachet, ds. P. Los Gzn., ds. C. van den Oever, ds. C.L.F. van Schelven, ds. W.G. Smitt, Wulfert Floor en W.J.G. Basoski.
Op zondag 26 juni 1887, toen de Doleantie in Bleiswijk plaatsvond, sloten de meeste leden van de ‘Vereniging voor Christelijke Belangen’ zich aan bij de nieuw gevormde ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’.
De Gereformeerde Kerk onder het Kruis in Bleiswijk
Naast de gebeurtenissen rond de ‘Vereeniging voor Christelijke Belangen’, bestond er in Bleiswijk, vermoedelijk al langer maar in ongeorganiseerde vorm vanaf 1868, ook een gemeente van de ‘Gereformeerde Kerk onder het Kruis’. Dammes Welle, een bestuurslid van de Bleiswijkse ‘Vereeniging Vrienden der Waarheid’, vroeg in december 1867 toestemming om het evangelisatielokaal te gebruiken voor godsdienstoefeningen die losstonden van de Vereeniging. Deze bijeenkomsten waren bedoeld voor mensen die behoorden tot of sympathiseerden met de ‘Gereformeerde Kerk onder het Kruis’.
Dammes Welle speelde een actieve rol in de oprichting van de Bleiswijkse Gereformeerde Gemeente onder het Kruis. Kort na zijn verzoek werd de gemeente officieel geïnstitueerd en opgenomen in de notulen van de landelijke vergaderingen van ‘Kruiskerken’. Hoewel aanvankelijk gedacht werd dat Welle de spil was, wordt Ewoud Manheer (1797-1870), afkomstig uit Hazerswoude, nu als de centrale figuur gezien. Hij was daar sinds 1840 actief als oefenaar in een ‘conventikel’.
Ook ds. L.G.C. Ledeboer (1808-1863), een bekende predikant uit Benthuizen, trad op in het conventikel in Hazerswoude. Hij distantieerde zich van het Algemeen Reglement van 1816 en van het zingen van ‘Evangelische Gezangen’. Hoewel hij zich aanvankelijk aansloot bij de Afscheiding, was hij het niet eens met het verzoek om erkenning bij de regering. Hij verbrak zijn banden met de kerk en stichtte met name in Zeeland ‘Ledeboeriaanse gemeenten’.
Belangstellenden uit Bleiswijk woonden de bijeenkomsten in Hazerswoude bij. Ewoud Manheer verhuisde in 1853 naar Bleiswijk, werd winkelier en functioneerde als ‘provisionele’ ouderling van de Kruisgemeente te Bleiswijk. Deze gemeente was mogelijk, vóór 1863 (het overlijdensjaar van ds. Ledeboer), min of meer geïnstitueerd door ds. Ledeboer. In 1869 fuseerde de landelijke vereniging tussen de ‘Christelijke Afgescheidene Kerk’ en de ‘Gereformeerde Kerk onder het Kruis’. De kleine Bleiswijkse gemeente had geen eigen predikant, maar ds. D. Klinkert fungeerde als consulent.

In 1878 deelde ds. Klinkert mee dat de gemeente van Bleiswijk, hoewel klein en zwak, graag wilde blijven bestaan. Vier jaar later, in maart 1882, verkeerde de gemeente met zestien belijdende leden nog steeds in ‘kwijnende’ toestand en had geen ouderling. Ds. Klinkert overwoog of de gemeente wel kon blijven bestaan of dat de leden zich beter konden aansluiten bij een naburige gemeente. Gelukkig rapporteerde hij over een ‘lieve geest van eensgezindheid en ware broederliefde’, wat de gemeente weer op de been hielp. Echter, in 1889 zocht ouderling A. Spruijt namens de kleine Christelijke Gereformeerde Gemeente van Bleiswijk contact met de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ om de mogelijkheden voor samengaan te bespreken.
Eind 1889 diende diaken A.C. van den Akker uit Bleiswijk een verzoekschrift in bij de kerkenraad van de Dolerende kerk, ondertekend door zestien belijdende gemeenteleden, met het verzoek hen toe te laten als leden van de Dolerende kerk. De kerkenraad ging hiermee akkoord en besloot dat consulent ds. C. Kuijper van Katendrecht een dienst zou leiden en afscheidswoorden zou spreken tot de overgaande leden.
De oprichting van de Dolerende gemeente in Bleiswijk
De ontevredenheid over de koers van de hervormde kerk, zowel qua leer als kerkregering, was ook in Bleiswijk aanwezig, zoals de oprichting van de ‘Vereeniging Vrienden der Waarheid’ en de plaatselijke Kruisgemeente aantoonden. Vanaf 1886 traden duizenden ‘bezwaarde’ hervormden landelijk uit de kerk en vormden onder leiding van onder meer dr. A. Kuyper de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende)’.
In Bleiswijk verzocht een driemanschap op 24 maart 1887 de hervormde kerkenraad om de Reformatie ter hand te nemen en zich vrij te maken van het kerkbestuur. De ondertekenaars waren C. van Driel, hoofdonderwijzer J. Mulder (1838-1915) en J. Noordam. Zij vonden dat na de afwerping van de Romeinse hiërarchie in de zestiende eeuw, de synodale hiërarchie niet langer geduld kon worden. Zij bekritiseerden de kerkenraad voor het laten voortduren van de overheersing door de synode, terwijl gelovigen elders werden blootgesteld aan vervolging.
Op 26 juni 1887 vond de officiële instelling van de Dolerende gemeente plaats. Consulent ds. G.H.J.W.J. Geesink uit Rotterdam hield een preek en bevestigde de op 19 mei verkozen ouderlingen en diakenen. Direct na de dienst besloot de kerkenraad te breken met de synodale hiërarchie en de kerkenorde van Dordrecht 1618-1619 opnieuw geldig te verklaren.
De Dolerende kerkenraad stuurde een brief aan de hervormde collega's met het verzoek om de kerkelijke goederen (kerkgebouw, archief, gelden en landerijen) niet te onttrekken aan hun bestemming. De hervormde kerkenraad ging hier niet op in. De Dolerenden konden de diensten voortzetten in het evangelisatiegebouw, de voormalige Remonstrantse kerk. In 1900 kocht de Dolerende kerk dit gebouw van de Vereeniging ‘Vrienden der Waarheid’.
Uit vrees dat de Dolerenden het hervormde kerkgebouw zouden bezetten, werd dit stevig afgesloten en bewaakt. Er deden geruchten de ronde dat dr. G.H.J.W.J. Geesink op zondag 3 juli zou proberen de preekstoel te bestijgen. Op die zondagochtend was een politiemacht aanwezig om het hervormde kerkgebouw te bewaken en ervoor te zorgen dat de hervormde predikant ds. P.F. van den Berg en zijn kerkenraad de dienst ongestoord konden houden.
Hoofdonderwijzer J. Mulder werd in 1889 aangezocht om als oefenaar in de Dolerende gemeente voor te gaan, wat hij accepteerde. Twee jaar later, eind 1889, trad de Christelijke Gereformeerde Gemeente op verzoek van diaken Van den Akker toe tot de Dolerende kerk. Toen in 1892 de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ landelijk fuseerden tot ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’, was in Bleiswijk enkel een vermelding van de naamswijziging in het notulenboek nodig.
Hoewel J. Mulder als oefenaar voorzat in de diensten, rezen er stemmen om een ‘heuse’ predikant te beroepen. In oktober 1892 vroeg een gemeentelid zich af of het nuttig zou zijn om de noodzaak van een eigen predikant aan te tonen. Anderhalf jaar later, in februari 1894, vond een kerkenraadslid het een ‘zondige toestand’ dat er geen pogingen werden ondernomen om een dienaar des Woords te beroepen. De financiën vormden echter een struikelblok. Pogingen om met het nabijgelegen Berkel en Rodenrijs samen een predikant te beroepen mislukten. In 1894 vroeg consulent ds. A. van Veeloo van Rotterdam of de kerkenraad niet diende te trachten voldoende geld bijeen te brengen voor het beroepen van een predikant.
Hoofdmeester J. Mulder bedankte voor het oefenaarschap. Er was al langer onenigheid in de kerkenraad over de vraag waar een te beroepen predikant gestudeerd moest hebben: aan de Theologische School in Kampen of aan de Vrije Universiteit van dr. A. Kuyper in Amsterdam. Mulder had weinig vertrouwen in de kwaliteit van de opleiding aan de VU en ging ‘in veel niet mee met dr. Kuyper’.
Het eerste tweetal werd in januari 1896 gesteld. Na verschillende vergeefse beroepen werd in juli 1899 ds. H.R. Nieborg van Witmarsum, Pingjum en Zurich in Friesland benaderd.
De Gereformeerde Kerk te Bleiswijk door de jaren heen
Op 26 juni 1887 kwam de Gereformeerde Kerk te Bleiswijk tot de “instelling der ambten”. In 1898 werd een gebouw aangekocht, waarin tot 1926 kerk werd gehouden. In dat jaar werd een nieuw kerkgebouw in gebruik genomen op de locatie Dorpsstraat 37. Het honderdjarig bestaan van de kerk werd in 1987 gevierd. Het zeventig jaar oude kerkgebouw werd in 1997 afgebroken om plaats te maken voor een winkelcentrum. Aan de overkant van de straat, met adres Dorpsstraat 50, is het huidige kerkelijk centrum verrezen.
De Gereformeerde Kerk, Dorpsstraat 50, 2665 BJ Bleiswijk, is officieel geregistreerd onder No. Op de startzondag op 27 september 2015 werd het naambord van het kerkgebouw onthuld, met het PKN-logo en de naam “Open Hof”.
De Dorpskerk van Bleiswijk is een rijksmonument met een rijke geschiedenis en bouwhistorie. De Reformatie kreeg in 1573 vaste voet in Nederland. Voordien werd de kerk voor de rooms-katholieke eredienst gebruikt nadat deze in 1532 was gewijd aan Johannes de Doper. Vanwege de slappe veenbodem was er een voortdurende noodzaak tot herstel, restauratie of gedeeltelijke afbraak van het kerkgebouw. Vermoedelijk stond er al rond het jaar 1025 een houten kapel op de plaats van het huidige koor. Het eerste stenen kerkgebouw dateert van tussen 1248 en 1276; de huidige vorm van het koor stamt uit 1532. In 1668 werd het schip verhoogd en kreeg de kerk haar huidige vorm. Een grote restauratie vond plaats in 1971-1974, waarbij de kerk op een betonnen fundering werd geplaatst.

De tekstborden in de kerk, vermoedelijk uit de 17e eeuw, werden mogelijk geschonken als genoegdoening na conflicten met het gemeentebestuur van Rotterdam over het benoemingsrecht van predikanten. Ze zijn kleurrijk beschilderd en bekroond met wapens van overheden. De borden uit 1647 bevatten onder meer de hoofdsom der wet, de Tien Geboden, de geloofsbelijdenis, het Onzevader, een vermanend gedicht en Agurs smeekbede. Het 17e-eeuwse interieur omvat verder een kansel, doophek, meubilair met houtsnijwerk, koperwerk, grafzerken, een expositie en een predikantenbord.
De Hersteld Gereformeerde Kerken en hun ontstaansgeschiedenis
De term ‘hersteld gereformeerde kerk’ duidt op kerken die zich hebben afgescheiden van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) (GKv) of die zijn opgegaan in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Om verwarring te voorkomen, wordt soms de aanduiding ‘hersteld’ toegevoegd aan de officiële naam.
Binnen de GKv ontstonden vanaf 1991 steeds sterkere geluiden van onvrede over de koers van de kerk, vertolkt in het blad Reformanda. Deze onvrede had betrekking op toenemende contacten met de Nederlands Gereformeerde en Christelijke Gereformeerde kerken, en zorgen over de handhaving van het 4e en 7e gebod van de Tien geboden.
De besluiten van de GKv-synode in Zuidhorn (2002/2003) leidden tot een oproep tot ‘reformatie en bekering’ en een ‘nieuwe vrijmaking’. Plaatselijke kerken en individuele gelovigen maakten zich los van het kerkverband. De Nieuwe Vrijgemaakte kerken besloten de synodebesluiten van de vrijgemaakte kerken voor wettig te houden tot en met 1990.
Op de synode van Mariënberg (2005-2006) werd gesproken over de naam van het te vormen kerkverband. Hoewel men aanvankelijk de naam "Gereformeerde Kerken in Nederland" overwoog, werd op 18 maart 2006 besloten te kiezen voor de naam De Gereformeerde Kerken in Nederland (DGK), met het onofficiële achtervoegsel (hersteld). Deze naam lijkt op die van de vroegere Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband (GKH), een kerkverband dat in 1926 ontstond na de schorsing van ds. Geelkerken en in 1946 opging in de Nederlandse Hervormde Kerk.
In 2006 werd de kerk te Zwijndrecht uit het kerkverband gezet. Een deel van de wijkgemeente te Veenendaal maakte zich vrij en sloot zich bij Zwijndrecht aan. In 2009 vormden afgescheurde gemeenten en groepen een nieuw kerkverband: de Gereformeerde Kerken Nederland. Vanaf 2014 is er een toenadering tussen beide kerkverbanden.
Het kerkgenootschap organiseerde zich na oprichting in twee classes: Noord-Oost en Zuid-West. Vanwege een beperkt aantal predikanten werd in de eredienst vaak gebruik gemaakt van eerder geschreven preken (‘leespreek’). In 2012 kondigde het kerkgenootschap de oprichting aan van een eigen ‘Opleiding tot de dienst des Woords’ vanwege slechte ervaringen met de Theologische Universiteit Apeldoorn.
De Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband)
Als gevolg van de besluiten van de synode van Assen ontstonden in 1926 de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband). In 1936 aanvaardden zij een nieuwe kerkorde, waaraan zeven jaar was gewerkt.
De kerken van Amsterdam Zuid en Zandvoort herstelden het kerkverband in de eenheid van belijdenis, conform de Drie Formulieren van Eenigheid en de Kerkenordening van Dordrecht (herzien in 1905), met behoud van de bepalingen der Generale Synodes tot en met Utrecht in 1923.
Een belangrijk verwijt aan de GKN was dat de kerkorde met voeten was getreden, met name wat betreft het recht van de plaatselijke kerk. ‘Onverzwakte handhaving der geldende kerkenordening’ was een essentieel punt voor de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband).
Al vroeg werd echter ingezien dat de kerkorde mogelijk herzien moest worden. In 1928 diende de kerk van Den Haag een voorstel hiertoe in. Een deputaatschap kreeg de opdracht te adviseren over de wenselijkheid van een nieuwe formulering van de orde voor het kerkelijk leven. De focus lag aanvankelijk op het ‘toetsen van de huidige kerkorde’, een gevoelige kwestie vanwege lopende processen over kerkelijke goederen.
In 1929 erkende het gerechtshof de aanspraken van het Hersteld Verband niet. Predikant H.C. van den Brink zette zijn visie op de kerkorde uiteen, waarin hij de Dordtse Kerkorde (DKO) als verouderd en onverstaanbaar beschouwde. Hij pleitte voor een kerkelijk statuut met Jezus Christus als koning der kerk, en benadrukte het belang en de positie van het ambt der gelovigen.
Het deputaatschap kwam voor het eerst bijeen op 11 februari 1929. De kern van Van den Brinks visie op de kerkorde werd uiteengezet. De notulen spraken over vijf capita: I. Gemeenteleden (Geelkerken); II. Kerkenraadsleden (Vermeer); III. Kerkenraadsvergadering (Van der Toorren); IV. Eredienst (Vermaat); V. Tucht (Van den Brink). Het werk aan de kerkorde lag echter bijna twee jaar stil na juni 1929, pas op 13 december 1932 werd het hervat.
Op 4 november 1930 vond een conferentie plaats over de grenzen van de oecumene, als reactie op onrust over het laten voorglanzen van gastvoorgangers uit andere kerken. De conferentie leidde tot de conclusie dat de kerken zich moesten bezinnen op Schrift en Kerk, en dat er gezocht moest worden naar het zichtbaar maken van de eenheid en het opheffen van verdeeldheid. Concreet werd gedacht aan samenwerking op het gebied van zending en evangelisatie.
Er bestond een verschil in visie op het confessionele gehalte van het H.V. De gereformeerde krachten wensten een confessionele kerk, maar wilden niets weten van leertucht. Barthiaans georiënteerde theologen pleitten voor een actueel belijden en een sprekende kerk. De conferentie vroeg om een vervolg, en deputaten werden benoemd om een verklaring op te stellen over de verhouding van kerk en belijdenis.
De verklaring stelde dat men zich bond aan de Schrift en de heel de christelijke kerk, en aanvaardde de algemeen-christelijke geloofsbelijdenissen en de drie Formulieren van Eenigheid. Verduidelijking of verdieping van de belijdenis, met name wat betreft Kerk en Schrift, werd noodzakelijk geacht. Toch bleek dit niet afdoende, en de kerk van Hilversum bleef gastvoorgangers uit andere kerken toelaten, wat leidde tot ergernis.
tags: #hersteld #gereformeerde #kerk #bleiswijk