De Geschiedenis van de Hervormde Gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel en de Doleantie

De Gereformeerde Kerk in Nieuwerkerk aan den IJssel: Ontstaan en Ontwikkeling

De Gereformeerde Kerk in het Zuid-Hollandse Nieuwerkerk aan den IJssel werd op 5 november 1889 geïnstitueerd als Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende). Dit markeerde een belangrijke stap in de kerkelijke geschiedenis van de regio, geworteld in de bredere context van de Nederlandse kerkhervorming.

De historische Nederlandse Gereformeerde Kerk, geïnstitueerd in 1578 na de Kerkhervorming, onderging in 1816 een significante verandering door ingrijpen van de overheid. Vanaf dat moment werd de kerk aangeduid als de Nederlandsche Hervormde Kerk. De invoering van het Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Nederlandsche Hervormde Kerk verving de Dordtse Kerkorde, wat resulteerde in een centralistisch bestuur dat de zelfstandigheid van plaatselijke hervormde gemeenten sterk beperkte. Bovendien werd er na verloop van tijd nauwelijks of niet meer opgetreden tegen predikanten die afweken van de gereformeerde waarheid op de kansel. Kerkenlijke besturen trachtten kerkelijke onrust zoveel mogelijk te vermijden.

Deze situatie leidde in 1834 tot de Afscheiding in het Groningse Ulrum, onder leiding van ds. H. de Cock (1801-1842). Dit was de eerste orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk. Later ontstond de tweede orthodoxe uittocht, bekend als de Doleantie.

De Doleantie kreeg een impuls in december 1886, toen de meerderheid van de hervormde kerkenraad in Amsterdam door de kerkelijke besturen werd afgezet. De kerkenraad verzette zich tegen de vrijzinnigheid binnen de hervormde kerk en de almacht van de Algemeene Synode, de zogenaamde ‘synodale hiërarchie’.

Nog geen maand na de Doleantie in Amsterdam organiseerden de Dolerende kerken de Amsterdamse Dolerenden het Gereformeerd Kerkelijk Congres, dat van 11 tot en met 14 januari 1887 in Amsterdam werd gehouden. Hier spraken 1.500 afgevaardigden van hervormde kerkenraden over de vraag hoe de Doleantie, zoals die zich in Amsterdam en elders had afgespeeld, in andere steden en dorpen bevorderd kon worden. Er werden toespraken gehouden, discussies gevoerd en Modellenboekjes gepubliceerd met ‘voorbeelden van alle te schrijven officiële brieven’ om een correcte uitvoering te garanderen.

Of er afgevaardigden uit Nieuwerkerk aan den IJssel aanwezig waren bij dit congres, is onbekend, aangezien er geen presentielijst is. Echter, de ontwikkelingen in Nieuwerkerk aan den IJssel leken de kant van de Doleantie op te gaan.

Oude foto van de Gereformeerde Kerk in Nieuwerkerk aan den IJssel of een illustratie die de Doleantie symboliseert.

De Weg naar de Doleantie in Nieuwerkerk aan den IJssel

In november 1886 werd in de hervormde gemeente van Nieuwerkerk aan den IJssel een kerkcollecte gehouden voor de Vrije Universiteit, gesticht door dr. A. Kuyper c.s. Dit duidde op groeiende sympathieën voor de Dolerende beweging.

De positie van de hervormde predikant ds. B.A. de Jong, die in maart 1887 naar de hervormde gemeente te Streefkerk vertrok, leidde tot onduidelijkheid over de opvolging. Er waren maar liefst negen beroepen nodig om een opvolger te vinden, wat vragen opriep over mogelijke Dolerende sympathieën binnen de Nieuwerkerkse kerkenraad.

De hervormde kerkenraad van Nieuwerkerk aan den IJssel nodigde zelfs predikanten van Christelijke Gereformeerde Gemeenten - afkomstig uit de Afscheiding van 1834 - uit om voor te gaan in ‘weekdiensten’. Dit was ongebruikelijk voor een hervormde gemeente.

Velen binnen de hervormde kerk voelden een groeiende weerzin tegen de ‘synodale hiërarchie’ en het Algemeen Reglement. De synodale hiërarchie, met de synode aan de knoppen, werd als problematisch ervaren.

Een ander probleem ontstond in 1887 toen ds. J.A.F. Van der Meer van Kuffeler uit Moordrecht de kerkenraad van Nieuwerkerk aan den IJssel verzocht om een bewijs van goed zedelijk gedrag (een attestatie) van enkele vrijzinnige jongelui. Deze jongelui behoorden weliswaar tot de hervormde gemeente van Nieuwerkerk, maar wilden belijdenis doen in Moordrecht. De kerkenraad kon dit niet verlenen, omdat de betreffende personen in Nieuwerkerk zelden de kerk bezochten en zich op zondag in de kroeg ophielden.

Voorzanger en voorlezer A.J. Fijan, hoofd van de openbare school, weigerde zijn ambtelijke bezigheden te vervullen als er een christelijke gereformeerde predikant voor zou gaan. Dit illustreert de spanningen binnen de gemeente.

Op 6 januari 1889 deed ds. J.C. de Mol Moncourt (1856-1915) van Vriezenveen intrede in de hervormde gemeente van Nieuwerkerk. Hij hoopte hier rust te vinden voor zijn geschokte zenuwgestel. De kerkenraad had hem ongetwijfeld gevraagd naar zijn sympathieën alvorens hem te beroepen, en deze stemden overeen met de wensen van de kerkenraad.

Het verslag van de eerste kerkenraadsvergadering die ds. De Mol Moncourt bijwoonde, werd opende met het opschrift ‘Notulen van de kerkenraad der Nederduitsche Gereformeerde Kerk’, de benaming die de Dolerenden gebruikten. De kerkenraad besloot bovendien geen kinderen te dopen van ouders die geen belijdenis hadden gedaan, tenzij een belijdend lid als doopgetuige zou worden aangewezen.

Schematische weergave van de kerkelijke hiërarchie vóór en na de Doleantie.

Conflicten met de Classis en de Vestiging van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk

Na verloop van tijd werden de classispredikanten zich bewust van de ontwikkelingen in Nieuwerkerk aan den IJssel. De hervormde kerk in Nederland werd beroerd door het ontstaan van vele Dolerende Kerken.

In reactie op een vraag van de classis, antwoordde de Nieuwerkerkse kerkenraad dat zij zich niet hielden aan de kerkelijke belijdenis. De kerkenraad van Moordrecht liet kinderen dopen van ouders zonder belijdenis, zonder doopgetuige, en liet personen belijdenis doen die ‘de heiligste grondwaarheden onzer christelijke kerk in lichtzinnigheid loochenen’. Dit verwees naar de situatie rond het attest van leden uit Nieuwerkerk aan den IJssel dat door ds. Van der Meer van Kuffeler werd aangevraagd.

De classis reageerde volgens de kerkenraad onvoldoende duidelijk. Op 1 april 1889 schreef de kerkenraad een stevige brief, waarin werd gesteld: “Zonder twijfel blijven wij het een gruwel, een bewijs van onzedelijken moed noemen, wanneer een kerkeraad een persoon van wien hij geen bewijs heeft, dat hij weet wat hij doet, de doopvragen laat beantwoorden”.

In dezelfde maand deed opnieuw een jongeman uit Nieuwerkerk aan den IJssel belijdenis in Moordrecht, die kort daarvoor aan een Nieuwerkerks kerkenraadslid verklaard had zich niets aan te trekken van “de heiligste grondwaarheden van de belijdenis der kerk”.

Tijdens de kerkenraadsvergadering van 30 oktober 1889 uitten enkele broeders hun zorg over het kwijnende kerkelijk leven in Nieuwerkerk aan den IJssel. Zij schreven dit toe aan het verwerpen van “den Zone Gods, onzen Heere Jezus Christus, als Koning en Gebieder der Kerk” en aan “het ongeloof jegens Gods onfeilbaar Woord, onzen Bijbel”.

Op 5 november 1889 nam de kerkenraad een besluit:

  • a. te breken met de synodale organisatie van 1816 en de Synodale hiërarchie af te werpen, krachtens hetzelfde recht waarmee in de 16e eeuw de Pauselijke hiërarchie werd afgeworpen;
  • b. de Kerkorde die voor 1816 gold, weer kracht en geldigheid te verlenen;
  • c. van dit besluit kennis te geven aan Z.M. den Koning, aan den Burgemeester en aan de Kerkvoogden alhier.

Dit besluit was geheel in lijn met de aanbevelingen van het Gereformeerd Kerkelijk Congres. Ds. De Mol Moncourt en de ouderlingen L. Karreman en L. van Rijkswijk ondertekenden het besluit.

Op zondag 24 november kondigde ds. De Mol Moncourt het besluit van de kansel af. Zo werd in Nieuwerkerk aan den IJssel de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) gevestigd. Diaken Van Dool en ouderling Van Tilburg onttrokken zich aan dit besluit.

De kerkelijke besturen reageerden onmiddellijk met een afzettingsbul op het bericht van de kerkenraad dat men in Doleantie ging.

Uitdagingen en Verder Ontwikkelingen

Een gemeentelid bood aan een deel van zijn woning te ontruimen ten behoeve van het predikantsgezin. Echter, de gezondheidstoestand van ds. De Mol Moncourt, die leed aan zenuwzwakte, verslechterde door de omstandigheden. Hij kreeg soms epileptische toevallen op de preekstoel.

Op advies van zijn arts wilde ds. De Mol Moncourt enige rust nemen en vertrok naar Zeist. De kerkenraad eiste echter dat hij zou terugkeren naar Nieuwerkerk aan den IJssel. Toen hij hier geen gehoor aan gaf, werd besloten hem in zijn ambt te schorsen. Dit besluit werd in De Heraut (het kerkelijk weekblad van dr. A. Kuyper) gepubliceerd.

De Dolerende classis Gouda maakte op 4 september 1890 de schorsing ongedaan. Op grond van zijn ziekte werd aan de predikant eervol emeritaat verleend. Een bevriende predikant uit de classis Gouda vroeg toestemming om het emeritaatsgeld, bijeengebracht door giften, aan de predikant uit te betalen, maar de kerkenraad gaf hiervoor geen toestemming. De betreffende predikant voerde zijn plannen echter op eigen houtje uit, zodat het emeritaatsgeld werd overhandigd aan ds. De Mol Moncourt.

Dr. A. Kuyper gaf in De Heraut kritisch commentaar op de gang van zaken en concludeerde dat elke kerkenraad voor zaken die de positie van de Dienaar des Woords raken, het advies en oordeel van de classis moet inwinnen.

Hoewel ds. De Mol Moncourt zoveel mogelijk buiten deze troebelen werd gehouden, was het voor hem een pijnlijke zaak. Hij verloor echter zijn christelijk optimisme niet en kon berekenen dat hij onder de synodale organisatie minder zou hebben ontvangen.

De predikant woonde enige jaren in Zeist, maar zijn genezing vorderde niet. Tijdens zijn verblijf daar getuigde hij van zijn geloof, vertroostte anderen en wees hen op de Zaligmaker. Hoewel de burgerlijke gemeentes Zevenhuizen, Moerkapelle, Nieuwerkerk a/d IJssel en Moordrecht fuseerden tot de gemeente Zuidplas, bleven de kerkelijke grenzen ongewijzigd.

De Hervormde gemeente te Zevenhuizen bestaat uit twee wijkgemeenten: ‘Dorp en Oud Verlaat’ met de Dorpskerk en de Kapel in Oud Verlaat, en de wijk ‘Kerk in Nesselande’ die sinds 2003 onder de zorg van een eigen wijkkerkenraad valt.

De Hervormde Gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel is onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). De gemeente beschikt over een multifunctioneel kerkgebouw genaamd Kerkelijk Centrum aan de J.A. Beijerinkstraat 53.

Nieuwerkerk (Zeeuws: Nieuwerkaarke) is een dorp in de Zeeuwse gemeente Schouwen-Duiveland. Het dorp had op 1 januari 2023 een bevolking van 2.765 inwoners en is een kerkringdorp dat in de 12e eeuw ontstond als afsplitsing van de parochie Ouwerkerk.

De NH kerk in Nieuwerkerk (Zeeuws) stamt uit de 15e eeuw en is gewijd aan Sint Johannes de Evangelist. De zeskantige toren is identiek aan en gebouwd op de fundamenten van de oorspronkelijke toren, die in de Tweede Wereldoorlog verwoest is.

In Nieuwerkerk (Zeeuws) staat een naamloze korenmolen uit 1844, bekend als de Nieuwerkerkse molen. In de buurt ligt een oude kreek genaamd De Steenzwaan.

De Protestantse Gemeente te Nieuwerkerk aan den IJssel is in mei 2007 ontstaan uit de Hervormde Gemeente de Bron en de Gereformeerde Kerk (Ontmoetingscentrum). De gemeente gelooft dat God ons in Jezus Christus nabij gekomen is en streeft naar rechtvaardigheid, vrede en duurzaamheid.

Nieuwerkerk aan den IJssel is een plaats in de gemeente Zuidplas, gelegen op de westelijke oever van de Hollandsche IJssel. Tot 1 januari 2010 was het een zelfstandige gemeente met 22.258 inwoners. De plaats is praktisch vastgegroeid aan Capelle aan den IJssel.

Nieuwerkerk aan den IJssel ontstond rond het jaar 1250. De eerste vermelding van Nuwekerke dateert uit 1282. Het oudst bekende document waarin Nieuwerkerk staat vermeld, is van 22 januari 1317.

De naam van de gemeente ontstond omdat de kerk nieuwer was dan die in Ouderkerk aan den IJssel. Door het eeuwenlang delven van veen voor turf, werd Nieuwerkerk in de 19e eeuw een schiereiland.

De dominante baksteenindustrie langs de Hollandsche IJssel zorgde voor de ontwikkeling van buurtschappen als Klein Hitland en Ver-Hitland. De ijsselsteenfabriek op Klein Hitland sloot als laatste in 1964.

De drooglegging van de Zuidplas in 1839 en de Prins Alexanderpolder rond 1866 hadden invloed op het landschap en de bebouwing.

De komst van de spoorlijn tussen Rotterdam en Gouda in 1855 verbeterde de bereikbaarheid van het dorp en stimuleerde de economie. De spoorlijn over de spoordijk, die nu de bebouwing van Nieuwerkerk in tweeën verdeelt, verbindt Utrecht CS direct met Rotterdam CS.

Tijdens de watersnood van 1 februari 1953 ontstond een gat in de Groenendijk, dat met behulp van een schip werd gedicht.

De groei van het aantal forensen leidde tot de bouw van nieuwe woningwijken zoals de Oranjebuurt en Dorrestein. De wijk Zuidplas kreeg in de jaren 1980 een nieuw centrum met een sporthal en een winkelcentrum.

Nieuwerkerk aan den IJssel heeft een treinstation en bushaltes. De plaats ligt ten zuidoosten van de snelweg A20.

De Ned. Herv. Kerk in Nieuwerkerk aan den IJssel is een eenbeukige laat-gotische dorpskerk uit de eerste helft van de 16e eeuw met een driezijdige koorsluiting en een houten tongewelf. De slanke toren stamt uit de eerste helft van de 11e eeuw.

Tot de inventaris behoren een 17e-eeuwse eikenhouten preekstoel, een doophek, een voorzangerslezenaar, twee 17e-eeuwse banken en drie koperen kaarsenkronen. In de consistoriekamer bevindt zich een marmeren Lodewijk XV-schouw met een schilderstuk dat een gezicht op het dorp Nieuwerkerk in de 18e eeuw voorstelt.

Het kerkorgel, oorspronkelijk uit 1770, werd in 1852 uitgebreid en in 1891 overgeplaatst naar Nieuwerkerk. Een klokkenstoel met een 17e-eeuwse klok is eveneens aanwezig.

De kerk en toren werden gerestaureerd in 1927-1928. In 2014-2015 werd de kerk opnieuw gerestaureerd, waarbij de leien en dakgoten werden vervangen en een deel van het metselwerk hersteld.

Op 3 februari 1945 werd de zeshoekige kerktoren opgeblazen door de Duitse bezetter. In 1975 werd de toren gereconstrueerd en op 9 maart 1976 opnieuw in dienst genomen.

Het interieur van de kerk is strak en sober, met langs de muren herenbanken en in het midden eiken stoelen. De preekstoel dateert uit de 17e eeuw.

Een eerste kerkorgel werd op 16 november 1902 in gebruik genomen. Na de watersnoodramp in 1953 raakte dit orgel onbespeelbaar. In 1956 bouwde W. van Leeuwen een nieuw orgel, waarbij de oude orgelkas mogelijk hergebruikt werd.

Het kerkgebouw is een gemeentelijk monument. Het exterieur moet ongewijzigd blijven, maar de consistoriekamer aan de achterkant mocht worden uitgebreid.

In 2019 kreeg de hele kerk nieuwe banken en werd de elektrische verwarming vervangen door een luchtbehandelingskast met warmtepomp. Vervanging van het Sloofforgel uit 1970 werd uitgesteld, maar een orgel van S. de Wit & Zn. werd geplaatst.

Het boek van H. Hille beschrijft het wel en wee van de gemeente in de achterliggende eeuw.

Ds. G.H. Kersten nam de kerk op 8 november 1927 in gebruik.

Op zondagen met leesdiensten leiden de ouderlingen Muit en Den Toom beide een dienst. Zij catechiseren ook en gaan met een diaken op huisbezoek.

De geschiedenis van de religie in Twente

tags: #hervormd #centrum #nieuwerkerk