Geschiedenis van de Hervormde Gemeente Nieuw-Loosdrecht en Oud-Loosdrecht

Het Einde van een Tijdperk in Oud-Loosdrecht

In de consistorie van de kerk in Oud-Loosdrecht blikt ds. A. van Duinen terug op een emotionele dienst. „Het deed wel wat toen de kanselbijbel en het avondmaalsstel de kerk werden uitgedragen. En hoe het doopbekken de kerk verliet, gedragen door een zesjarig meisje, de laatste dopelinge.”

Ds. Van Duinen preekte die zondag over Handelingen 27. Paulus is op weg naar Rome. Het schip waarop hij aan boord is, dreigt schipbreuk te lijden. Paulus wil dat de bemanningsleden eerst voedsel tot zich nemen. Ze zouden wel schipbreuk lijden, maar toch allemaal veilig aan land komen. „Veilig, door de storm heen”, aldus de predikant.

Na afloop van de dienst werd naast de ingang van de kerk een gedenksteen onthuld met de tekst: ”1330-2019 - Eeuwenlang is de gemeente hier in geloof bijeengekomen. Gods Woord houdt eeuwig stand”.

Gedenksteen bij de kerk in Oud-Loosdrecht

Samenvoeging van Gemeenten

De gemeente van Oud-Loosdrecht was klein geworden en vergrijsd. Van de 300 leden bezochten er nog ongeveer 30 de zondagse eredienst. Toen de gemeente in 2013 op ds. Van Duinen een beroep uitbracht, werd hem gevraagd samenwerking te zoeken met de gemeente van Nieuw-Loosdrecht. „Echte samenwerking was er niet, behalve een gezamenlijk dauwtrappen”, zegt hij. „In geestelijke verbondenheid zijn we naar de samenvoeging toegegroeid. Ik ben dankbaar dat het proces zo goed is verlopen en heb dit als een zegen ervaren.”

De gemeente van Nieuw-Loosdrecht telt nu twee predikanten: ds. A. van Duinen en ds. M. Roelofse. De zondag na de laatste dienst in Oud-Loosdrecht preekten beiden in de Sijpekerk van Nieuw-Loosdrecht. Ds. Van Duinen vanuit Handelingen 28: Paulus, op weg naar Rome, ziet hoe de broeders hem al tegemoetkomen. De apostel dankt daarvoor en vat moed. Ds. Roelofse sprak naar aanleiding van het slot van Handelingen 28: Paulus verkondigt vrijmoedig en zonder beletsel het Evangelie. „Dat was zo in Oud-Loosdrecht en nu mag het gezamenlijk in Nieuw-Loosdrecht ook gebeuren”, zegt ds. Van Duinen.

Geschiedenis van de Hervormde Gemeente Oud-Loosdrecht

De kerkgeschiedenis van Oud-Loosdrecht dateert van omstreeks 1330. De hervorming van Oud-Loosdrecht vond plaats op 15 mei 1578, toen pastoor Nicolaas Jacobsz. Tol overging tot de ”Nye leere”. Daarvóór werd hij al verdacht van ‘ketterse’ ideeën. In de morgendienst van 15 mei vertelde hij zijn parochianen dat hij was overgegaan tot de nieuwe leer. ’s Morgens was hij nog pastoor, ’s avonds dominee.

In 1842 werd de in slechte staat verkerende oude kerk afgebroken. Op dezelfde plek verrees twee jaar later het huidige godshuis. De bouw werd mogelijk gemaakt door een gift van koning Willem II. Na een restauratie van het bedehuis in 1966 werden meubilair en preekstoel gekocht van de niet meer in gebruik zijnde kerk van Nij Beets. Pas in 1920 kreeg de kerk een orgel, gebouwd door de Dordtse firma Spiering. In 1969 werd het vervangen door een Flaes-orgel uit 1867, afkomstig uit de hervormde kerk te Barsingerhorn.

Wat er met de kerk in Oud-Loosdrecht, een rijksmonument, gaat gebeuren nu er geen diensten meer worden gehouden, is niet bekend. Ds. Van Duinen hoopt dat het gebouw bijvoorbeeld een culturele bestemming krijgt.

De gemeente van Oud-Loosdrecht heeft veel zorg gedragen voor weduwen en wezen. Daarvan getuigt in de kerk een bord uit 1793 waarop vermeld wordt dat „de weesmeesters” tijd noch moeite hebben gespaard voor „weew en weez.”

Interieur van de kerk in Oud-Loosdrecht

Porselein uit Loosdrecht

Joannes de Mol heeft als predikant geschiedenis gemaakt in Oud-Loosdrecht. Begaan met het lot van de armen begon hij in 1774 een porseleinfabriek, pal naast de pastorie. Hij trok buitenlandse werknemers aan die lokale arbeiders opleidden in de porseleinproductie. Tot 1784 leverde de fabriek een grote variatie aan voorwerpen. In zijn glorietijd had ds. De Mol zo’n zestig man in dienst. Door de hoge productiekosten, de concurrentie, een te klein afzetgebied en het feit dat hij geen zakenman was, ging de fabriek failliet.

De Ontstaansgeschiedenis van de Gereformeerde Kerk in Nieuw-Loosdrecht

De Gereformeerde Kerk in het Noord-Hollandse Nieuw-Loosdrecht werd op 22 maart 1888 geïnstitueerd als Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Nieuw-Loosdrecht. Om dit te begrijpen, moeten we eerst drieënvijftig jaar terug in de geschiedenis, naar juli 1835, toen de eerste personen in het naburige Oud-Loosdrecht zich hadden afgescheiden van de Nederlandse Hervormde Kerk.

De Afscheiding in Oud-Loosdrecht

Op 23 oktober 1835 was in Oud-Loosdrecht door ds. H.P. ... de Afscheiding. In 1839 ontstond in de kleine gemeente van Oud-Loosdrecht echter onenigheid. Eind 1849 werd een deel van die gemeente opnieuw geïnstitueerd als ‘gemeente Ruth Groen’, die daar een leidende positie vervulde. Kort daarna, op 20 januari 1850, kwam in het dorp bovendien de ‘gemeente H. Karsemeijer’ tot stand, geïnstitueerd door ds. J.H. Donner sr. (1824-1903) van Ommeren en Tiel. Zo bestonden in Oud-Loosdrecht van 1850 tot 1869 twee Christelijke Afgescheidene Gemeenten. Sindsdien werden enkele pogingen ondernomen de beide groepen te verenigen, maar de ‘gemeente Ruth Groen’ raakte in verval. Om het tij te keren werd in 1856 in die gemeente een nieuwe kerkenraad bevestigd, die echter enkele jaren lang geen afgevaardigden naar de meerdere vergaderingen zond. Tenslotte werd de ‘gemeente Ruth Groen’ door de classis Utrecht opgeheven. De meeste belijdende leden van die gemeente - een stuk of vijfentwintig - voegden zich toen bij de ‘gemeente Karsemeijer’.

De Doleantie in Nieuw-Loosdrecht

We richten nu onze blik op wat in de jaren ’80 van de negentiende eeuw in het nabijgelegen Nieuw-Loosdrecht gebeurde. Daar was de Afscheiding weliswaar voorbij gegaan, maar ondertussen was in de landelijke hervormde kerk desondanks al lange tijd een strijd gaande ‘voor kerkherstel’. Her en der in het land ontstonden activiteiten om - kort gezegd - de toenemende vrijzinnigheid in de kerk te bestrijden en de macht van de synode te beperken, die aan de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten te kort deed. Dit alles was volgens velen het gevolg van het in 1816 door de overheid ingevoerde Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde kerk. De strijd liep op vele plaatsen in 1886 en volgende jaren uit op een kerkscheuring, die we de Doleantie zijn gaan noemen. De eerste gemeente die zich van de hervormde kerk losmaakte was die van Kootwijk, andere volgden, en op 16 december 1886 ontstond zelfs in Amsterdam een Doleantiekerk.

Ook in Nieuw-Loosdrecht had men de kerkelijke strijd gevolgd. Dr. Kuyper had daarvan jarenlang verslag gedaan in zijn kerkelijk weekblad ‘De Heraut’. Jacob Floor, aannemer Gerrit Pos en smid Jasper Daams bezochten dat Congres ook, en samen met 1.500 andere hervormde verontruste kerkenraadsleden en gemeenteleden beraadslaagden zij in Amsterdam over de afschaffing van de ‘synodale hiërarchie’ en van het Algemeen Reglement, en het ‘wederom kracht en geldigheid verlenen’ aan de Dordtse Kerkorde, die met haar ‘gereformeerde kerkregering’ aan de plaatselijke gemeenten veel meer zelfstandigheid bood. Wilde men het Congres bijwonen, dan diende men bij de ingang een schriftelijke verklaring te ondertekenen dat de bezoeker ‘de reformatie der kerk plichtmatig’ achtte. Met de ‘reformatie der kerk’ werd bedoeld: de afschaffing van het Algemeen Reglement en daarmee van de synodale hiërarchie, en de herinvoering van de Dordtse Kerkorde.

De belangrijkste reden waarom men in Nieuw-Loosdrecht besloot in Doleantie te gaan was de synodale hiërarchie, waarmee bedoeld werd de grote macht van de Algemene Synode, die weinig of niets deed tegen de in de kerk oprukkende vrijzinnigheid en die haar eigen heerschappij in stand wilde houden. Daarover schreef een aantal gemeenteleden tot tweemaal toe een brief aan de kerkenraad en aan de predikant, ds. H.W. Eigeman, die van 1876 tot 1897 hervormd predikant in Nieuw-Loosdrecht was. Zowel het eerste als het tweede schrijven ontmoette in de kerkenraad geen steun. Beide keren werd de briefschrijvers meegedeeld dat de kerkenraad ‘de reformatie der kerk’ niet ter hand zou nemen.

Illustratie van een 19e-eeuwse kerkdienst

De oprichting van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk

De kleine ‘gemeente’ hield haar kerkdiensten in het vervolg in een stal, het achterhuis van Jacob Floor, aan de Nieuwe Loosdrechtsedijk 122. Daar werden al langer op dinsdagavond ‘oefeningen’ gehouden, die steeds drukker bezocht werden. Uiteindelijk besloot men de bijeenkomsten op zondag te houden. Door de te beperkte ruimte in de schuur van Jacob Floor werd al snel overgegaan naar de stal van de boerderij van Jan Floor; dat onderkomen werd door de kerkgangers ‘Het lokaal’ genoemd. Daar werd de eerste dienst gehouden op 18 september 1887. Vooral in de winter was het er echter koud, al stookte men ook nog zo hard.

Op 1 maart 1888 kwam ds. M.J. Bouman (1827-1904) uit Amersfoort naar Nieuw-Loosdrecht om leiding te geven aan de verkiezing van ambtsdragers. Vijftien hervormde stemgerechtigde gemeenteleden kwamen daar bijeen, die Jacob Floor en Arie van Altena tot ouderlingen kozen; beiden ‘hadden de gave van het woord en waren goed onderlegd’. Piet Dolman en Jasper Daams werden als diakenen gekozen. Dat gebeurde op donderdag 22 maart 1888, toen ds. Bouman de vier broeders in het ambt bevestigde, waarmee de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) geïnstitueerd was. De kerk telde op dat moment eenenveertig leden, twintig mannen en eenentwintig vrouwen. Van de verkiezing werd bericht gedaan aan de koning, aan de burgemeester en aan de kerkenraad van de hervormde gemeente. De overheid berichtte al gauw, dat de kerk niet zou worden erkend.

Het Congres had daarom aan de plaatselijke Dolerende Kerken geadviseerd een Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ op te richten. Al zouden de kerken zelf niet erkend worden, de verenigingen zouden die erkenning wél ontvangen. Ook in Nieuw-Loosdrecht werd De Kerkelijke Kas dus opgericht, namelijk op 27 juni 1888, opnieuw onder leiding van ds. Bouman van Amersfoort. Het verenigingsbestuur werd gekozen, bestaande uit de broeders J. Daams, G. Pos, H. Veldhuizen, J. Kroon en E. Aalberts. En inderdaad kwam de koninklijke goedkeuring al snel: op 11 juli 1888.

De bouw van de kerk

Op 28 april 1888 werd de eerste kerkenraadsvergadering gehouden, met Jacob Floor als preses. Piet Dolman was scriba. De jongens van de catechisatie hadden als geschenk bij Dolman ‘zes keurige kerkbijbels’ bezorgd; de catechisaties werden door dertig jongelui bezocht, de jongens en de meisjes zorgvuldig gescheiden. Er kwamen nog andere geschenken: Jasper Daams zorgde voor een Statenbijbel op de kansel en Dirk van Iperen gaf een bijbel voor de voorlezerslessenaar. Weer een paar weken later kwam Daams aanzetten met een ‘zeer net bewerkt koperen doopbekken’ op een gekrulde standaard. De vrouwen bleven ook niet achter: zij zorgden voor een avondmaalstafel, met de nodige tafelkleden, ‘een zeer net en keurig geschenk, hetwelk door de vrouwen die met de reformatie waren meegegaan als blijk van liefde en tot gedachtenis gegeven is’.

Het nog beperkte aantal Dolerende predikanten zorgde ervoor dat de eerste avondmaalsviering pas op Tweede Pinksterdag 1889 kon plaatsvinden. Ook ’s zondags was er meestal geen predikant beschikbaar, zodat een ouderling preken las. Het lokaal, de stal van Jan Floor, was vooral in de winter een onaangenaam onderkomen. Eigenlijk zou het lokaal op allerlei manieren flink moeten worden geïsoleerd om tocht en kou buiten te houden. Aannemer Pos bracht als eerste het denkbeeld van de bouw van een nieuwe kerk ter sprake. Dolman had in het centrum van het dorp, overigens vlak bij ’het lokaal’, een stuk grond, dat hij aan de kerkenraad aanbood. De bouw van een kerk zou echter nog zo’n fl. 2.000 kosten, waarvoor een maandelijkse collecte ingesteld werd.

De gemeentevergadering besloot op 13 augustus 1888 inderdaad te gaan bouwen, maar met ‘eigen’ mensen, namelijk Daams en Pos, die de materialen tegen kostprijs aanboden, als de overige leden ze tenminste wilden overbrengen naar het bouwterrein. Besloten werd de kerk te bouwen aan de straatkant in de grote tuin. Er zouden 160 zitplaatsen in de kerk komen. Om op de tegenvallende kosten (fl. 2.200) te kunnen bezuinigen werd door Pos een kijkje genomen in Haastrecht, waar voor fl. 1.700 een kerk gebouwd was met maar liefst 200 zitplaatsen. Pos was teleurgesteld toen hij dat ‘lief en net, maar bekrompen’ kerkgebouwtje zag. Toen was men het direct eens over de voortgang met de eigen plannen. Enthousiast werd begonnen met de inzameling van het benodigde geld. En als klap op de vuurpijl was een anoniem lid van de gemeente bereid een lening van fl. 1.900 te verstrekken tegen 4% rente.

Er moest hard worden gewerkt om de winter vóór te zijn. Dat was tegen het zere been van sommige dorpsbewoners die niet met de Doleantie waren meegegaan en spotdichten op de ‘dolle honden’ maakten. Desondanks werkten de bouwlieden tot diep in de duistere avond door. Schilder Bolderheij wilde het verven ‘zo goedkoop doen, dat men elders nooit goedkoper terecht zou kunnen’. Weduwe Veraar werd alvast tot kosteres benoemd.

Nadat op 18 december 1888 de zitplaatsen verloot waren (het kerkegeld moest ergens vandaan komen) kon de kerk op 20 december in gebruik genomen worden. Consulent ds. ... De kerk en de kerkenraadskamer werden vanaf het begin druk gebruikt, ook voor vergaderingen. ’s Winters zou elke donderdagavond ‘godsdienst gehouden worden’, maar men moest zich dan behelpen met ‘preeklezen’ door een ouderling, omdat meestal geen dominees beschikbaar waren, overigens net zo min als ’s zondags. Na enige discussie werden ook christelijke gereformeerden uit Nieuw-Loosdrecht toegelaten. De gemeente groeide. Daarom werd eind 1890 een derde ouderling benoemd en een tweede diaken. Maar er was nog geen dominee. Met de pas aangetreden dr. Ds. N.A. Gelukkig kon ds. N.A. de Gaay Fortman (1845-1927) uit Amsterdam in 1893 een keer komen, en ds. ...

De Sijpekerk: Een Historisch Monument

De Sijpekerk is een 15e-eeuwse kerk in Nieuw-Loosdrecht en het oudst overgebleven gebouw van Loosdrecht. In 1332 werd Loosdrecht een zelfstandige parochie genoemd. De pastoor aldaar bediende ook een kleine kapel in de aangrenzende buurtschap Sijp. In 1400 gaf de bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim gehoor aan de pastoor Wouter van Mijnden om Sijp te splitsen van deze parochie. Een belangrijke reden voor deze splitsing was dat de parochie in de winter moeilijk bereikbaar was vanaf Sijp en vice versa.

De kapel werd tot zelfstandige parochiekerk verheven en onder bescherming van apostel Paulus en de heiligen Antonius de Belijder en Paus Cornelius gesteld. Vanaf dat moment sprak men van de nieuwe en oude kerk te Loosdrecht. De uitbouw van de kapel tot pseudobasiliek vond in de eerste helft van de 15e eeuw plaats. Het vermoeden bestaat dat het huidige koor aan de oostkant van de kerk die kapel was. De huidige kerktoren werd pas in de tweede helft van de 15e eeuw gebouwd. De toren is een typische Utrechtse dorptoren, geïnspireerd door de Dom van Utrecht.

In het rampjaar 1672 werden de dorpen Oud- en Nieuw-Loosdrecht door de Fransen bezet. De grote klok van de Sijpekerk werd geroofd en kapotgeslagen. Restanten van deze klok werden in 1674 teruggevonden. In 1769 werd een tweede kleinere klok aangebracht. De Sijpekerk is meermaals door bliksem getroffen; vlak na 1900 sloeg bliksem twee gaten in de muren en op 7 mei 1910 stond de spits in brand. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is de toren gebruikt als standplaats voor Duits luchtafweergeschut. De klokken werden geroofd en naar een klokkengieterij te Heiligerlee gebracht.

De kerk onderging in 1962 een grote restauratie en werd vervolgens heringedeeld. De kleine klok die in de oorlog verloren was gegaan, werd het jaar daarop vervangen en op 30 augustus 1973 geplaatst.

De kerk is een rijksmonument. Ned. Herv. Kerk. Driebeukige kerk, 15e eeuw, met toren. Inwendig hout overwelfd. Inventaris. Klokkenstoel met klok van anonieme gieter, 1675, diam. 118,2 cm. Twee-klaviers mechanisch orgel met 19 registers, gemaakt door de firma Gebr. Franssen in 1889 voor de Gereformeerde Stationsstraatkerk te Zaandam en geplaatst in een bestaande orgelkas, vermoedelijk rond 1845 eveneens gemaakt door de firma Franssen.

De Sijpekerk in Nieuw-Loosdrecht

Oudere vermeldingen van Sijp

De oudste vermelding van Sijp (of Zijp) stamt uit 1298, waarin wordt gesproken over een akker, gelegen in Zijp, die toebehoorde aan ‘Aloudus van Loesdrecht’. In 1300 wordt gesproken van goederen gelegen in de 'villa Ter Sipe'. In de volksmond werd veelvuldig gewoon de Sijp (of Zijp) gebezigd.

tags: #hervormde #gemeente #nieuw #loosdrecht