Het Diaconie Jongensweeshuis, met name het Lutherse Diaconiehuis aan de Nieuwe Keizersgracht, kent een rijke geschiedenis die teruggaat tot de achttiende eeuw. In 1772 werd dit royale gebouw, ontworpen door Coenraad Hoeneker, in gebruik genomen dankzij een aanzienlijke erfenis. Oorspronkelijk diende het als onderkomen voor de Lutherse Diaconie. Na de vordering van het Lutherse weeshuis aan de Lauriergracht in 1811, vonden ook de wezen van die instelling onderdak in het Diaconiehuis.

Organisatorische Ontwikkelingen en Veranderingen
In 1851 onderging het bestuur een opsplitsing in twee aparte afdelingen: één voor het Weeshuis en één voor het Oude Mannen en Vrouwenhuis. De oudere bewoners verhuisden in 1967 naar het nieuwgebouwde Maarten Lutherhuis in Osdorp. Het oorspronkelijke Diaconiehuis aan de Nieuwe Keizersgracht werd omgedoopt tot 'Wittenberg'. Na een grondige verbouwing wordt het nu deels verhuurd voor short stay appartementen. Het bestuur van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis (OMVH) blijft echter verantwoordelijk voor De Wittenberg. Het OMVH is een erkende ANBI-instelling, en de ANBI-gegevens zijn op de betreffende pagina te vinden.
De Geschiedenis van het Hervormde Weeshuis aan de Amstel
Op de plek waar later het Diaconiehuis aan de Amstel kwam, bevond zich al sinds de zeventiende eeuw een weeshuis van de diaconie van de hervormde gemeente. Dit oorspronkelijke gebouw werd begin 1888 gesloopt om plaats te maken voor een nieuw pand. Dit nieuwe weeshuis was bestemd voor maximaal 200 'werkjongens': weesjongens die de lagere school hadden afgerond en overdag werkten.

Architectuur en Indeling van het Nieuwe Weeshuis
Architect Posthumus Meyjes, huisarchitect van de hervormde gemeente, ontwierp een gebouw met een rechthoekige plattegrond rond een binnenplaats. Op de begane grond bevonden zich functionele ruimtes zoals keukens, bergplaatsen en badplaatsen. De eerste verdieping bood onderdak aan de woning van de hoofdsuppoost, een grote eetzaal, drie 'conversatiezalen' voor verschillende leeftijdscategorieën, en andere ruimtes voor dagelijks gebruik. De jongeren waren ingedeeld in drie groepen op basis van leeftijd: 14 tot 16 jaar, 16 tot 18 jaar, en 18 tot 20 jaar. De slaapzalen bevonden zich op de tweede verdieping.
Locatie en Stedelijke Context
Het oude weeshuis had zijn ingang aan de Zwanenburgerstraat, een inmiddels verdwenen straat die door Joods Vlooienburg liep en ongeveer in het verlengde lag van de Staalstraat. Bij de bouw van het nieuwe weeshuis werd de kade langs de Amstel doorgetrokken om het gebouw heen. Tijdens de opening van het nieuwe pand hield regent J.P. een toespraak waarin hij, naar verluidt, de nadruk legde op de goede relatie met de Joodse gemeenschap, ondanks de religieuze verschillen.
Evolutie van de Weeszorg: Van Gezinsverpleging tot Nieuwe Bestemmingen
In 1904 stapte men voor deze categorie wezen over op 'gezinsverpleging', waarbij de wezen werden ondergebracht bij gezinnen. Hierdoor kwam het weeshuis leeg te staan en werd het tijdelijk verhuurd aan de provincie voor de verpleging van personen die men destijds krankzinnigen noemde. Later huisvestte het gebouw diverse gemeentelijke diensten, waaronder het hoofdkantoor van de gemeentelijke distributiedienst in de jaren '40. Het adres, oorspronkelijk Amstel 29A, kende in de negentiende eeuw een nummering die begon bij de Kloveniersburgwal.

Rol van de Diaconie in de Joodse Opvang en Oorlogsjaren
De Diaconie van de Hervormde gemeente in Den Haag speelde een rol in de opvang van Joodse vluchtelingen vóór de Tweede Wereldoorlog. Na het bombardement op Rotterdam verzorgde de diaconie vluchtelingenkinderen uit die stad. Op 12 januari 1942 werd het weeshuis gevorderd voor de huisvesting van de Nederlandse Rijksrecherchedienst, waarbij de kinderen elders in Den Haag werden ondergebracht.
Het Gereformeerde Diaconie Oude Mannen en Vrouwenhuis aan de Amstel
Het gereformeerde Diaconie Oude Mannen en Vrouwenhuis, gevestigd aan de Amstel (Amstelhof) sinds 1682, is een ander belangrijk onderdeel van de sociale zorggeschiedenis. Sinds omstreeks 1600 kende Nederland een religieus pluriforme armenzorg. Na de opstand tegen Spanje verloor het rooms-katholieke geloof zijn monopolie, maar de protestantse gereformeerde kerk kreeg een bevoorrechte status, hoewel andere geloofsovertuigingen niet verboden of vervolgd werden.
Pluriformiteit in Sociale Zorg en de Rol van Kerkgenootschappen
Deze nieuwe religieuze pluriformiteit leidde tot een divers scala aan sociale zorginstellingen, waaronder weeshuizen en woonvoorzieningen voor ouderen. De gereformeerde diaconie streefde naar onafhankelijkheid in de armenzorg, mede om protestantse vluchtelingen te kunnen ondersteunen en niet aan de overheid verantwoording te hoeven afleggen. Diakenen zorgden voor de armen, beheerden fondsen en deden huisbezoeken. De katholieke gemeenschap handhaafde zich als minderheid, en vanaf omstreeks 1640 functioneerde er weer een katholiek Armenkantoor in Amsterdam. Daarnaast boden kerkgenootschappen zoals de Doopsgezinde Broederschap, de Remonstrantse Broederschap en de Evangelisch-Lutherse kerk eigen voorzieningen. Lutherse diakenen bekommerden zich om immigranten uit Duitsland en Scandinavië, de Waalse kerk om vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk, en de Engelse kerk om Engelssprekende migranten.

Joodse Gemeenschappen en Hun Zorginstellingen
Vanaf circa 1590 vestigden zich Joden uit Portugal, Spanje en later Midden- en Oost-Europa in de Nederlandse republiek, met name in Amsterdam. Zij vormden aparte gemeenschappen met eigen instellingen voor zorg, waaronder weeskinderen. Een voorbeeld hiervan is Bikoer Choliem, opgericht in 1609, gericht op het helpen van behoeftigen, ziekenzorg en het begraven van doden.
De Verzuilde Armenzorg in de Zeventiende Eeuw
De armenzorg in de zeventiende eeuw was georganiseerd op een manier die doet denken aan de verzuiling in de twintigste eeuw. Gereformeerde, rooms-katholieke, Lutherse, doopsgezinde, remonstrantse, Waalse, Engelse en Joodse gemeenschappen hadden elk hun eigen armenzorg en weeshuizen. Deze functioneerden naast - en soms in samenwerking met - de stedelijke of wijkgebonden armvoogdij en talloze andere stichtingen. Dit religieuze pluralisme, gecombineerd met economische welvaart en burgertrots, droeg bij aan de bloeiende armenzorg in de republiek. De concurrentie tussen de verschillende kerkgenootschappen stimuleerde de liefdadigheid, wat resulteerde in de oprichting van talrijke instellingen voor sociale zorg.
De Diaconie als Maatschappelijke Organisatie: Van Kerkelijk Ambt tot Publieke Dienst
De Diaconie vervult al sinds 1578 een cruciale rol in Amsterdam, voortgekomen uit de Hervormde kerk. Zij was verantwoordelijk voor het 'maatschappelijk werk', waaronder zorg voor armen, wezen en ouderen. Vóór de zestiende eeuw was armenzorg voornamelijk een zaak van individuele christenen en kloosterorden. De kerk begon echter steeds meer nadruk te leggen op haar maatschappelijke aanwezigheid, aangezien het helpen van armen als een essentieel onderdeel van godsdienstoefening werd beschouwd.
De Rol van Diakenen en Financiële Middelen
Het kerkelijk 'ambt' van Diaken, wat 'dienaar' betekent in het Grieks, werd in de zeventiende eeuw steeds belangrijker. Er waren twee soorten diakenen: de ene groep zorgde voor zieken, gevangenen en vreemdelingen, en bood 'troost'. De andere groep hield zich bezig met het verzamelen, besteden en beheren van geld. Deze financiële middelen waren essentieel voor de bouw van tientallen grote panden verspreid over de stad, gefinancierd door rijke regentenfamilies zoals de familie Corver, waaraan het hoofdkantoor, het 'Corvershof', zijn naam dankt. Deze gebouwen dienden als verzorgingshuizen, weeshuizen en ziekenhuizen voor behoeftigen.
Overgang naar Publieke Armenzorg
In 1800 werd met een 'armenwet' de armenzorg een publieke dienst. Hoewel het idee dat de zorg volledig in handen van de kerk zou zijn, aanvankelijk weerstand opriep, behield de kerk haar positie lange tijd. Pas in 1963 nam de overheid officieel de verantwoordelijkheid over met de invoering van de Algemene Bijstandswet, wat een nieuw hoofdstuk markeerde voor de Diaconie.
Het Diaconiehuis aan de Nieuwe Keizersgracht: Bouw en Financiering
De bouw van een Diaconie Huis, bestemd voor bestedelingen en behoeftige ouderen, werd op 1 november 1768 besloten. Dit initiatief kwam mede voort uit de noodzaak om een regeling te treffen voor 'bestedelingen', kinderen van zeelieden die als half-wezen achterbleven. Erfenissen, zoals die van Johanna Maria Kromhuizen, maakten de bouw mogelijk, samen met andere schenkingen en legaten die ook het onderhoud bekostigden. Een commissie uit de diaconie nam de leiding over de werkzaamheden.
Samenwerking met het Stadsbestuur en Financiële Aspecten
De stad Amsterdam stelde een perceel ter beschikking en verzwaarde de bouw niet met accijnzen, wat dankbaar werd aanvaard. Het gebouw werd in december 1771 in gebruik genomen, met totale bouwkosten van fl. 229.000. De medewerking van het stadsbestuur werd vereeuwigd op een gedenkplaat boven de middendeur in de grote zaal, met het wapen van Amsterdam, de zwaan als symbool van Luther, een vrijheidshoed, een mercuriusstaf en een adelaar. De wapens van de vier burgemeesters werden eveneens aangebracht als symbolen van gezag.

Interieur en Bestuursstructuur
De toegangsdeur van de kerkzaal was versierd met houtsnijwerk, in plaats van gebeeldhouwd marmer. De regentenkamer bevatte een wapenbord in kleur dat een belangrijke schenking herinnerde. Het bestuurscollege bestond uit zes regenten (drie dienende en drie oud-diakenen) en vier regentessen. De zelfstandigheid van dit bestuur ten opzichte van de diaconie was beperkt, met name wat betreft de controle op de geldmiddelen en de subsidie. Er bestond een bepaling dat de gelden voor het Diaconie Huis uitsluitend voor dit doel mochten worden gebruikt, en dat suppoosten niet met een salaris van meer dan 100 gulden per jaar benoemd mochten worden. Om te voorkomen dat de regentessen een zelfstandig bestuur zouden vormen, werd een gezamenlijke vergadering van de Grote Diaconie Huis Vergadering ingesteld.
De Wittenberg: Van Weeshuis tot Short Stay Appartementen
In 1856 en 1876 werd het oorspronkelijke Lutherse Diaconiehuis uitgebreid in eclectische stijl, met een kenmerkende spitse hoek en gevels aan de Nieuwe Kerkstraat 159. Het bestuur van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis is tot op heden verantwoordelijk voor De Wittenberg. Het gebouw fungeerde ook als inspiratiebron; de regent Hedeman deed er in 1811 inspiratie op voor zijn toneelstuk 'Het Hemelbed'.
Verhuizing en Nieuwe Bestemming
In 1967 werd in Osdorp, bij de Sloterplas, een modern bejaardencentrum gebouwd, het Maarten Lutherhuis, waardoor de Wittenberg vrijkwam voor een nieuwe bestemming. Het gebouw bleek verouderd voor ouderenzorg en onderging restauratie en verbouwingen. Vanaf het 4e kwartaal 2017 wordt het gebouw gebruikt als Short Stay Appartementen, beheerd door de Britse firma Saco.

Indeling en Dagelijks Leven in het Weeshuis
Dankzij notities van regent Hedeman uit 1811 is er gedetailleerde informatie over de indeling en het dagelijks leven. Er was een aparte ingang voor wezen en bejaarden. Aan de voorzijde bevond zich de eetzaal, aan de achterkant de kinderkamer, bewaarschool en mannenslaapzaal. Op de begane grond waren tevens de kindermoeders, keuken, was- en provisiekelders, de broodkamer en het dodenhuis. De eerste verdieping omvatte naai- en breikamers, slaapzalen en dagverblijven voor ouderen. Op de tweede verdieping bevonden zich de slaapzalen voor de wezen, was-, strijk- en mangelkamers, de kleermakerswinkel en de gezelschapszaal voor weesmeisjes.
Opname en Opvoeding van Wezen
Aanvankelijk werden alleen eigen wezen opgenomen, die door regenten zelf konden worden aangenomen. Deze wezen moesten minimaal een aantal jaren als burger in Amsterdam hebben gewoond en lidmaat zijn geweest van de Evangelisch-Lutherse gemeente, en hun ouders mochten geen ondersteuning van de diaconie hebben genoten. Wezen die niet op deze manier konden worden geplaatst, werden door de diaconie bij particulieren uitbesteed. Dit systeem bleek echter niet succesvol, met klachten over slechte verzorging en opvoeding. Hierop besloot men deze groep alsnog in het Weeshuis op te nemen. De diaconie behield het recht om deze wezen weer uit het Weeshuis te nemen. Tot 1851 werden op deze wijze diaconie wezen opgenomen. Het aantal wezen nam aanzienlijk toe; in 1835 waren er ruim 160, na 1840 meer dan 200, en in 1861 overschreed het getal de 300. Naast de 2300 ouderen werden er in totaal 1348 wezen verzorgd.
Onderwijs en Beroepskeuze van de Weeskinderen
Naast het weeshuis bevonden zich drie klaslokalen waar verplicht 'onderrigt' werd gegeven. Er werden twee schoolmeesters aangesteld, één voor de jongens en één voor de meisjes. Jongens en meisjes van 6 tot 14 jaar zaten gescheiden in drie klassen, met lessen op alle dagen van de week, behalve op zaterdagmiddag. De lestijden waren van 9 tot 11 uur 's ochtends en van 14 tot 17 uur 's middags in de zomer, en van 14 tot 16 uur en van 18 tot 20 uur in de winter. Bij wangedrag werden strenge straffen toegepast, zoals acht dagen met het blok aan het been, geseling, of acht dagen op water en brood.
Een korte geschiedenis van de WIC (West-Indische Compagnie)
Beroepsopleiding voor Jongens en Meisjes
Na het doorlopen van de school werden weesjongens meestal als werkjongens bij ambachtslieden in de leer gedaan, met beroepen variërend van smid en timmerman tot instrumentenmakers, kantoorbediendes en boekbinders. Het verdiende geld ging naar het gesticht. Onhandelbare jongens werden vaak aan het leger of de zeevaart aangeboden. Voor meisjes was de beroepskeuze na een kortere schoolopleiding beperkter; zij verrichtten huishoudelijke werkzaamheden of werden naaister.
Leefomstandigheden en Kleding van de Weeskinderen
Uit notities van een regent blijkt dat de kinderen sliepen met twee of drie in 'krebben' (bedden) op de slaapzalen, met een matras, lakens en wollen dekens. De bedden werden eens per maand verschoond. De jongere kinderen gingen om half zeven naar bed, de oudere om tien uur 's avonds. Opstaan gebeurde om half zeven. Kleine kinderen kregen enige speeluren op de binnenplaats. Er was echter een tekort aan lichamelijke beweging buitenshuis, wat, volgens dokter Nieuwenhuis, in combinatie met zware maaltijden, niet ideaal was.
Kledingvoorschriften en Dagelijkse Maaltijden
Jongens kregen elke twee jaar een nieuwe rok van bruin laken met zwarte omslagen en tinnen knopen, en jaarlijks een nieuwe broek van bruin karsaai. Ze droegen een platte pet, zeemleren handschoenen en een zwart kapje op het haar. In de zomer werd een gesteven boord met strikje gedragen. Later werd de kleding minder streng. Het dagelijkse menu bestond onder andere uit rijstebrij, erwten, gort, bonen en pap, met boterhammen met kaas of boter. Op feestdagen was er extra eten, zoals paasbrood en eieren, of gebraden vlees met Pinksteren. Op Eerste Kerstdag werd witte broodpap geserveerd met kaas.

Misbruik en Bezuinigingen binnen het Weeshuis
De 'vaders en moeders' en suppoosten van het weeshuis aten niet samen met de kinderen om hun prestige te bewaren. Hoewel zij beweerden hetzelfde menu te nuttigen, aten zij in werkelijkheid dagelijks vlees, spek of worst, en op woensdag vis, met dubbele porties groenten. Dit misbruik, dat ten koste ging van de diaconie, werd uiteindelijk ontdekt. De kosten per kind liepen ruim 56 gulden hoger op dan begroot. De regentessen moesten uiteindelijk toegeven en er werd flink bezuinigd op vlees en spek.
tags: #het #diaconie #jongensweeshuis