De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk in Norg is nauw verweven met die van omliggende gemeenten en de ontwikkeling van het protestantisme in Drenthe. Hoewel de Gereformeerde Kerk te Norg zelf in 1922 werd opgeheven en bij de Kerk te Een gevoegd, kende het gebied een rijke historie van kerkelijke activiteit en evangelisatiewerk.
De Gereformeerde Kerk te Norg: Ontstaan en Opheffing
De Gereformeerde Kerk te Norg werd officieel geïnstitueerd op 11 juni 1858. Deze kerk kende echter een turbulente geschiedenis en werd in 1922 opgeheven en bij de Gereformeerde Kerk te Een gevoegd. Om het verhaal overzichtelijk te houden, focussen we eerst op de kerkelijke ontwikkelingen in Norg en omgeving.
Vroege Evangelisatie en Zelfstandigheid
In 1898 kreeg colporteur J. de Braal de opdracht om één zondag per maand in Norg werkzaam te zijn. De kleine en zwakke kerk, die sinds 1858 bestond, had geen eigen predikant en geen kerkgebouw. Daarom werd met instemming van de provinciale synode verzocht om de colporteur zich af en toe in Norg te laten zien. Hoewel de deputaten ermee instemden, arriveerde De Braal pas in februari van het volgende jaar, mede door ziekte.
Er rees de vraag waarom er, ondanks het veertigjarige bestaan van de Gereformeerde Kerk in Norg, nog steeds sprake was van bewerking door de Inwendige Zending. De deputaten verklaarden dat de toestand van de kerk in Norg "zó eigenaardig" was, dat deze "weinig meer is dan een uitgangspunt voor de Inwendige Zending in de omgeving". De kerk kwam niet in aanmerking voor steun uit de Kas voor Hulpbehoevende Kerken, omdat ze in de gebruikelijke zin niet als hulpbehoevend werd beschouwd (aangezien ze geen dure predikant te verzorgen had), terwijl ze toch aan alles behoefte had. De kleine kerk bood de Inwendige Zending het voordeel van een middelpunt van waaruit de omgeving kon worden bearbeid, wat op andere plaatsen moeilijker te realiseren was.
De kerk van Norg had nog nooit een eigen kerkgebouw bezeten. Het ontbrak haar aan kracht om zich te ontwikkelen. Colporteur Greving moest, "zolang hij daar geen zondagsschool hield", er eens per maand naartoe om "aldaar eenige arbeid te verrichten". Eind 1903 kreeg Greving de opdracht om in Anloo te gaan werken, waarna colporteur Hogewind zijn werk in Norg overnam. Dit duurde waarschijnlijk slechts enkele maanden, aangezien Hogewind in 1904 werd ontslagen. Greving keerde waarschijnlijk daarna terug naar Norg. In 1909 meldden de deputaten dat Greving nog steeds elke week een dag naar Norg ging om te catechiseren, bezoeken af te leggen en de zwakke zusterkerk te sterken. Dit zette hij voort tot zijn ontslag in 1911.
Vier jaar later, in 1915, werd de situatie beschreven als volgt: "In het volkrijke Norg is eene kleine kerk gevestigd. Deze moet als een zwakke zuster worden aangemerkt. Het zal moeilijk gaan haar tot ontwikkeling te brengen maar zij staat er nog als getuige en als het eenigszins kan moet zij staande gehouden worden." Het "overblijfsel" bleek echter te gering om te blijven bestaan. In 1922 werd de Gereformeerde Kerk te Norg opgeheven en bij de Kerk van Een gevoegd.

Heropleving van Evangelisatiewerk in Norg na 1922
Na de inlijving van Norg bij de Kerk te Een, begon men kort daarna met evangelisatiewerk in Norg. Er werd een evangelisatievereniging opgericht, die honderden "bijbelbladen en afzonderlijke evangeliën en wandteksten" verspreidde. Tevens werd een evangelisatiebibliotheek aangelegd. Er werd veel gewerkt door middel van persoonlijk bezoek, ook onder bewoners van woonwagens.
In 1940 ontstond er nieuwe hoop voor Norg door de mogelijkheid om met subsidie van de classis en de provinciale kas een vaste post te stichten voor de prediking van het Woord des Heeren in dit "bij uitstek vrijzinnige hoek". De particuliere deputaten verleenden voor het eerst in 1942 steun voor het werk in Norg. Veel werk werd verricht ten behoeve van pensiongasten die er vooral in de zomer verbleven.
In 1950 werd de behoefte aan een gebouw in Norg benadrukt, dat niet alleen voor zondagsschool en bijbellezingen in de zomertijd kon worden gebruikt, maar ook voor evangelisatiewerk onder pensiongasten. Nog datzelfde jaar werd beloofd dat Norg "een gereformeerd evangelisatiegebouw" zou krijgen. De lokale vrijzinnigen zouden geschrokken zijn van de mogelijke wederoprichting van de Gereformeerde Kerk en de stichting van een christelijke school.
Het evangelisatiewerk in Norg ging rustig door, al was het "niet spectaculair, maar evenmin ongezegend". Evangeliste mej. Van den Berg deed er in de jaren '60 het moeilijke werk, "volhardend doorzettend". Het recreatiewerk onder pensiongasten en het gewone evangelisatiewerk breidden zich zodanig uit dat een parttime tweede kracht nodig was. Hiervoor werd steun gevraagd bij de provinciale deputaten. Het bestaande gebouwtje werd opgeknapt.
Toen mej. Van den Berg in 1966 vertrok, werd ze opgevolgd door een gediplomeerde evangelisatie-jeugdleidster, gevolgd door een tweede. Het evangeliserend jeugdwerk in Norg ging meer en meer de kant van jeugdzorgwerk op. Pogingen werden ondernomen om rijkssubsidie te verkrijgen voor de vestiging van een "Stichting Jeugdwerk Norg".
Financiële Uitdagingen en Samenvoeging van Gemeenten
In 1968 meldde het Jaarverslag van de Deputaten voor Evangelisatie dat de kerken van Een en Veenhuizen, die beide klein waren, probeerden te doen wat ze konden in Norg. Het recreatiewerk in de zomerperiode had een aparte begroting en kreeg steun uit de landelijke "Generale Kas Noodgebieden". Het "gewone werk" in Norg, dat met een tekort begon, had door de bezetting met anderhalve kracht een bedrag van fl. 24.400 nodig. Dit leek onoplosbaar.
Hoewel eerder opgemerkt was dat dit een "tíjdelijke dure zaak" kon zijn, gericht op een gesubsidieerde "Stichting Jeugdzorg Norg", bleek de financiering uiterst moeilijk. Er was vrijwel geen uitzicht op overheidssubsidie. De aangestelde krachten, de heer en mevrouw Van der Ley, zochten een andere plaats en Norg werd per 1 april 1969 weer vacant. Men besloot meer met eigen krachten uit beide gemeenten te werken, waarbij de te beroepen predikant van Een een aparte opdracht kreeg voor het leiden van het evangelisatiewerk.
Begin 1969 concludeerden de Deputaten voor Evangelisatie dat het mogelijk was de kerken te Een en Veenhuizen op termijn samen te voegen en één functionaris te benoemen die in Een de kerkelijk/pastorale taak en in Norg de leiding en stimulering van de evangelisatie op zich zou nemen. Na de afspraak dat Een en Veenhuizen in 1974 inderdaad zouden worden samengevoegd, werd gezamenlijk een predikant beroepen voor het kerkelijk/pastorale werk in beide plaatsen. De nieuwe leiding voor de evangelisatie in Norg werd per 1 september 1969 gevonden in de persoon van de heer H.J. Kemper.
Toen de heer Kemper in dienst trad van de kerk te Een voor het werk in Norg, moest er een woning komen. Ook het bestaande gebouwtje voor clubs en samenkomsten moest vernieuwd of vervangen worden en elders geplaatst in verband met het bestemmingsplan. Een voormalig boerderijtje in Norg bood uitkomst. Ds. N. Br. Kemper en zijn gezin gingen daar wonen, waarbij de voormalige "schuur" werd omgebouwd voor het klubwerk. De aankoopprijs was fl. 40.000 en de verbouwing kostte fl. 30.000. Hiervoor werd steun ontvangen van het landelijk Evangelisatie-centrum, de gereformeerde "Stichting Steun Kerkbouw" en de Generale Deputaten voor de Noodgebieden.
Onder leiding van de heer Kemper bloeide het evangelisatiewerk en het werk onder de pensiongasten. In maart 1974 vertrok de heer Kemper en werd opgevolgd door de heer M.D. de Vries. In 1974 startte de burgerlijke gemeente in Norg met gesubsidieerd jeugdwerk, waarna de evangelisatiecommissie participeerde in de "Stichting Noordenveld". Het werk van de Gereformeerde Kerk te Een in Norg werd opgesplitst in twee commissies: de Evangelisatiecommissie en de Recreatiecommissie.
Zou jij gaan? | Een documentaire over christelijke missies
Recreatie- en Evangelisatiewerk in Norg (jaren '70)
Het jaarverslag over 1974 meldde over het recreatiewerk in Norg, een recreatiecentrum met drie campings: "Op deze campings wordt in de zomer gewerkt met drie teams van elk vijf tot zes personen, gedurende zes weken. De recreatiearbeid bestaat uit: tentsamenkomsten, waar door de week in de morgenuren bijbelvertellingen worden gehouden. Daarnaast wordt aandacht besteed aan sport en spel, terwijl 's avonds avondsluitingen worden georganiseerd." Op één camping werden elke zondag twee diensten gehouden, waarbij de morgendiensten in samenwerking met de hervormde gemeente plaatsvonden en de middagdiensten voor rekening kwamen van de Gereformeerde Kerk Een-Veenhuizen. Door de morgendiensten konden ruim 2.000 mensen méér bereikt worden.
De "gewone" evangelisatiearbeid omvatte evangelisatiekinderkampen en jeugdclubs binnen het kader van het subsidiërende Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Deze jeugdclubs waren opgenomen in de "Stichting Noordenveld", waarin ook de evangelisatiecommissie zitting had. Op deze clubs werden verteluren ingelast waar de evangelist de gelegenheid kreeg het evangelie uit te dragen.
Wat het bejaardenwerk betreft, besteedde de heer De Vries veel tijd aan bezoeken en was hij lid van het bestuur inzake bejaardenzorg. Dit trok ook randkerkelijken aan. Een gezin met twee kinderen werd door doop en belijdenis in de kerkelijke gemeenschap opgenomen. Vanuit Norg reed een "eigen acht-personen-autobusje", bestuurd door een onderwijzer, dagelijks ongeveer twintig kinderen naar de Chr. Nat. School in Een. Deze kinderen kwamen uit evangelisatiegezinnen. Men verwachtte een zodanige toeloop dat naar een tweede busje zou moeten worden omgezien, of een grotere bus aangeschaft.
Financiële Discussies en Toekomstperspectieven
In 1977 vroeg de Kerk van Een-Norg-Veenhuizen voor het werk in Norg zo'n fl. 20.000 méér dan het jaar daarvoor. De particuliere synode vond de begroting voor het evangelisatie van die Kerk "wel erg zwaar" (totaal fl. 95.000). Men overwoog dat deze kleine Kerk van 650 zielen in verhouding weinig opbracht (fl. 3.100, omgerekend fl. 5 per ziel). "De hoogte van het gevraagde bedrag is stellig onverantwoord", zo vond men, en er was behoefte aan een doorlichting van de situatie en een heroverweging van de aanpak.
Eerder had de synode al afgesproken dat een kerk, alvorens in aanmerking te komen voor provinciale steun, zelf fl. 12 per ziel voor evangelisatie moest opbrengen. Uiteindelijk werd door de deputaten aanbevolen dat de heer De Vries te zijner tijd in dienst van de classis zou komen, waarbij de classis hem een speciale deelopdracht kon geven voor het werk in Norg. Dit paste in de nieuwe organisatieplannen van de deputaten om in elke classis een kerkelijk werker aan te stellen.
Het Werk van de Kerk te Norg aan de Norgervaart
De in 1858 geïnstitueerde Christelijke Afgescheidene Gemeente te Norg had de hoede over de huisjes aan de Norgervaart. Colporteur Greving kwam daar met enige regelmaat. In augustus 1901 rapporteerde hij in een brief aan de deputaten dat hij al eerder van een broeder aan de Norgervaart de uitnodiging ontvangen had om daar in de winter op te treden.
De Margaretha Kerk van Norg: Een Historisch Monument
De eeuwenoude kerk van Norg, gewijd aan Sint Margaretha, staat aan de brink en tussen de huizen. Sint Margaretha, een martelares uit de derde eeuw, werd in de middeleeuwen sterk vereerd, wat haar naam aan diverse kerken als patrones verbond. De huidige bakstenen kerk heeft waarschijnlijk twee voorgangers gehad, opgetrokken van hout op een fundatie van zwerfstenen. De toenmalige dorpskern lag ter plaatse van de Esweg/Disselwand.
Het archeologisch onderzoek tijdens de grote restauratie in de jaren 1969-1971 heeft uitgewezen dat de eerste kerk een lengte van 20 meter had en vrij snel werd uitgebreid of vervangen. De fundamenten van deze kerk zijn aangetroffen binnen de muren van de huidige kerk. Het koor had oorspronkelijk een rechthoekige vorm.
De tweede houten kerk, gebouwd in de 11e eeuw, wordt genoemd in een oorkonde uit 1139. Deze kerk werd zeer waarschijnlijk in de dertiende eeuw door brand verwoest, wat bevestigd wordt door sporen van brand die bij het archeologisch onderzoek zijn gevonden. In de dertiende eeuw waren er strijd tussen de opstandige Drenten en de bisschop, waarbij ook de ridders van Hendrik en Rudolf van Norch betrokken waren.
Naar verluidt zou de kerk in 1241, tijdens het brandschatten van de burchten van de ridders van Norch, in vlammen zijn opgegaan. Hierna werd in de tweede helft van de dertiende eeuw de kerk in baksteen herbouwd. De ridders van Norg speelden waarschijnlijk een belangrijke rol bij de financiering.

Architectuur en Restauratie van de Margaretha Kerk
Aan de westzijde werd een Romaanse toren gebouwd, gevolgd door een groter romangotisch koor en schip rond de resten van de houten kerk. De toren, die los van de kerk stond, diende destijds vooral als verdedigingswerk. In de toren hangt een kerkklok uit 1655, gemaakt door de Groninger klokkengieter Wilhelmus Jacobus de Vrij.
Tijdens de restauratie in 1969 is de Romaanse bouwstijl van de 13e eeuw zoveel mogelijk teruggebracht, met name aan de ramen. In het halfronde koor van de kerk zijn de versierde ribben in het gewelf prachtig gerestaureerd, met een sluitsteen beschilderd met een duif als zinnebeeld van de Heilige Geest.
De kerk dateert uit de dertiende eeuw. Tijdens de restauratie van 1969-1971 kwam aan het licht dat de kerk twee houten voorgangers heeft gehad. De toren en het schip zijn gebouwd in de Romaanse stijl, het koor heeft Romaans-gotische stijlkenmerken. Binnen bevinden zich beschilderde ribben in het koorgewelf die eindigen in een sluitsteen van grote historische waarde, de oudste schildering in Drenthe, daterend uit de dertiende eeuw.
De kerk bezit twee zandstenen doopvonten: het oudste, in de hal, is afkomstig van de houten kerk uit de 12e eeuw, het andere van Bentheimer zandsteen dateert uit de 13e eeuw. Het interieur omvat verder een eikenhouten preekstoel, vervaardigd in 1678, en laat-17e-eeuws meubilair, waaronder een schultebank. De "Tonckensbank" draagt het wapen van de familie Lunsing en is afkomstig uit de kerk van IJhorst.
Het orgel, een geschenk van Marchien Martens uit Zuidwolde ter nagedachtenis aan haar broers, werd in 1896 geplaatst. In 2024 werd de Margarethakerk te Norg officieel overgedragen aan de Stichting Oude Drentse Kerken/Het Drentse Landschap, vanwege zorgen over de bestuurlijke situatie en de dreigende leegstand.

De Margaretha Kerk in de Middeleeuwen en Latere Perioden
De tweede houten kerk werd in de 11e eeuw gebouwd en wordt genoemd in een oorkonde uit 1139, waarbij bisschop Andreas van Cuyck van Utrecht de opbrengsten van enkele Drentse kerken, waaronder die van Norg, overdraagt aan de Sint Plechelmuskerk van Oldenzaal. Deze kerk werd zeer waarschijnlijk in de dertiende eeuw door brand verwoest.
Bekend is dat in de dertiende eeuw regelmatig strijd werd geleverd tussen de opstandige Drenten en de bisschop. Hierbij waren ook de ridders van Hendrik en Rudolf van Norch betrokken. Plundering en brandschatting waren in die tijd aan de orde van de dag. De paragnost Theo Berends uit Emmen zou hebben vastgesteld dat met het brandschatten van de burchten van de ridders van Norch in het jaar 1241, ook de kerk in vlammen is opgegaan.
Hierna werd in de tweede helft van de dertiende eeuw de kerk in baksteen herbouwd. Bij de financiering ervan zullen de ridders van Norg een belangrijke rol hebben gespeeld. Eerst werd aan de westzijde een Romaanse toren gebouwd, en daarna werden rond de resten van de houten kerk een groter romangotisch koor en schip opgetrokken. De toren stond los van de kerk en moet in die tijd vooral worden gezien als verdedigingswerk.
De kerk werd in 1778 en 1837 grondig verbouwd; de kleine ramen werden in dat laatste jaar vervangen door spitsboogvensters. Tijdens een restauratie in 1967-1971 werden de rondboogvensters geconstrueerd. Boven de ingang van de toren is in 1778 een sluitsteen aangebracht met het gebeeldhouwd en geschilderd wapen van Adolf Ripperda, heer van Peize.
De kerk bezit twee zandstenen doopvonten: het oudste, in de hal, is afkomstig van de houten kerk uit de 12e eeuw, het andere van Bentheimer zandsteen, dateert uit de 13e eeuw. Het interieur omvat verder een eikenhouten preekstoel, in 1678 vervaardigd door Dirk Jansz. Bijmolt, en laat-17e-eeuws meubilair, waaronder een schultebank. De 'Tonckensbank' draagt het wapen van de familie Lunsing en is afkomstig uit de kerk van IJhorst; zij werd in 1724 door de familie Tonckens, bewoners van het huis Westerveld, in de kerk van Norg geplaatst.
Op 6 november 2024 is de Margarethakerk te Norg officieel overgedragen aan de Stichting Oude Drentse Kerken/Het Drentse Landschap. De kerk dateert uit de dertiende eeuw. Bij de overdracht zijn het schip, het koor en het omliggende erf overgedragen. De kerktoren blijft in bezit van de gemeente Noordenveld. De zorg voor de openstelling en dagelijks beheer komen in handen van een plaatselijke commissie, bestaande uit vrijwilligers uit de omgeving.
Het Werk van de Kerk te Veenhuizen
Hoewel de specifieke details over het werk van de Kerk te Veenhuizen in de aangeleverde tekst beperkt zijn, wordt Veenhuizen wel genoemd in de context van de samenvoeging van gemeenten en de gezamenlijke evangelisatie-inspanningen met Een en Norg. De kerk van Veenhuizen, net als die van Een, werd beschreven als klein, en samen probeerden zij te doen wat ze konden in Norg.