Geschiedenis van de Hervormde Kerk in Made

Vroege Geschiedenis en Stichting

Het dorp Made behoorde oorspronkelijk tot de stad Geertruidenberg en was ook voor het geestelijk leven afhankelijk van deze stad. In 1346 werd toestemming verleend voor de uitgifte van percelen land op "die Meede", waarna al snel bebouwing ontstond. Ten behoeve van de geestelijke verzorging van de bewoners werd in 1511 door het Kapittel van Geertruidenberg een kapel gesticht in de zuidoosthoek van de Middelmade.

Aanvankelijk was deze kapel een Mariakapel, maar al snel werd deze gewijd aan St. Adrianus. De kapel, die een vicaris of hulppastoor had, was afhankelijk van de St. Gertrudiskerk te Geertruidenberg. In deze kapel mocht niet gedoopt worden. Tijdens de dienst van pastoor Peter Wolf (Petrus Lupi), vicaris te Made vanaf 1548, werden in 1558 pogingen ondernomen om een doopvont in de kerk te krijgen. De reden hiervoor was de grote afstand naar de kerk te Geertruidenberg en de slechte toestand van de wegen als gevolg van overstromingen in het poldergebied tussen Made en Geertruidenberg.

Het verzoek werd mede gesteund door een verklaring van ene Mariken Adriaansd, die veel problemen had met het brengen van een dopeling naar Geertruidenberg. Op 2 september 1571 vond de laatste Katholieke kerkvisitatie in de St. Adrianus kapel te Made plaats.

Schematische weergave van de ligging van de oorspronkelijke kapel in Made ten opzichte van Geertruidenberg.

De Reformatie en de Protestantse Gemeente

In 1572 werd in Holland, waartoe destijds Made en Geertruidenberg behoorden, de vrijheid van godsdienst ingevoerd en in 1573 werd de Rooms-Katholieke eredienst verboden. De kerk werd als gevolg van oorlogshandelingen tijdens de Tachtigjarige Oorlog vernield. De classis Dordrecht had echter nog niet voldoende gewettigde predikanten om alle dorpen in de Overwaterse Ring (o.a. Willemstad, Klundert, Hooge Zwaluwe, Made, Drimmelen, Geertruidenberg, Raamsdonk, Capelle) te bemannen. Alleen in de steden kwamen predikanten. De dorpen op het platteland kwamen ten prooi aan voormalige monniken die in de kerken het evangelie brachten.

Als eerste wordt genoemd Gillis van Couwenberg, die vanaf 1580 tot en met 1589 gepreekt heeft in de kerk te Made, maar ook in de kerk te Oud Drimmelen. Vervolgens kwam Laurentius Baltheus van den Berg, die hier onwettig tussen 1593 en 1607 de kerken van Made en Oud Drimmelen bediend heeft. In 1597 verkochten de kerkmeesters Cornelis Janse de Laat, Cornelis Pieterse Verhoeff en Bastiaan Aerts Molenaar een morgen land in de Plukmade voor de toekomstige restauratie van de kerk. Over het algemeen wordt verondersteld dat genoemd kerkmeesters behoorden tot de Protestantse religie, hoewel dit betwijfeld wordt.

Uit een verklaring van juni 1609 bleek dat de inmiddels Protestantse kerk op kosten van het dorp Made voor 1500 gulden hersteld was. Hiertoe was onder meer een lening van 400 gulden afgesloten. De kerk bezat ook een akkertje waarop het huis van de schoolmeester (tevens koster) stond.

Het verzoek om een officiële predikant aan te stellen luidde: "Ende om te verstaan wat ordre opte kerkendienst van der Made ende Drimmelen alderbest zoude mogen worden gestelt, hebben den voors. schout en burgemeesters geadviseert dat het alderbekwaamst zoude zijn, dan men eenen dienaar stelde op het dorp van der Made vorseijt, die niet alleenlijk den dorp van Drimmelen voornoemt soude mogen bedienen, maar ook sustenseren der kerkedienst binnen der voorsc. stede van Geertruidenberg overmits den dienst voor den dienaar aldaar zwaar vallende is."

De gewenste officiële predikant kwam in 1610. Het was Lothus Jansz van Ilpendam. Deze werd echter in 1616 ontslagen om reden van zwakheid en melancholie. Vervolgens kwam er een aangesloten reeks reguliere predikanten. De hervormde gemeente bleef echter klein en bestond voornamelijk uit notabelen.

Portret van Lothus Jansz van Ilpendam, eerste officiële predikant van Made.

Restauraties en Veranderingen in de Kerk

Vanaf 1768 werden er pogingen ondernomen om de kerk te restaureren, daar deze in verval was geraakt. Er was echter geen geld. In 1778 begon men alsnog met de werkzaamheden, waarbij de kerk werd verkleind: het transept werd gesloopt en ook de westzijde van het schip werd verkleind. Slechts het koor en twee traveeën bleven bestaan. Er kwam een torentje op het midden van het dak.

In 1795 was er weer godsdienstvrijheid. De katholieken eisten hun kerk terug. Dat gebeurde ook en de protestanten moesten in een leegstaand schoolgebouw kerken. In 1805 konden zij echter het kerkje weer terugkopen. De katholieken kerkten voortaan weer in hun schuurkerk, maar mochten gebruikmaken van de begraafplaats en ook mocht dan de klok van de -nu weer hervormde- kerk worden geluid. De pastoor verbood het de katholieke klokkenluider echter om in een protestantse kerk te komen.

In 1858 werd de protestantse gemeente van Made losgemaakt van die van Drimmelen. In 1905 werd een restauratie uitgevoerd en daarbij stuitten graafwerkzaamheden nog op de resten van een kazuifel. De grafstenen werden door plavuizen vervangen. In 1952 werd de in 1944 opgelopen oorlogsschade hersteld.

De kerk bezit een doophek uit 1657, een kansel uit het einde van de 18e eeuw, twee 17e-eeuwse kroonluchters en een orgelkast uit 1776, vervaardigd door De la Haye uit Antwerpen.

Interieur van de hervormde kerk met het doophek uit 1657.

De Katholieke Kerk van Made

In de middeleeuwen behoorde Made tot de parochie van Geertruidenberg. In 1512 werd de eerste kapel, toegewijd aan de heilige Adrianus, gesticht. In 1593 ging de Hollandse stad Geertruidenberg over tot de Reformatie. De vrije uitoefening van het katholieke geloof was toen ook in Made niet meer toegestaan. De meerderheid van de Madese bevolking was in de tweede helft van de zeventiende eeuw katholiek.

In 1671 werd er op de grens tussen Made en Zwaluwe een schuurkerk gebouwd. Wijnant Olijslagers was de eerste pastoor. Kerkelijk gezien werd Made bestuurd door de apostolisch vicaris van ’s-Hertogenbosch. De schuurkerk werd toegewijd aan de H. Adrianus.

Met de komst van de Fransen in 1795 brak een nieuwe tijd aan. Made werd een zelfstandige gemeente. De inwoners kozen een volledig katholieke gemeenteraad. Ze konden vervolgens een nieuwe katholieke kerk bouwen. Bij de oprichting van de katholieke hiërarchie in 1853 werd Made ingedeeld bij het bisdom ’s-Hertogenbosch. Made behoorde tot 1956 bij dat bisdom.

Bij de herindeling van de Nederlandse bisdommen werd het toenmalige dekenaat Geertruidenberg bij het bisdom Breda gevoegd. Dit had met name gevolgen voor de toenmalige pastoor van Made, W.J.C. van Amelsvoort. Hij kreeg te maken met een nieuwe bisschop, mgr. Baeten. Zijn kapelaans hadden hun opleiding niet meer genoten in het voor hem vertrouwde grootseminarie Haaren maar op Bovendonk. Pastoor van Amelsvoort verhuisde in 1967 om pastoor te worden in het bisdom Den Bosch.

Merkwaardig genoeg verkochten de katholieke Madenaren hun pasverworven kerk in 1805 weer terug aan de protestanten. Misschien is dat wel de redding geweest van het gebouw. Die neogotische kerk is er, maar niet op de plaats van de oude kerk. Het gebouw, uit 1870, is toegewijd aan de H. Bernardus van Clairvaux. Een tijd lang is er zelfs een bedevaart geweest naar de relieken van de heilige die de kerk van Made in haar bezit heeft.

De H. Bernarduskerk in Made, gebouwd in 1870.

Recente Ontwikkelingen en Herbestemming

In 2021 bestaat de parochie in Made 350 jaar. Samen met het 150-jarig bestaan van de H. Bernarduskerk wordt dit gevierd. Binnen afzienbare tijd verlaat de parochie van Made het kerkgebouw en veranderen kerk en pastorie van functie. Het kerkgebouw behoudt een publiek karakter, aldus auteur Julien Mariman.

De auteur onderzoekt vooral hoe vele generaties Madenaren vorm hebben gegeven aan hun katholieke geloof. De Bernarduskerk in Made is herbestemd naar een sociaal cultureel dorpshart. Er zijn onder andere een kinderdagverblijf, bibliotheek en horeca in de voormalige kerk gevestigd.

Van een aantal daken zijn de leien vernieuwd met Spaanse Intersin 120 leien van Rathscheck met een afmetingen van 35×20 cm. De daken waarvan de leien niet vernieuwd zijn waren nog van voldoende kwaliteit, deze zijn plaatselijk gerepareerd. Deze keuze komt voort uit het volgen van de restauratieladder van de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg. De “kers op de taart” is de kerktoren. Deze is compleet voorzien van nieuwe leien als ook alle loodaansluitingen. Een prachtig stuk ambachtelijk vakwerk!

De schauw van de arbeid - Een korte documentaire over arbeidsmigranten in Flevoland (2026)

tags: #hervormde #kerk #in #made