De geschiedenis van de hervormde kerk in Loosdrecht is rijk en complex, met wortels die teruggaan tot de middeleeuwen. Door de eeuwen heen heeft de gemeenschap verschillende kerkgebouwen gekend, fusies ondergaan en zich ontwikkeld tot wat het nu is. Dit overzicht belicht de belangrijkste periodes en gebeurtenissen.
Vroege Geschiedenis en de Eerste Kerken
De christelijke gemeente van Oud-Loosdrecht dateert van de middeleeuwen. Lange tijd hadden de inwoners van Oud-Loosdrecht géén eigen kerk en waren zij aangewezen op de kerk van Loenen aan de Vecht. Rond 1330 kreeg Oud-Loosdrecht een eigen kerk, gebouwd in laatgotische stijl. Dit eerste kerkgebouw was gelegen middenin het dorp, tussen de Veendijk en het Kwakelpad.
In de periode tot 1330 kende Loosdrecht haar eigen kleine gemeente met bijeenkomsten in particuliere huizen. Het eerste kerkgebouw uit 1330 markeerde een belangrijke stap in de lokale ker geschiedenis.
De oude kerk aan de Oud-Loosdrechtsedijk dateerde van 1702. In 1783 werd de toren van deze kerk gerestaureerd en in vierkant verkleind.

Een maquette, gemaakt door een onbekende kunstenaar, toont details van zowel de oude als de nieuwe kerk, wat een waardevolle visuele impressie geeft van de architectonische evolutie.
De Reformatie en Veranderingen
De hervorming van Oud-Loosdrecht vond plaats op 15 mei 1578, toen pastoor Nicolaas Jacobsz. Tol overging tot de ”Nye leere”. Daarvóór werd hij al verdacht van ‘ketterse’ ideeën. In de morgendienst van 15 mei vertelde hij zijn parochianen dat hij was overgegaan tot de nieuwe leer. ’s Morgens was hij nog pastoor, ’s avonds dominee.
Enkele namen van predikanten die in de loop der tijd verbonden waren aan de gemeente zijn pastoor Abbas, pastoor Van den Wiele, dominee Thol (die zich in 1578 aansloot bij de Hervorming), ds. De Moor, ds. Best, ds. De Mol, ds. Van den Bijllaardt, ds. Stegenga, ds. Van Noort, ds. Goethals, ds. De Jong, ds. Van den Hul en ds. Bouter. Allen hebben hun eigen verdiensten gehad voor de gemeenschap.
Zo sprak ds. Bouter in 2007 een vriendelijk en lovend woord over zijn 18e-eeuwse collega/fabrikant ds. Joannes de Mol.
De Afscheiding en de Doleantie
De geschiedenis van de gereformeerde kerk in Oud-Loosdrecht begint in 1835. Landelijk begon de Afscheiding in 1834 in Ulrum, waar Ds. Hendrik de Cock zich met zijn gemeente afscheidde van de Nederlands Hervormde Kerk. Op 14 juli 1835 ontving de kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk een brief waarin een tiental leden meedeelde zich af te zullen scheiden. Ongeveer 3 maanden later werd door de afgescheidenen een gemeente gevormd met gekozen ambtsdragers.
De overheid verbood echter het houden van godsdienstoefeningen buiten de bestaande en door de overheid erkende kerken om. Soldaten werden ingekwartierd om dit verbod te handhaven, bijeenkomsten werden uiteengejaagd en sommige leden belandden zelfs in de gevangenis. Ook werden er in die tijd kerkdiensten gehouden op het water om de militairen te ontlopen.
In 1886 vond de Doleantie plaats. Een groot aantal kerken dat zich verzette tegen de, in hun ogen, toenemende vrijzinnigheid binnen de Nederlands Hervormde Kerk kwamen als "dolerenden" (klagenden) buiten het kerkverband te staan. Voor de gemeente in Oud-Loosdrecht had de Doleantie geen directe gevolgen. Wel is er in Nieuw-Loosdrecht, waar de Afscheiding geen voet aan de grond kreeg, een dolerende Gemeente ontstaan.
Verdere Ontwikkelingen en Scheuringen
Binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland kwam het tot een scheuring rondom de leer van de doop. Ook in Oud-Loosdrecht, waar op 27 juli 1945 het grootste gedeelte van de gemeente zich vrijmaakte. In deze kerk kwam het in 1969 tot een breuk en ontstonden de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Sinds het ontstaan van de afgescheiden gemeente is deze gediend door 26 predikanten. De eerste, ds. A.S. Entingh, werd bevestigd op 10 april 1853, de laatste predikant, ds. L.A. van Baardewijk, werd bevestigd op 10 september 2000 in hetzelfde kerkgebouw waar de eerste Afgescheidenen hun diensten hielden.
Begraven in en rond de Kerk
Lange tijd werd men rond, maar vooral in de kerk begraven. In de tijd voor de Reformatie, als het kon, zo dicht mogelijk bij het altaar waarvan de heiligheid af zou stralen op de overledenen. Rond het altaar lagen vanzelfsprekend ook de duurste plaatsen.
Door de bevolkingsgroei werd al in de zeventiende eeuw het ruimtegebrek nijpend. Het begraven in de kerk gebeurde niet altijd even zorgvuldig. Graven werden niet geruimd. Door het herhaald oplichten van de stenen, verzakte de vloer en sloten niet alle grafstenen even goed aan. Het gevolg was dat - afhankelijk van het weer - in de kerken soms een doordringende stank hing.
Napoleon verbood in 1804 het begraven in de kerk, maar bij het vertrek van de Fransen werd dit weer ongedaan gemaakt. In 1829 verbood Koning Willem I opnieuw dit gebruik. Ook in Oud-Loosdrecht wordt sinds eeuwen begraven. De begraafplaats bevindt zich achter de Hervormde Kerk en er is altijd een nauwe band geweest met de kerk.
Oud-Loosdrecht en Nieuw-Loosdrecht: een Vergelijking
Het komt ook nu nog regelmatig voor dat iemand bij een historisch of genealogisch onderzoek in het Noord-Hollandse plaatsje Zijpe belandt als hij of zij in oude documenten de tekst “afkomstig uit de Zijpe” of “met attestatie van de Zijpsche kerk” leest. Loosdrechters weten wel beter: met de Zijpsche kerk wordt de Nieuw-Loosdrechtse hervormde kerk bedoeld, een prachtig voorbeeld van Utrechtse kerkbouw met een lange geschiedenis. Al is de fundatie van de kerk van Oud-Loosdrecht ouder, in feite is de Sijpekerk het oudst. Immers, de oorspronkelijke kerk van Oud-Loosdrecht werd in 1842 afgebroken en vervangen door een nieuwe.
Een ander veelvoorkomend misverstand is dat wel gedacht wordt, dat Oud-Loosdrecht als dorp het ‘echte’ oude Loosdrecht is en dat pas veel later Nieuw-Loosdrecht daaraan werd toegevoegd. Niets is minder waar; beide dorpen, Oud- en Nieuw-Loosdrecht, ontlopen elkaar niet veel in ouderdom.
De Sijpekerk en de Ontstaan van Nieuw-Loosdrecht
De ontginning vanuit de Vecht is gestart in opgaande kavels waardoor op een bepaalde plek (Oud-Loosdrecht) een nederzetting is ontstaan waarvan de bewoners ter kerke gingen in Loenen. Maar in de oudste tot nu toe gevonden akte wordt gesproken over een akker, gelegen in Zijp, die toebehoorde aan ‘Aloudus van Loesdrecht’. Die akte is uit 1298 en we vinden daarin twee ‘plaatsen’ vermeld: Loosdrecht en Zijp. Ook in 1300 wordt gesproken van goederen gelegen in de ‘villa Ter Sipe’. Zijp of Sipe betekende in het Middelnederlands ‘waterweg’ en met een ‘villa’ werd vanouds een soort grote boerenhoeve bedoeld waar verschillende gezinnen woonden en werkten.
In 1330 is er sprake van goederen van de ‘pape vander Loesdrecht’; de pastoor dus, in dit geval van Oud-Loosdrecht, want de Sijpekerk (met pastoor) was er toen nog niet. In de jaren daarna wordt duidelijk dat de parochie Loosdrecht een eigen kerk kreeg op de plaats waar nu de huidige kerk van Oud-Loosdrecht staat en dat er een kapel kwam in Zijp. Inmiddels mag verondersteld worden dat de toestemming voor de bouw van een eigen kerk in Ter Sipe - de huidige Sijpekerk - verkregen werd in 1400.
De dorpelingen in Ter Sipe hadden (vooral in de winter) grote problemen om naar de kerk van Oud-Loosdrecht te gaan en ook de pastoor van Oud had moeite om door wind en weer de kapel van Ter Sipe te bereiken. Bouwkundigen menen dat de uitbouw van kapel tot pseudobasiliek en de bouw van de toren rond 1450 waren voltooid.
In de akte van 1400 - de zogenoemde fundatiebrief - werden als beschermheiligen voor de Sijpekerk genoemd: paus en martelaar Cornelius, de apostel Paulus en Antonius de Belijder. Geen van deze drie namen is - voor zover wij weten - ooit door de plaatselijke bevolking gebruikt. Zeker niet na de reformatie van 1578. Men sprak van de Oûkerck of Oude(r)kerk voor de kerk van (Oud-) Loosdrecht en van de Zijpsche- of nieuwe kerk voor de huidige Sijpekerk. Analoog daaraan ontstonden de beide dorpsnamen: Oud- en Nieuw-Loosdrecht.
De Sijpekerk: Heden en Verleden
De Sijpekerk in de huidige vorm verschilt niet veel met die van midden vijftiende eeuw. Uiterlijk zijn er kleine wijzigingen aangebracht zoals bijvoorbeeld de aanbouw van de consistoriekamer, het dichtmaken van een toegangsdeur en het afbreken van het portaaltje bij de zij-ingang. Restauraties zijn er veel en regelmatig geweest. Nog vers in het geheugen liggen die van 1963 voor het totale kerkgebouw en die van 1995 voor een definitieve oplossing voor de verzakkende grafzerken in de kerk: een nieuwe vloer. Momenteel mag de Sijpekerk gezien worden als een bouwwerk, dat de tand des tijds nog heel veel eeuwen zal kunnen doorstaan.
Onze ‘kerkschatten’ zijn het bezichtigen waard: de drie koperen kronen, de oude eikenhouten preekstoel, de Belleman, de beide rouwborden uit 1725 en het oude doopvont dat al genoemd werd in de stichtingsakte van 1400.
Moederkerk en Kerkklokken
In de Middeleeuwen hebben de inwoners van Oud-Loosdrecht lange tijd geen eigen kerk. Ze zijn aangewezen op de kerk van Loenen aan de Vecht. Rond 1330 krijgt Oud-Loosdrecht een eigen kerk, in laatgotische stijl. Vanaf 1400 heeft Nieuw-Loosdrecht, toen nog Ter Sijpe geheten, ook een eigen kerkgebouw. De kerk van Oud-Loosdrecht staat daarna bekend als moederkerk.
In het rampjaar 1672 rooft het Franse leger de klokken uit de kerktoren. De Nederlandse admiraal Cornelis Tromp gaat enkele jaren later op vergelding. Hij stroopt de Franse kust af. Zijn buit: uitsluitend kerkklokken. Een van deze klokken hangt in de kerk van Oud-Loosdrecht en heeft de naam Marie-Anne.
De Nieuwe Kerk van 1844 en de Samenvoeging
Het is 19 april 1843 als Maria Joanna Louisa Alewijn de eerste steen legt voor de bouw van de huidige kerk. Ze is de dochter van de ambachtsheer. De nieuwe kerk wordt op dezelfde plaats gebouwd als de oude. Ruim een jaar later, op 28 juli 1844, wordt de kerk ingewijd.
De kosten voor deze nieuwe kerk bedragen ruim 23.000 gulden. Een flink bedrag. In de consistorie van de kerk in Oud-Loosdrecht blikt ds. A. van Duinen terug op een emotionele dienst. „Het deed wel wat toen de kanselbijbel en het avondmaalsstel de kerk werden uitgedragen. En hoe het doopbekken de kerk verliet, gedragen door een zesjarig meisje, de laatste dopelinge.”
Ds. Van Duinen preekte die zondag over Handelingen 27. Paulus is op weg naar Rome. Het schip waarop hij aan boord is, dreigt schipbreuk te lijden. Paulus wil dat de bemanningsleden eerst voedsel tot zich nemen. Ze zouden wel schipbreuk lijden, maar toch allemaal veilig aan land komen. „Veilig, door de storm heen”, aldus de predikant.
Na afloop van de dienst werd naast de ingang van de kerk een gedenksteen onthuld met de tekst: ”1330-2019 - Eeuwenlang is de gemeente hier in geloof bijeengekomen. Gods Woord houdt eeuwig stand”.
Samenvoeging van Gemeenten
De gemeente van Oud-Loosdrecht was klein geworden en vergrijsd. Van de 300 leden bezochten er nog ongeveer 30 de zondagse eredienst. Toen de gemeente in 2013 op ds. Van Duinen een beroep uitbracht, werd hem gevraagd samenwerking te zoeken met de gemeente van Nieuw-Loosdrecht. „Echte samenwerking was er niet, behalve een gezamenlijk dauwtrappen”, zegt hij. „In geestelijke verbondenheid zijn we naar de samenvoeging toegegroeid. Ik ben dankbaar dat het proces zo goed is verlopen en heb dit als een zegen ervaren.”
De gemeente van Nieuw-Loosdrecht telt nu twee predikanten: ds. A. van Duinen en ds. M. Roelofse. De zondag na de laatste dienst in Oud-Loosdrecht preekten beiden in de Sijpekerk van Nieuw-Loosdrecht. Ds. Van Duinen vanuit Handelingen 28: Paulus, op weg naar Rome, ziet hoe de broeders hem al tegemoetkomen. De apostel dankt daarvoor en vat moed. Ds. Roelofse sprak naar aanleiding van het slot van Handelingen 28: Paulus verkondigt vrijmoedig en zonder beletsel het Evangelie. „Dat was zo in Oud-Loosdrecht en nu mag het gezamenlijk in Nieuw-Loosdrecht ook gebeuren”, zegt ds. Van Duinen.
De Hervorming in Oud-Loosdrecht en Architectonische Geschiedenis
De kerkgeschiedenis van Oud-Loosdrecht dateert van omstreeks 1330. De hervorming van Oud-Loosdrecht vond plaats op 15 mei 1578, toen pastoor Nicolaas Jacobsz. Tol overging tot de ”Nye leere”.
In 1842 werd de in slechte staat verkerende oude kerk afgebroken. Op dezelfde plek verrees twee jaar later het huidige godshuis. De bouw werd mogelijk gemaakt door een gift van koning Willem II. Na een restauratie van het bedehuis in 1966 werden meubilair en preekstoel gekocht van de niet meer in gebruik zijnde kerk van Nij Beets. Pas in 1920 kreeg de kerk een orgel, gebouwd door de Dordtse firma Spiering. In 1969 werd het vervangen door een Flaes-orgel uit 1867, afkomstig uit de hervormde kerk te Barsingerhorn.
Wat er met de kerk in Oud-Loosdrecht, een rijksmonument, gaat gebeuren nu er geen diensten meer worden gehouden, is niet bekend. Ds. Van Duinen hoopt dat het gebouw bijvoorbeeld een culturele bestemming krijgt.
Zorg voor Weduwen en Wezen, en het Porselein van Loosdrecht
De gemeente van Oud-Loosdrecht heeft veel zorg gedragen voor weduwen en wezen. Daarvan getuigt in de kerk een bord uit 1793 waarop vermeld wordt dat „de weesmeesters” tijd noch moeite hebben gespaard voor „weew en weez.”
Een bijzondere vermelding verdient Joannes de Mol, die als predikant geschiedenis heeft gemaakt in Oud-Loosdrecht. Begaan met het lot van de armen begon hij in 1774 een porseleinfabriek, pal naast de pastorie. Hij trok buitenlandse werknemers aan die lokale arbeiders opleidden in de porseleinproductie. Tot 1784 leverde de fabriek een grote variatie aan voorwerpen. In zijn glorietijd had ds. De Mol zo’n zestig man in dienst. Door de hoge productiekosten, de concurrentie, een te klein afzetgebied en het feit dat hij geen zakenman was, ging de fabriek failliet.
Museum Voorschoten toont kunst van achter de voordeur
Aan de maquette van de kerk zit een collecte-‘bus’ vast die diende ter aanvulling van de armenkas van de kerk, net als de bijzondere houten ‘Armen bus’ met zwaar ijzerbeslag die bij de afbraak van de voormalige pastorie is gevonden.
tags: #hervormde #kerk #loosdrecht