De profeet Jesaja spreekt in hoofdstuk 46 van zijn boek over de dwaasheid van afgoderij en de onwrikbare trouw van de ware God, de HEER. De tekst benadrukt Gods zorg voor Zijn volk, zelfs tot in hun ouderdom.
De Dwaze Afgoderij van Babel
De tekst begint met een beschrijving van de afgoden van Babel, Bel en Nebo. Deze goden zijn zo machteloos dat ze moeten worden neergebogen en neergelegd. Ze worden een last voor de dieren die ze moesten dragen, symbool voor de nutteloosheid en de gevangenschap waarin de afgodsdienaren verkeren.
Bel is gekrompen, Nebo is neergebogen; hun afgodsbeelden zijn voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide dieren. Tezamen zijn ze neergebogen, in gevangenschap gegaan.

Dit contrast met de levende God wordt verder uitgewerkt. De afgoden worden op de schouders gedragen en op hun plaats gezet, maar kunnen niet antwoorden als er tot hen geroepen wordt, noch verlossen uit benauwdheid.
Zij schudden goud uit hun beurs en wegen zilver op een weegschaal. Zij huren een edelsmid, en die maakt er een god van. Zij knielen, ook buigen zij zich ervoor neer. Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem en zetten hem op zijn plaats. Daar staat hij en van zijn plaats wijkt hij niet. Ja, roept iemand tot hem, hij antwoordt niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.
Gods Belofte van Onveranderlijke Zorg
Tegenover deze machteloze afgoden stelt Jesaja de almachtige God, die Zijn volk, het huis van Jakob en het overblijfsel van Israël, vanaf de moederschoot draagt. Deze zorg is niet tijdelijk, maar strekt zich uit tot in hun hoogste ouderdom.
Luister naar Mij, huis van Jakob, en heel het overblijfsel van het huis van Israël, u, die door Mij gedragen bent vanaf de moeder schoot, gedragen vanaf de baarmoeder. Tot uw ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot uw grijsheid toe zal Ík u dragen; Ík heb het gedaan en Ík zal u opnemen, Ík zal dragen en redden.
De herhaalde nadruk op "dragen" en "redden" onderstreept Gods onvoorwaardelijke liefde en bescherming. Hij is niet iemand met wie vergeleken of op één lijn gesteld kan worden.
Met wie wilt u Mij vergelijken en met wie op één lijn stellen? Met wie wilt u Mij meten, dat wij elkaars gelijken zouden zijn?

Oproep tot Bezinning en Geloof
De profeet roept op tot bezinning en tot het ter harte nemen van Gods woorden. Hij herinnert aan de daden van vroeger en de zekerheid dat Hij de enige God is.
Denk hieraan en wees flink; neem het weer ter harte, overtreders. Denk aan de dingen van vroeger, van oude tijden af, dat Ik God ben en niemand anders. Mijn raadsbesluit houdt stand en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
God kondigt aan dat Hij Zijn plannen zal uitvoeren, zelfs door middel van heersers uit verre landen, zoals een roofvogel uit het oosten. Dit benadrukt Zijn soevereiniteit over de gehele wereld.
Die een roofvogel roept uit het oosten, een man van Mijn raad uit een ver land. Ja, Ik heb gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.
Gerechtigheid en Redding voor Israël
Tot slot richt God Zich tot degenen die ver zijn van gerechtigheid, de onbuigzamen van hart. Hij verzekert hen dat Zijn gerechtigheid nabij is en Zijn heil niet zal uitblijven. De redding en heerlijkheid zullen komen voor Sion en voor Israël.
Luister naar Mij, onbuigzamen van hart, u die ver bent van gerechtigheid: Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet ver zijn, en Mijn heil zal niet uitblijven, maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn luister.
Gods verhaal: De wildernis
De kernboodschap van Jesaja 46:4 is Gods onveranderlijke aard en Zijn trouwe zorg voor Zijn volk. Hij is de God die draagt, opneemt en redt, van de moederschoot tot in de hoogste ouderdom.