De ervaring van het lezen van The Fire Next Time van James Baldwin als negentienjarige filosofiestudent in 1977 was diepgaand en fysiek. Hoewel het boek geschreven was in een ogenschijnlijk hoopvollere tijd, veertien jaar eerder, toen Martin Luther King een brede beweging aanvoerde tegen segregatie en discriminatie, trof de schrijfstijl van Baldwin de lezer op een veel directer niveau. De manier waarop Baldwin geschiedenis, politiek activisme, persoonlijke herinnering en scherpe observaties wist te combineren, was overrompelend. Zijn stem klonk ironisch, onthullend, provocerend, woedend, gevoelig en scherp - als van de straat, maar ook verheven.
Baldwins radicale individualistische daad in het openbaar, door conventies van journalistiek, literatuur, academie en politieke discours te negeren, bood een inspirerend voorbeeld. Hij had geen geduld met politieke wonderrecepten, religieuze of humanistische sprookjes. Het boek was geenszins comfortabel of positief; het sprak vanuit het besef dat geen enkele ideologie, religie, theorie of wetenschap het onrecht, de pijn en de woede in levens kon laten verdwijnen. Hoewel er geen gemakkelijke oplossingen waren, benadrukte Baldwin de plicht om hardop en in het openbaar de waarheid te spreken, met name over de menselijke ervaring op de schaal van een enkel leven - van een zoon, een moeder, een onderwijzer, een slager, een kantoorbediende, een kokkin - waar lichaam, liefde, werk, religie, familie en politiek met elkaar verweven zijn.
Om dit standpunt in te nemen, was een literaire taal nodig die de gewone mensentaal kon opladen tot hij ging zingen, als een getuige van meer dan particuliere ervaring. Dit deed Baldwin, mede gevormd door zijn achtergrond als stiefzoon van een dominee en zijn eigen ervaring als tienerprediker. Hoewel hij putte uit een traditie waarin een geestelijke met de Gave des Woords zijn volgelingen in trance kon brengen, stuurde The Fire Next Time niet aan op dit effect. Baldwin doorbrak vaak zijn eigen verheven passages met ontnuchterende beelden en ironische terzijdes. Hij beroepte zich niet op filosofieën of politieke theorieën, maar op zijn eigen ervaring en die van zijn directe omgeving, en op enkele literaire auteurs. Zijn stem klonk meestal als een blueszanger, soms vertwijfeld, dolend en verscheurd, maar ook met een sardonische glimlach om zichzelf en de mensheid.
De verwrongen Amerikaanse identiteit, de gekwelde, innig vervlochten vervreemding tussen wat wit en zwart heet, waarover Baldwin schrijft, is het gevolg van een geschiedenis die het leven in de Verenigde Staten nog steeds tekent. Ondanks verheven grondwetteksten, emancipatiebewegingen en wetten, veranderde er in de praktijk weinig aan de segregatie, de enorme ongelijkheden, de brute en subtiele discriminatie van minderheden, noch aan de onverschillige houding van een politiek systeem doortrokken van impliciet wit-suprematisme. De sabotage van de regering-Obama door Republikeins Amerika, de verkiezing van Trump en de opmars van expliciet racistisch wit-nationalisme suggereren een nieuw hoofdstuk in het verhaal van de tragische 'dark side' van de Amerikaanse democratie.

De Vorming van een Wereldbeeld: Slavernij, Blues en Geschiedenis
De auteur beschrijft hoe hij als kind, tussen elf en veertien jaar oud, samen met zijn broer en een schoolvriendje een denkbeeldige planeet creëerde. Op deze planeet, bestuurd door een gesluierde alleenheerser genaamd Ho-Knal, bestond slavernij. Dit idee kwam voort uit het lezen van boeken over de Oudheid, waarin beschavingen vaak gebaseerd waren op slavernij. De strijdende deelnemers aan dit 'geofictie'-project waren elk baas over een deel van de planeet, waardoor de auteur de eigenaar werd van alle slaven in de fictieve staat Suntaris.
De kwestie van slavernij begon echter te wringen, mede door de impact van de Vietnamoorlog, de moord op Martin Luther King en de rassenrellen in Amerikaanse steden die hij op televisie zag. De zwart-wit beelden van geweld en vluchtende buurtbewoners, brochures van Amnesty International over martelingen in Zuid-Amerika, en de bluesmuziek van artiesten als Lightnin’ Hopkins, Son House, Robert Johnson en John Lee Hooker, leidden tot verwarring en een heroverweging van de geschiedenis van hun fictieve wereld. De auteur schreef een bijbel voor hun planeet, die in feite het verslag was van een revolutionaire burgeroorlog tegen een dictator, geleid door een seculiere Verlosser, Komba Ben Tas.
De geschiedenislessen op school over de Amerikaanse Burgeroorlog, met de 'ethische Lincoln' en de 'triomf van de eenheid', voelde niet kloppen met de complexiteit en de rauwe realiteit die de auteur ervoer. Luisterend naar bluesplaten in zijn kamer, kolkte dit alles door zijn hoofd. De foto's uit de Bronx, de akelige ansichtkaarten van lynchpartijen, de gekwelde gedachten van een meisje over haar kroeshaar - dit alles leek direct toegankelijk via de muziek.
De Blues als Uiting van Individuele Waarheid en Historisch Besef
Het type blues dat de auteur beluisterde, was een extreem individualistisch geluid, een eenmansuitvinding die de rauwe waarheid sprak zonder excuses of franje. Deze muziek riep beelden en geluiden op van pijn, verlies, wanhoop, verraad, maar ook van feestvieren, seks, vechten en zwerven. Het meest indrukwekkend was de hang naar harde, pijnlijke feiten en de weigering om het hoofd te buigen voor de belofte op verlossing. Deze blueszangers hadden geen geduld met goede manieren, romantisch, moralistisch of religieus gezwam. Hun stijl werd een morele norm, een waardige manier om antwoord te geven op de tragiek van het bestaan: eerlijk en boos, gevoelig en trots.
Ondanks de intimiteit van de muziek, was er ook een besef van enorme afstand. De Verenigde Staten voelden ver weg, en de auteur had slechts een vage voorstelling van het leven en de geschiedenis daar. Hij had nog nooit met een Amerikaan gesproken. Wat hoorde hij dan precies als hij luisterde naar de bluesplaten? Destijds kon hij dit gevoel niet delen of in woorden vatten. Het was een afgrondelijk vermoeden, een glimp van de brute kracht van de geschiedenis en het onvoorstelbare vermogen van mensen om anderen pijn en onrecht aan te doen. Dit inzicht, zo realiseerde hij zich, was niet beperkt tot de Afro-Amerikaanse geschiedenis, maar van toepassing op de verovering van Gallië door Caesar, het bestaan van Middeleeuwse horigen, de jodenvervolging, het schrikbewind in Sovjet-Rusland, volksverhuizingen en de ontberingen van arbeiders tijdens de industriële revolutie. Het was een vorm van pijn die groter was dan persoonlijke emoties, een gewaarwording die eeuwig aanvoelde en deel uitmaakte van de machinerie van de geschiedenis, onafhankelijk van individuele intenties.
Via de bluesplaten drong tot hem door dat zijn eigen kleine leventje, met zijn aandoenlijke probleempjes, deel uitmaakte van de mensengeschiedenis. Hij was verbonden met al dat onrecht, verdriet en die wreedheid. De geschiedenis bestaat uit miljarden individuele mensen, die allemaal zo'n blues zouden kunnen zingen: de schurken, de verdronkenen, de zwoegers, de moeders, de jokers, de moordenaars en de postbodes. De geschiedenisboeken en krantenartikelen misten iets cruciaals: hoe dit alles uitwerkte in wat men in de nacht alleen moest zingen.

Filosofie als Gereedschap voor Zelfbewustzijn en Onschuld Verlies
De auteur verklaart zijn keuze voor filosofiestudie door het gevoel bedwelmd te zijn door zijn beschermde jeugd, de welstand van zijn tijd en de gemoedelijke sfeer van Nederland. Door alles wat hij had gehoord, gelezen en gezien via muziek, films en boeken, had hij het sterke vermoeden dat hij gevangen zat in bekrompen denkwijzen, emotionele conventies, morele schema's en aangespoelde drogredeneringen, zonder de werkelijke omvang en gevolgen daarvan te kunnen bevatten. Hij zocht een 'koude douche', zowel in de studeerkamer als op straat, en zocht gereedschap om illusies, leugens, bijgeloof en lullige gewoontes weg te snijden.
Filosofie zou hem inzichten moeten leveren in de oorsprong van die denkbeelden en oordelen. Het woord 'gevangenschap' voelt nu niet meer helemaal juist; het ging hem meer om 'onnozelheid'. Hij wilde zijn onschuld verliezen en de verplichting voelde om door te lezen, na te denken en via ontmoetingen met anderen, andere landen en levenswijzen, afstand te nemen van alles wat hij was zonder er ooit om gevraagd te hebben: man, wit, heteroseksueel, Nederlander, geboren in 1957, protestants opgevoed door hoogopgeleide ouders, in vrede en welvaart.
Kerkelijke Activiteiten en Gemeenschapsleven
De tekst bevat diverse vermeldingen van kerkelijke activiteiten en gemeenschappen, waaronder de Boezemkerk in Ridderkerk, die in 1957 in gebruik werd genomen. Het ontwerp van deze kerk, met een kruisvormige plattegrond en een gotische uitstraling door verlijmde houten spanten, is van architectenbureau Hoogevest. De oriëntatie op het noorden-zuiden, in plaats van west-oosten, zorgt ervoor dat het zonlicht door de hoge ramen valt, wat het belang van de verkondiging benadrukt en het licht symboliseert als een symbool van Gods openbaring.
Het orgel van de Boezemkerk, gebouwd door Willem van Leeuwen, werd in 1960 in gebruik genomen en is verkocht aan de Sint-Martinuskerk in Overpelt, België, vanwege de voorgenomen sloop van de kerk. Het doopvont, geschonken ter herinnering aan de 25-jarige ambtsvervulling van eerw. heer P. A. Joen, wordt nog steeds gebruikt.
Verder wordt melding gemaakt van het afscheid van ds. T. Lekkerkerker in Ede, die daar van 1975 tot 1980 diende. In zijn afscheidsdienst sprak hij over de zegenbede uit 2 Korintiërs en benadrukte hij het belang van Gods liefde en het vertrouwen daarin, ondanks menselijke beperkingen. Ook de bevestiging van een nieuwe pastor in Akker- en Murmerwoude, waarbij ds. G. Biesbroek zijn vriend en collega bevestigde, en de prediking van ds. T. Lekkerkerker met als tekst 'Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt', worden beschreven.
De tekst bevat ook informatie over de Hervormde Gemeente Feijenoord, die in 1980 vijftig jaar bestond sinds de ingebruikname van de Maranathakerk in Rotterdam-Zuid. Deze kerk, ontworpen door B. Th. Boeyinga en R. J. Hoogeveen, is recent opgeknapt dankzij giften en vrijwillige inzet.
De restauratie en uitbreiding van het orgel in de Hervormde Kerk van Klaaswaal, ingebruikgenomen in 1980, wordt genoemd, met optredens van de heren J. van Weelden en J. K. Steenhoven. Ds. H. G. de Graaff sprak in zijn meditatie over Salomo's bede dat Gods ogen open zouden zijn over het huis.
Er is ook aandacht voor de Westerkerk in Capelle aan den IJssel, met een geschiedenis die teruggaat tot de laatste eeuwwisseling. De kerk kende slechte sociale omstandigheden, armoede en overvolle diensten. De kerk zelf heeft diverse verbouwingen en uitbreidingen ondergaan, en de verwarming en verlichting hebben in de loop der jaren verbeteringen gekend. De functie van kosterschap gaat inmiddels over van vader op zoon Middelkoop, en de rol van voorlezer was vroeger van groot belang. De tekst beschrijft ook de moeizame kerkelijke gemeenschapsvorming in Keeten, de buurtschap van Capelle aan den IJssel, met oprichting van verenigingen en pogingen tot eenheid.
De tekst bevat ook genealogische informatie, met name over de familie Aangeenbrug en aanverwante geslachten, met vermelding van geboorte- en overlijdensdata en huwelijken door de eeuwen heen. Ook de familie Baars en Bikker komen aan bod, met een focus op hun kerkelijke achtergrond en predikantschap.
Verder worden diverse kerkelijke vergaderingen en evenementen genoemd, zoals de zomer-synode van de Hervormde Kerk in Doorn, een zendingsbezinningsgroep in Utrecht, en een zang- en orgelavond in Wageningen. Concerten van de wereldberoemde organist Jean Guillou in diverse steden worden aangekondigd.
Ten slotte wordt de tekst onderbroken door wat lijkt op een database-extract met namen, data en kerkelijke functies, mogelijk gerelateerd aan predikanten en kerkelijke ambtsdragers.