De theologie van de Noord-Franse reformator Johannes Calvijn (1509-1564) heeft een diepgaande invloed gehad op het Nederlands protestantisme. Deze invloedrijke theoloog, oorspronkelijk bekend als Jehan Cauvin, werd geboren op 10 juli 1509 in Noyon, Noord-Frankrijk.
Jeugd en Opleiding
Calvijn groeide op in een gezin waar religie een belangrijke rol speelde. Zijn vader, Gérard Cauvin, was financieel administrateur van de plaatselijke kathedraal en ambieerde een hoge maatschappelijke positie voor zijn zoon. Hoewel zijn vader oorspronkelijk wenste dat Johannes priester zou worden, verlegde hij later de focus naar een studie rechten. Zo begon Johannes op veertienjarige leeftijd aan het Collège de la Marche in Parijs, waar hij Latijn studeerde onder leiding van Marthurin Cordier. Na een periode aan het Collège Montaigu, waar hij zich verdiepte in de 'vrije kunsten' binnen een streng orthodox-katholiek kader, zette hij zijn juridische studies voort in Orléans (vanaf 1528) en Bourges. Deze juridische achtergrond bleek later van grote waarde bij de organisatie van de protestantse kerk.
De universiteiten van Orléans en Bourges waren ook centra van het humanisme, een intellectuele stroming die het individu centraal stelde en een terugkeer naar de klassieken bepleitte. Dit kwam in contact met Calvijn, die zich later in zijn leven zou onderscheiden als humanist en auteur.

Bekering en Toewijding aan de Reformatie
Hoewel er weinig bekend is over mogelijke reformatorische sympathieën in de jaren 1528-1532, wordt aangenomen dat een ingrijpende gebeurtenis in 1531 zijn houding ten opzichte van de Rooms-Katholieke Kerk beïnvloedde. Na de ernstige ziekte van zijn vader Gérard, besloot Johannes hem op te zoeken in Parijs. In 1533 of 1534 onderging Johannes een persoonlijke bekering en koos hij ervoor de Reformatie te steunen.
Deze verschuiving markeerde het begin van zijn verwijdering van de Rooms-Katholieke Kerk. Zelf heeft Calvijn later tegenstrijdige getuigenissen afgelegd over de aard van zijn bekering, variërend van een plotselinge gebeurtenis tot een langdurig en pijnlijk proces. Biografen zijn het er echter over eens dat zijn breuk met de kerk plaatsvond rond 1533.
In 1535 zocht Calvijn zijn toevlucht in Bazel, een stad die zich had aangesloten bij de Reformatie. Het jaar daarop, in maart 1536, publiceerde hij zijn magnum opus: Institutio Christianae Religionis (Onderwijs in de christelijke godsdienst). Met dit werk beoogde hij de beginselen van de Reformatie te verduidelijken, met name voor de vervolgde Franse protestanten. De Institutie groeide uit tot een van de belangrijkste dogmatische werken binnen het gereformeerde protestantisme en werd door de gereformeerde staatsman Guillaume Groen van Prinsterer beschouwd als een afronding van de protestantse theologie.
Activiteiten in Genève en Straatsburg
Op weg naar Straatsburg, een belangrijk centrum van het protestantisme, kwam Calvijn toevallig in Genève terecht. Daar werd hij, op aandringen van de plaatselijke voorganger Guillaume Farel, aangesteld als prediker en later als pastor. Vanwege een conflict met het stadsbestuur over de zelfstandigheid van de kerk en een controverse met Farel over het avondmaal, vertrok Calvijn echter naar Straatsburg.
Gedurende zijn verblijf in Straatsburg, in augustus 1540, trouwde Johannes met Idelette de Bure, de weduwe van zijn vroegere doperse tegenstander Jean Stordeur. Hoewel er weinig details bekend zijn over dit huwelijk, wordt aangenomen dat het een liefdevolle relatie was, ondanks Calvijns eerdere opmerking aan Farel dat hij op zoek was naar een vrouw die gehoorzaam, kuis en zorgzaam was, waarbij uiterlijke schoonheid van ondergeschikt belang was.

Terugkeer naar Genève en Organisatorisch Werk
In 1541 keerde Johannes Calvijn op aandringen van invloedrijke personen uit Genève terug naar Zwitserland. Vanaf dat moment tot aan zijn dood bleef hij zich in Genève toeleggen op preken, pastoraat, publiceren en onderwijs. Een cruciaal initiatief was de oprichting in 1559 van de Academie in Genève (de huidige Universiteit van Genève), waar predikanten konden worden opgeleid in de protestantse leer. Deze academie werd van groot belang voor het gereformeerde protestantisme in Europa, aangezien ze decennialang studenten uit diverse landen opleidde.
Bij zijn terugkeer in Genève begon Calvijn, in opdracht van de stadsregering, met de reorganisatie van de kerk. Dit legde hij vast in de Ordonnances ecclésiastiques, die de basis vormden voor de organisatie van calvinistische kerken wereldwijd. Hierin werden vier ambten ingesteld: predikant, ouderling, diaken en doctor. Ouderlingen en predikanten vormden samen een consistorie of kerkenraad, die bemiddelde bij conflicten en gemeenteleden die zich niet aan de Bijbelse normen hielden, kon vermanen. Dit heeft geleid tot het beeld van Genève als een calvinistische politiestaat, hoewel de macht van de kerkenraad in werkelijkheid aanzienlijk werd ingeperkt door de stedelijke overheid.
In 1542 publiceerde Calvijn La Forme des Prières et Chants Ecclésiastiques, waarin hij speciaal aandacht besteedde aan het zingen van de psalmen door de gelovigen zelf. Het boek bevatte ook formulieren voor de sacramenten (doop, avondmaal, huwelijk) en de orde van dienst voor kerkdiensten.
Theologische Kern en Invloed
De kern van Johannes Calvijns theologie, aldus Herman Selderhuis, wordt gevormd door "de eer van God en het heil van de mens". Deze thema's doordringen al zijn geschriften. Centraal in zijn theologie stond zeker niet de leer van de uitverkiezing, zoals vaak wordt misverstaan. Hoewel Calvijn deze leer wel onderwees, stonden de eer van God en het heil van de mens voorop. De leer van de uitverkiezing kende hij al bij de kerkvaders en hij bouwde voort op een eeuwenoude theologische traditie. Mensen konden volgens Calvijn zekerheid krijgen over hun behoud, wat in de geloofsleer van bijvoorbeeld de 'Oudvaders' uit de Nadere Reformatie een problematischer kwestie was.
Binnen de kringen van de bevindelijk-gereformeerden, die zich sterk baseren op de Oudvaders, is de invloed van Calvijn minder groot dan binnen het neocalvinisme.

Calvinisme en de Nederlandse Cultuur
Tegenwoordig wordt nog steeds de link gelegd tussen Calvijn en de Nederlandse cultuur, waarbij het begrip 'calvinistisch' geassocieerd wordt met zuinigheid, strengheid, hard werken en soberheid, soms zelfs zonder humor. Echter, de stelling dat de Nederlandse volksaard door het calvinisme is gevormd, is de afgelopen vijftien jaar door diverse onderzoekers bekritiseerd en weerlegd. De term 'calvinistisch' wordt als een ongelukkige en misleidende benaming beschouwd, die ten onrechte een religieus fundamentalisme suggereert.
De ontwikkeling van typisch Nederlandse deugdenpakketten werd vooral bepaald door de praktijk van het stadsleven, en niet zozeer door religie. Wel heeft het calvinisme bijgedragen aan deze moraal door deze uit te bouwen en aan te passen. De deugden van de koopmansmoraal sloten naadloos aan bij de waarden van het calvinisme.
Calvijn ontkende, net als Maarten Luther en Augustinus, de mogelijkheid dat goede werken konden bijdragen aan verzoening met God. Hij beriep zich op Bijbelse teksten, met name de brieven van de apostel Paulus, om zijn visie op uitverkiezing te onderbouwen. Zijn predestinatieleer is voornamelijk gebaseerd op de gedachte van Gods soevereiniteit en de nietigheid van de mens. Naar Calvijns inzicht strekt de gedachte dat Gods voorzienigheid alles regeert, de gelovige tot troost. Het is belangrijk op te merken dat Calvijn en zijn aanhangers niet meenden dat predestinatie gevolgen had voor het menselijk handelen; het was niet de bedoeling dat men leefde zonder angst voor de gevolgen.
De door Calvijn gesystematiseerde leer van de rechtvaardiging door geloof alleen en de leer van de uitverkiezing zijn de hoekstenen geworden van de naar hem genoemde calvinistische of gereformeerde theologie. Deze leer is terug te vinden in diverse belijdenisgeschriften van kerken binnen deze stroming.
Latere Leven en Nalatenschap
Vanaf 1546 nam de oppositie tegen Calvijn in Genève weer toe, met name door de groep die bekend stond als de 'Libertijnen'. Deze groep verzette zich tegen zijn pogingen om kerkelijke tucht op te leggen aan alle inwoners. Na een periode van afnemende invloed herstelde Calvijn zijn positie na de omstreden executie van Michael Servet in 1553, die ter dood werd veroordeeld wegens het ontkennen van de Drie-eenheid. Hoewel Calvijn niet direct achter de veroordeling zat, werd zijn invloed op het Geneefse stadsbestuur in die periode beperkt.
Het tij keerde voor Calvijn in februari 1555, toen de verkiezingen werden gewonnen door zijn medestanders, die grotendeels bestonden uit Franse vluchtelingen. Vanaf dat moment bereikte Calvijns autoriteit binnen en buiten Genève een hoogtepunt.
Calvijn overleed op 27 mei 1564 op 54-jarige leeftijd in Genève. Zijn nalatenschap is enorm: zijn Institutie blijft een fundamenteel werk binnen de protestantse theologie, en de organisatie van de kerk in Genève diende als voorbeeld voor gereformeerde kerken in heel Europa. De universiteit die hij in Genève oprichtte, speelde een cruciale rol in de verspreiding van zijn ideeën.

De invloed van Calvijn is nog steeds voelbaar, zowel in de theologische en kerkelijke structuren als in de culturele perceptie, hoewel de term 'calvinistisch' vaak op misleidende wijze wordt gebruikt om Nederlandse eigenschappen te beschrijven.