Johannes de Doper: De Voorloper van Christus
Johannes de Doper was ten tijde van Jezus een boeteprediker in de woestijn van Juda. Hij doopte mensen met water om hen van zonden te reinigen. Hij was de eerste mens die Jezus aanwees als de Messias, de langverwachte redder van het volk van Israël. Daarom wordt hij de Voorloper van Christus genoemd.
Johannes' leven en bediening worden voornamelijk beschreven in de canonieke evangeliën, met Lucas als meest complete bron, die details geeft over zijn geboorte, bediening en dood. Het evangelie van Johannes sluit hierbij aan wat betreft zijn publieke optreden, maar bevat geen informatie over zijn vroege leven. Markus biedt een beknopte beschrijving, terwijl het vierde evangelie specifiek het getuigenis van Johannes na de doop van Jezus Christus belicht.
Ook de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vermeldt Johannes de Doper in zijn Joodse Oudheden. Hoewel zijn nauwkeurigheid soms ter discussie staat, zijn zijn opmerkingen over de populariteit van Johannes de Doper significant. Johannes werd door de menigte beschouwd als een groot profeet. Zijn bediening vond plaats in zuidelijk Judea en de Jordaanvallei, met specifieke vermeldingen van Bethanië of Bethabara, en Aenon bij Salim.
Hij verkondigde "goed nieuws aan het volk", wat inhield dat de verlossing nabij was. Hij spoorde zijn discipelen aan tot berouw, vasten en doop. Johannes had koning Herodes meermaals bekritiseerd voor zijn huwelijk met de vrouw van zijn broer Filippus en voor andere slechte daden, wat leidde tot zijn gevangenschap.
Geboorte en Vroege Leven
Volgens het evangelie van Lucas was Johannes de zoon van de priester Zacharias en Elisabet, de nicht van Jezus' moeder Maria. Ondanks Elisabets onvruchtbaarheid, werd haar op last van God een kind beloofd door de aartsengel Gabriël. Gabriël verscheen aan Zacharias tijdens een reukoffer in de tempel van Jeruzalem en kondigde de geboorte van een zoon aan, die Johannes moest heten. Deze zoon zou vreugde en blijdschap brengen en groot zijn in de ogen van de Heer. Hij zou geen wijn of sterke drank drinken, vervuld worden van de Heilige Geest en vele Israëlieten bekeren tot God.
Zoals voorspeld werd Elisabet zwanger en baarde haar zoon. Johannes groeide op "en de Geest beheerste hem meer en meer. Hij verbleef in de woestijn tot de dag, waarop hij zich aan Israël in het openbaar vertoonde".
Bediening als Boeteprediker
Johannes woonde in de woestijn van Juda en trad op als boeteprediker. Door zijn prediking vergaarde hij een groep discipelen, waaronder enkelen die later door Jezus als apostel werden aangesteld. Johannes had een verwilderd uiterlijk; hij droeg een kleed van kamelenhaar en at sprinkhanen.
Hij werd De Doper genoemd omdat hij zondaars wees op het Laatste Oordeel en hen een uitweg bood door zich te laten reinigen in het water van de rivier de Jordaan. Ook Jezus liet zich door Johannes dopen, waarmee Christus zich solidair verklaarde met allen die verlossing nodig hebben.
Getuigenis van Jezus als Messias
Volgens het evangelie van Johannes was Johannes de Doper de man die Jezus als de langverwachte Messias moest aanwijzen. Johannes getuigde: "Ik ben niet de Christus, maar ik ben gezonden om voor Hem uit te gaan." Hij verklaarde dat Jezus na hem kwam, maar diens meerdere was, en dat hij niet waardig was om de schoenriem van Jezus los te maken.
Johannes zag Jezus naderen en riep uit: "Daar is het lam van God, degene die de zonde van de wereld wegneemt. Hij is het van wie ik zei: 'Na mij komt iemand die mijn meerdere is, want vóór mij was Hij er al.' Ikzelf wist niet wie het zou zijn, maar omdat Hij aan Israël moest worden geopenbaard, daarom ben ik komen dopen in water." Hij getuigde verder: "Ik heb gezien hoe de Geest als een duif uit de hemel neerdaalde en op Hem bleef rusten. [...] Ik heb het gezien, en mijn getuigenis luidt: dit is de Zoon van God."
Vergelijking met Elia en de Profetische Rol
Johannes de Doper wordt beschouwd als de laatste oudtestamentische profeet, die, net als Jesaja en Jeremia, de komst van de Messias aankondigde. Hij deed sterk denken aan Elia, de profeet met het haren kleed die het volk opriep zich te bekeren tot God.
In het boek Maleachi staat een profetie waarin God zegt dat Hij voorafgaand aan de Dag van het Oordeel de profeet Elia zal sturen. In de vroege kerk geloofde men dat deze profetie vervuld werd met de prediking van Johannes. Men bedoelde niet dat Johannes een reïncarnatie van Elia was, maar dat hij "in de geest en de kracht van Elia" voor de Messias was uitgegaan.
Jezus zelf zei over Johannes in het evangelie van Matteüs: "Hij is het over wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor u uit, om voor u de weg te banen. Ik verzeker u, onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan die groter is dan Johannes de Doper. Maar de kleinste in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij."
Arrestatie, Gevangenschap en Dood
Nadat Jezus zich door Johannes had laten dopen en zijn missie begon, werd het werk van Johannes als het ware overbodig. Toch ging hij nog een tijdlang door met het toedienen van zijn doopsel.
Johannes werd gearresteerd op last van koning Herodes Antipas, de zoon van Herodes de Grote. Herodes Antipas voelde zich beledigd omdat Johannes hem te schande had gezet door hem publiekelijk te beschuldigen van overspel, aangezien Herodes de echtgenote van zijn broer Filippus tot zijn vrouw had genomen.
De koning, een marionet van de Romeinse bezetters, zette Johannes gevangen in de rotsburcht Macherus bij de Dode Zee. In de kerker werd Johannes overvallen door twijfel over de missie van Jezus. Hij stuurde twee van zijn discipelen naar Jezus met de vraag: "Bent U het die komen zou, of hebben we een ander te verwachten?" Jezus antwoordde: "Ga Johannes vertellen wat u hoort en ziet: Blinden zien weer en kreupelen lopen, melaatsen worden rein en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de goede boodschap verkondigd."
Op een dag, na een verleidelijke dans van de dochter van Herodias voor koning Herodes, vroeg de koning hoe hij haar zou kunnen belonen. Op aandringen van haar moeder vroeg zij: "Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper." De koning werd bedroefd, maar vanwege zijn eed en omwille van zijn gasten gaf hij het bevel om het haar te geven. Johannes werd in de gevangenis onthoofd. Zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven, die het naar haar moeder bracht. Zijn leerlingen kwamen het lijk halen, begroeven het en stelden Jezus op de hoogte.
Eerbetoon en Herdenking
De Kerk van Oost en West vereert Johannes als een grote heilige. In de rooms-katholieke kerk wordt zijn geboorte op 24 juni als hoogfeest gevierd. Zijn marteldood wordt jaarlijks op 29 augustus herdacht.

Johannes Calvijn: Theoloog van de Reformatie
Johannes Calvijn, geboren als Jehan Cauvin (Noyon, 10 juli 1509 - Genève, 27 mei 1564), was een Frans-Zwitserse christelijke theoloog tijdens de Reformatie, naar wie een protestantse christelijke stroming, het calvinisme, is genoemd.
Calvijn was de vierde van de zes kinderen van Gérard Cauvin en Jeanne Lefranc. Zijn moeder oefende een vrome invloed op hem uit. Door de positie van zijn vader als bisschoppelijk ambtenaar, kon hij huisonderwijs volgen met een groep adellijke jongens. In 1523 werd Calvijn op veertienjarige leeftijd naar het Collège de la Marche in Parijs gestuurd, waar hij onderwijs volgde in Latijn en Frans bij onder anderen Mathurin Cordier. Daarnaast bezocht hij enige tijd het Collège Montaignu.
Gérard Cauvin wilde aanvankelijk dat zijn zoon priester zou worden, maar toen dit onmogelijk werd, liet hij hem rechten en letteren studeren. Calvijn begon zijn studie in 1528 aan de Universiteit van Orléans en vervolgde zijn studie in 1529 in Bourges, waarna hij in 1532 doctor in het recht werd. Volgens de gewoonte van die tijd latiniseerde hij zijn naam Jehan Cauvin tot Iohannes Calvinus.
Humanistische Studies en Bekering
Als humanist schreef hij in 1532 zijn eerste boek, een commentaar op Seneca's verhandeling: De clementia (Over de zachtmoedigheid, of de goedertierenheid). Calvijns boek was een hulde aan Erasmus van Rotterdam.
Na het verschijnen van zijn eerste boek werd Calvijn gewonnen voor de Reformatie. Dit bleek op 1 november 1533 bij de rectorale rede van rector Nicolaas Cop, een vriend van Calvijn, van de Universiteit van Parijs, waarvoor Calvijn materiaal had aangedragen. In deze rede was te merken dat Cop en Calvijn welwillend stonden tegenover de beginselen van de Reformatie.
Tijdens zijn omzwervingen in Frankrijk ontmoette Calvijn Jacques Lefèvre d'Étaples. In Noyon deed Calvijn afstand van zijn kerkelijke inkomsten en later raadpleegde hij onder de schuilnaam Charles d'Espeville in Saintonge een uitgebreide bibliotheek, waar hij een basis vormde voor zijn Institutie. Calvijn ging in 1534 voorgoed tot de Reformatie over toen hij in de grotten van Saint-Benoît-la-Forêt en Crotelles voor het eerst het Heilig avondmaal vierde.
De Institutio Christianae Religionis
In 1535 kwam Calvijn in Bazel terecht, waar hij voor het eerst de reformatoren Heinrich Bullinger en Guillaume Farel ontmoette. In 1536 kwam de eerste uitgave van zijn Institutio Christianae Religionis (Onderwijs in het christelijk geloof) uit. In dit boek, zijn magnum opus, vatte Calvijn zijn zienswijze op het geheel van de christelijke leer samen. Gedurende zijn verdere leven bleef Calvijn dit boek aanvullen en uitbreiden, zowel in het Frans als in het Latijn.
De predikant van Lausanne, Pierre Caroli, vroeg zich hardop af, of Calvijn wel het leerstuk van de Drievuldigheid onderschreef. Hij miste een duidelijke benoeming van Jezus Christus als God, en beschuldigde zijn collega van Arianisme.
Activiteiten in Genève
In Genève begon in 1534 een godsdienstgesprek, waarmee het katholicisme verworpen werd, maar een nieuw systeem van kerkbestuur en kerkorde ontbrak. Protestantse predikanten waren in het Genève van 1536 weinig meer dan ambtenaren en bezaten - anders dan hun katholieke voorgangers - geen enkele macht of rijkdom. Ook Calvijn was niet meer dan een lage ambtenaar die met toestemming van de gemeenteraad in de stad woonde.
Farel drong aan door Calvijn toe te wensen dat 'het God mocht behagen Calvijns vrije tijd en de rust die Calvijn zocht voor zijn studie te vervloeken als Calvijn toch voornemens was weg te gaan'. Enkele maanden daarvoor, in november 1536, had Calvijn de gemeenteraad voorgesteld om iedere habitant de 21 artikelen van zijn geloofsbelijdenis te laten onderschrijven. Het ging in tegen de nieuw verworven vrijheid die de stad voor zichzelf had opgeëist in 1536.
Na zijn verbanning uit Genève trok Calvijn naar Straatsburg, waar hij, dankzij zijn vriend Martin Bucer, predikant van de Franse vluchtelingengemeente werd. In de jaren die volgden, oefende Martin Bucer een grote invloed uit op Calvijn.
Huwelijk en Gezin
Calvijn was vastbesloten te trouwen, omdat hij wilde laten zien dat het huwelijk bij hem in hoger aanzien stond dan het kerkelijke celibaat. Hij vroeg zijn vrienden hem te helpen een vrouw te vinden die "bescheiden, toegeeflijk, niet arrogant, niet extravagant, geduldig en bevorderlijk voor zijn gezondheid" was. In 1540 trouwde Calvijn met de uit Luik afkomstige Idelette de Bure, weduwe van de bekeerde anabaptist Jean Stordeur. Idelette had een zoon en dochter uit het eerdere huwelijk. In 1542 kregen Calvijn en Idelette een zoon, die echter reeds na twee weken overleed. Idelette Calvijn overleed in 1549.
Terugkeer naar Genève en Kerkhervorming
Tijdens zijn ballingschap volgde Calvijn de ontwikkelingen in Genève op de voet. Toen Jacopo Sadoleto, een rooms-katholieke kardinaal, een brief schreef aan het bestuur van Genève om de stad uit te nodigen om weer terug te keren naar de moederkerk, keerde het tij voor Calvijn. Zijn inzet voor de protestantse gemeenschap in Genève hielp hem het verloren aanzien in de stad terug te winnen.
Toen een aantal aanhangers van Calvijn in de gemeenteraad waren gekozen, werd Calvijn in 1540 uitgenodigd terug te keren naar Genève. Nadat hij een brief kreeg van Farel, was hij ervan overtuigd dat hij weer moest terugkeren. Tijdens de verhuizing van Straatsburg naar Genève kreeg hij heel veel medewerking van de raad van de stad. Alles werd door hen betaald. In 1541 werd Calvijn opnieuw predikant in Genève.
Gedurende de daaropvolgende periode zette Calvijn de kerk van Genève op poten. Hij kreeg daarbij veel hulp van zijn collega Pierre Viret. Meteen na zijn terugkomst begon hij aan een nieuwe kerkorde en schreef hij een nieuwe catechismus voor de jeugd. Onder Calvijns leiding werd Genève een voorbeeld voor andere reformatorisch gezinde gebieden.
Theologische Kernpunten: De Vijf Sola's en Predestinatie
Calvijn was een verklaard aanhanger van de vijf sola's van de Reformatie:
- Sola Scriptura (Alleen de Schrift)
- Sola Fide (Alleen door geloof)
- Sola Gratia (Alleen door genade)
- Solus Christus (Alleen Christus)
- Soli Deo Gloria (Alleen aan God de eer)
Volgens Calvijn is de mens slechts rechtvaardig voor God door het verzoenende werk van Jezus Christus en kan de mens daar zelf niets aan toe- of afdoen (door genade alleen). Omdat de mens niet in staat is zich te rechtvaardigen door goede werken, meende Calvijn dat God, vanuit Zijn eeuwig raadsbesluit, reeds van tevoren heeft bepaald wie deze goddelijke rechtvaardiging ten deel zou vallen en wie niet: de uitverkiezingsleer of predestinatie. Dit moet echter wel in de juiste context worden gezien, namelijk dat het niet het product is van menselijke speculatie, maar een geheim van goddelijke openbaring.
De leer van de predestinatie heeft als eerste functie uit te leggen waarom sommige mensen wel op het evangelie reageren en anderen niet. Zo vormt het een verklaring voor het individuele karakter van de menselijke reacties op de genade.
Calvijn ontkende, net als mede-reformator Luther en kerkvader Augustinus, de mogelijkheid dat zogenaamde goede werken zouden kunnen bijdragen tot verzoening met God. Bij zijn mening inzake uitverkiezing beriep hij zich, wederom evenals Luther en Augustinus, op bepaalde Bijbelse teksten, met name de brieven van de apostel Paulus (bijvoorbeeld Romeinen 9).
Zijn predestinatieleer is hoofdzakelijk gebaseerd op de gedachte dat God zo groots is en de mens zo nietig in vergelijking met God, dat de mens nooit in staat zal zijn daar iets aan toe of af te doen. Naar Calvijns inzicht strekt de gedachte dat Gods voorzienigheid alles regeert, de gelovige tot troost.
De door Calvijn gesystematiseerde leer van de rechtvaardiging door alleen het geloof en de leer van de uitverkiezing is de hoeksteen geworden van de naar hem genoemde calvinistische of gereformeerde theologie. In diverse belijdenisgeschriften van allerlei kerken van deze richting is deze leer daarom terug te vinden en vormt zij de basis daarvan.
Prediking en Onderwijs
Calvijn preekte ook voor zijn overgang naar de Reformatie, maar zijn geregelde predikarbeid begon na zijn overgang tot de Reformatie in Genève. Daar begon hij te preken nadat hij bezweek voor de stevige woorden van Guillaume Farel die hem overhaalde om in Genève te werken. Aanvankelijk hield hij bijbellezingen over de brieven van Paulus, later werd hij door de raad van de stad aangesteld tot predikant.
In Genève waren er op zondag meerdere diensten en doordeweeks was er iedere dag één dienst. Calvijn nam een groot deel van deze kerkdiensten voor zijn rekening. Evenals Huldrych Zwingli en Maarten Luther behandelde Calvijn in zijn prediking gehele bijbelboeken. Hij maakte geen gebruik van het pericopenstelsel. Zo deed hij er soms maanden of jaren over om een geheel bijbelboek door te preken.
In 1549 werd een officiële 'snelschrijver' aangesteld die de preken van Calvijn opschreef. Calvijns preken waren analytisch opgebouwd. Hij volgde de tekst op de voet, verklaarde en paste deze toe. De toepassing was met de boodschap van de bijbeltekst verweven.
In 1559 stichtte Calvijn in Genève een academie, de huidige Universiteit van Genève, om predikanten op te leiden. Zijn vriend en latere opvolger Theodorus Beza werd de eerste rector. Jonge mannen kwamen uit heel Europa om aan Calvijns academie te studeren, waarna zij naar hun thuisland terugkeerden om te prediken.
Conflict met Michael Servet
Een problematische tijd in het leven van Calvijn brak aan door het conflict dat hij had met de Spaanse arts en theoloog Michael Servet. Daarnaast was ook zijn standpunt met betrekking tot de kinderdoop voor de autoriteiten niet bepaald rustgevend.
In 1553 publiceerde Servet anoniem het boek Restitutio Christianismi (Herstel van het christendom), waarin hij Calvijn en diens Institutie bekritiseerde. Servet wilde niets weten van drie personen binnen de Godheid, maar sprak van drie krachten.
Al op 3 februari 1546 schreef Calvijn aan Guillaume Farel dat hij het voornemen had Servet te laten ombrengen, zodra hij daar de gelegenheid voor zou hebben. Op zondag 13 augustus 1553 woonde Servet in Genève een dienst bij die door Calvijn werd geleid. Daar werd Servet herkend. De gemeenteraad van Genève, verantwoordelijk voor de rechtspraak in de stad, vroeg Vienne om afschriften van de bewijsstukken tegen Servet. De gemeenteraad overlegde vervolgens met bondgenoten zoals Bern, Zürich, Schaffhausen en Bazel. Calvijn stelde voor deze doodstraf door de brandstapel om te zetten in doodstraf door het zwaard, hetgeen echter niet gebeurd is.
Leven en leer van Johannes Calvijn
Overlijden
Op zaterdagavond 27 mei 1564 overleed Calvijn op 54-jarige leeftijd. Vlak voor zijn overlijden had Calvijn op 25 april 1564 zijn testament nog geciteerd aan notaris Pierre Chenelat. Conform zijn wens werd hij de middag na zijn overlijden begraven in een gewone houten kist op kerkhof Pleinpalais in zijn woonplaats Genève. Voor de zekerheid wilde hij ook geen grafsteen.
