Het Verleden van de Joodse Gemeenschap in Almelo
De geschiedenis van de Joden in Almelo strekt zich uit tot de zeventiende eeuw. In 1660 wordt Isaac Arents genoemd als de eerste bekende Joodse inwoner van Almelo. Gedurende de achttiende eeuw duiken Joodse namen vaker op in documenten. In 1772 woonden er zeven mannelijke Joodse inwoners in de stad, waaronder Abraham Moses, die al in 1731 werd vermeld. Tegen het einde van de achttiende eeuw ontwikkelde Almelo zich, naar Nederlandse maatstaven, tot een middelgrote Joodse gemeente. In de negentiende eeuw nam het aantal Joodse inwoners gestaag toe, met een hoogtepunt rond 1900.
De eerste synagoge van Almelo bevond zich in de Bodden. Hoewel de stichtingsdatum onbekend is, was het gebouw al in 1803 in gebruik. Door de groei van de gemeente werd deze synagoge te klein, wat leidde tot de inrichting van een nieuw gebouw aan de Schalderoi in 1846. De eerste begraafplaats lag op het Sluitersveld aan de Kerkhofweg, waar al vóór 1775 begraven werd. De begraafplaats aan de Boddenstraat werd in 1846 aangelegd.
Families zoals Salomonson (waaronder Mozes, Joseph en Godfried), Bendien en Hedemann speelden een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Almelose textielindustrie en de oprichting van de Koninklijke Stoomweverij in Nijverdal. In het midden van de negentiende eeuw werd in Almelo een studiegenootschap opgericht, wat de stad aantrekkelijk maakte voor Joden uit de omgeving. Over het Joodse onderwijs in Almelo is echter weinig bekend.
Voor de aanzienlijke groep armen werd gezorgd door een liefdadigheidsgenootschap, opgericht in 1855. Emigranten uit Oost-Europa werden ondersteund door een apart genootschap dat in 1900 werd opgericht. Daarnaast waren er in Almelo diverse verenigingen actief op sociaal, cultureel en maatschappelijk gebied. In de jaren dertig van de twintigste eeuw kwamen zionistische activiteiten tot bloei in Almelo, met verschillende groepen Palestina-pioniers die contacten onderhielden met de Chaloetsiem-beweging te Deventer.

De Joodse Gemeenschap tijdens en na de Tweede Wereldoorlog
Tijdens de bezettingsjaren werden in Almelo dezelfde antisemitische maatregelen genomen als elders in Nederland. In 1941, na de verwijdering van Joodse kinderen uit het reguliere onderwijs, werd een Joodse school opgericht die bleef bestaan tot februari 1943, toen de deportaties al in volle gang waren. Het overgrote deel van de Joodse inwoners van Almelo werd weggevoerd naar concentratiekampen en heeft de oorlog niet overleefd. De synagoge bleef echter ongeschonden bewaard, evenals de wetsrollen en andere rituele voorwerpen.
Na de oorlog werd de Joodse gemeente van Almelo heropgericht en bleef actief. Op 2 november 1980 werd de huidige synagoge aan het Kerkplein ingewijd, grotendeels ingericht met het interieur van de oude synagoge aan de Schalderoi. Sinds april 1999 draagt het gebouw de naam Aron Haas Synagoge, ter ere van de drijvende kracht achter de wederopbouw van de Almelose Joodse gemeente in de naoorlogse jaren. Helaas is de synagoge niet meer in gebruik en sinds 2013 dient het gebouw als dagopvang voor senioren.
In mei 2000 werd de renovatie van de begraafplaats aan de Boddenstraat en het bijbehorende metaheerhuisje voltooid. In december 2004 werd op deze begraafplaats een marmeren gedenkplaat onthuld met de namen van de Joodse inwoners die niet terugkeerden. Op 12 mei 2005 werd aan de oostkant van het stadhuis een Joods monument onthuld, ontworpen door Antiene Lusseveld. Van de 265 gedeporteerde Joodse Almeloërs keerden er slechts zes terug.
De Joodse gemeenschap van Vriezenveen behoorde eveneens tot Almelo. In het begin van de negentiende eeuw woonden er een tiental Joodse gezinnen en vonden er godsdienstoefeningen plaats. Tussen circa 1880 en 1923 was er in Vriezenveen een synagoge in gebruik aan de Almelose weg. Het pand werd later gebruikt als timmerwerkplaats.

Definitie van Jodendom en Historische Context
Het Jodendom definieert een Jood als ieder die een Joodse moeder heeft of is overgegaan tot het Jodendom. Bekering tot het Jodendom is echter een moeilijk proces. Van Joodse zijde is men terughoudend met proselieten, gezien de historische vervolgingen die het Joodse volk heeft doorstaan. Pas na overtuiging van de oprechte bedoelingen van de toekomstige bekeerling(e) en na intensieve studie van het Jodendom, wordt men opgenomen en volledig geaccepteerd.
De regel dat het Jood-zijn via de moeder wordt doorgegeven, vindt mede zijn oorsprong in de talrijke pogroms door de eeuwen heen, waarbij Joodse vrouwen werden verkracht. Schuldbekentenissen uit de 14e eeuw tonen aan dat er Joden in Overijssel woonden, voornamelijk als geldschieters, aangezien andere beroepen, zoals landbouw of lidmaatschap van een gilde, voor hen vaak niet waren toegestaan.
Tijdens de pestepidemie van 1349 werden veel Joden vermoord, beschuldigd van het vergiftigen van waterbronnen en het uitbreken van de ziekte. Ook in Overijssel werden zij vervolgd; in Zwolle werden Joden verbrand en in Deventer en Kampen vermoord. De vervolgingen waren vaak gericht tegen Joden die zich niet wilden bekeren tot het christendom. Zij werden ervan beschuldigd Jezus van Nazareth niet als Christus te erkennen en schuldig te zijn aan diens kruisdood. Dit vermeende oordeel werd onderbouwd met citaten uit het Mattheüsevangelie, waarin staat dat de Joden riepen: "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen."
In de Middeleeuwen ontstond ook het "bloedsprookje", waarbij Joden werden beschuldigd van het slachten van christenkinderen en het gebruiken van hun bloed in matses voor het Pesachfeest. Dit verhaal dook ook in latere eeuwen op.
Na de vervolgingen in de 14e eeuw is er lange tijd weinig bekend over Joden in Overijssel. Pas in de 16e eeuw vestigden zich weer enkele Joden in de regio, zoals twee Joodse artsen in Hasselt. In de 17e eeuw werden Joden in Overijssel om diverse redenen geweerd. Deventer hield hen om economische redenen buiten de stad, hoewel Joodse kooplieden overdag mochten venten met lemoenen. Zwolle en Kampen stonden Joden toe binnen hun poorten te wonen en handel te drijven, verwachtende economische voordelen. In kleinere plaatsen zoals Goor en Enschede woonde in de 17e eeuw een enkele Jood.
Van gereformeerde zijde probeerde men Joden te weren uit religieuze overwegingen, uit angst voor massale bekering tot het Jodendom. In 1648 besloot de Overijsselse synode tot waakzaamheid "teghen het incruipen van de Joden" en een jaar later werd bepaald dat ambtenaren publieke besnijdenissen van Joden mochten beletten.
Ondanks de relatief milde houding van de overheid in de Republiek vergeleken met omringende landen, bleven Joden "vreemdelingen". De ruimte die zij kregen voor vestiging en economische activiteiten was afhankelijk van de lokale stedelijke overheden, wat leidde tot verschillende houdingen ten opzichte van Joden in de IJsselsteden: Zwolle, Kampen en Deventer. Deventer weigerde Joden toe te laten, terwijl Zwolle en Kampen hen bepaalde rechten verleenden. Zwolle verleende sommigen het kleinburgerschap, wat recht gaf op toetreding tot een gilde. Kampen verleende zelfs grootburgerschap, wat recht gaf op het gebruik van de stadsweiden en verkiesbaarheid tot de magistratuur, alhoewel deze rechten voor Joden beperkt bleven vanwege hun uitsluiting van landbouw en deelname aan stadsbesturen.
In tegenstelling tot hun achterstand op politiek en economisch gebied, konden Joden hun religie vrijuit belijden. Enkele knelpunten, zoals huwelijkswetgeving en begraven, zorgden voor controverses. Het Joodse huwelijksrecht stond bijvoorbeeld toe dat een oom zijn nicht huwde, wat in Nederland verboden was. De Joodse religie schreef begrafenis binnen 24 uur voor, terwijl het stadsbestuur bang was voor het begraven van schijndoden.
De rechtspraak in de Republiek was onpartijdig ten opzichte van Israëlieten, en Joden durfden er een beroep op te doen. In de 18e eeuw woonden Joden in diverse plaatsen in Overijssel, waaronder Almelo, Zwolle en Kampen. Aan het einde van de 18e eeuw vormden zich hieruit zeven Joodse gemeenten met eigen synagogen, begraafplaatsen en godsdienstonderwijs.
Joodse Vluchtelingen en het Antisemitische Klimaat
In de vroege jaren dertig vluchtten Joden uit angst voor het groeiende antisemitisme uit Duitsland naar Nederland. Na de Kristallnacht nam hun aantal sterk toe. De Nederlandse overheid trachtte de toestroom van Joden te beperken, zowel uit economische als politieke motieven, uit vrees voor toenemende werkloosheid en verslechtering van de economische situatie.
Onder de vluchtelingen bevonden zich alleenstaande kinderen die arriveerden met speciale kindertransporten. Schrijnende brieven van Joods-Duitse ouders aan Nederlandse hulporganisaties getuigen van hun wanhopige pogingen om hun kinderen te redden. Opperrabbijn Hirsch deed een dringend beroep op Joodse gezinnen om deze kinderen op te nemen en zo hun Joodse identiteit te behouden.
Uiteindelijk vestigden zich ruim 15.000 Joodse vluchtelingen uit Duitsland in Nederland. Het grootste deel van de Nederlandse Joden werd echter vermoord in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor, simpelweg omdat ze Joods waren. Nederland, dat eeuwenlang een toevluchtsoord was voor Joden, telde na de oorlog het trieste record van 82% omgekomen Joden. Van de ongeveer 140.000 Joden in Nederland bleven er slechts 25.000 in leven.
De overname van het Nederlandse bestuur door een Duits burgerlijk bestuur met sterke SS-invloeden speelde een rol in dit hoge aantal slachtoffers. Een klein deel van de Joden in Nederland overleefde de oorlog, vaak dankzij "goede" Nederlanders die hen met gevaar voor eigen leven verborgen hielden. Weinigen keerden terug uit de kampen. Niet alle Nederlanders waren verheugd hun Joodse medeburgers terug te zien; soms konden Joden met moeite hun in bewaring gegeven goederen terugkrijgen. Het gezegde "de verkeerde Joden zijn teruggekeerd" deed de ronde, wat wees op de zichtbaarheid van een latent antisemitisme, mogelijk versterkt door Duitse propaganda tijdens de oorlog.
Na de oorlog emigreerden veel Joden naar Palestina, eerst illegaal en na de oprichting van de staat Israël in 1948 legaal. Anderen vertrokken naar Amerika.
Holland, Vaarwel! De Vernietiging van het Nederlandse Jodendom – NL deel 1
Huidige Joodse Gemeenschappen en Evangelische Initiatieven
Er is weinig overgebleven van de Joodse gemeenschappen in Overijssel, en het exacte aantal is onbekend. Van Joodse zijde wil men zich niet altijd als Joods laten registreren, en secularisatie grijpt ook binnen het Jodendom om zich heen. Niet iedere Jood is nog automatisch lid van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap.
Joodse gemeenten zoals die van voor de oorlog bestaan in Overijssel niet meer. In Almelo en Enschede vinden wekelijks diensten plaats. Zwolle, dat een impuls heeft gekregen door de herinwijding van de gerestaureerde synagoge, streeft naar bijeenkomsten van eens in de veertien dagen. Het is voor de Joodse gemeenschap steeds een uitdaging om het minjan (het vereiste aantal tien volwassen Joodse mannen voor bepaalde gebeden) vol te krijgen. De Nederlands Israëlitische Gemeente van Deventer bestaat momenteel enkel nog juridisch.
Naast de resterende Joodse gemeenschappen, zijn er ook evangelische initiatieven in Almelo. De Evangelie Gemeente De Deur Almelo is een lokale, startende gemeente met een wereldwijde visie, die diverse leeftijden en culturen kent. De prediking vanuit Gods woord staat centraal tijdens hun diensten, met als doel mensenlevens te veranderen door het oorspronkelijke evangelie zoals verkondigd door Jezus Christus en de apostelen. Ze organiseren wekelijks twee diensten en een midweekse Bijbelstudie.
De Deur Almelo is onderdeel van Christian Fellowship Ministries (CFM), een wereldwijde beweging met ongeveer 3000 kerken in meer dan 130 landen. Met ontvangen giften investeert de gemeente in kerkactiviteiten en evangelisatie, gelovend dat God Zijn koninkrijk bouwt door hun levens en giften, en dat zij die geven, gezegend zullen worden.
Een ander initiatief is One80 in Almelo, een plek waar levens "180 graden draaien". Elke zondag om 10:00 uur is er een samenkomst in het gebouw van Eninver, Apollolaan 1. De samenkomsten omvatten het zingen van opwekkingsliederen met een muziekteam. Op maandag-, dinsdag- en woensdagavonden zijn er huiskringen waar het bestuderen van Gods woord centraal staat.
Deze evangelische gemeenten benadrukken dat niet-Joden ook deel uitmaken van Gods volk, en dat Joden en niet-Joden samen één christelijke kerk vormen, waarbij de beloftes van God aan Israël nu gelden voor iedereen, mogelijk gemaakt door Jezus Christus.
tags: #joodse #evangelische #gemeente #almelo