Metahistorische beschouwingen van F. de Graaff

In de publieke discussie rondom het conflict binnen de Evangelische Hogeschool (EH) is herhaaldelijk de naam opgedoken van dr. F. de Graaff, een hervormd emeritus predikant en auteur van talrijke werken over cultuurfilosofische en theologische onderwerpen. Centraal in deze discussie staat de invloed van zijn opvattingen, met name met betrekking tot de metahistorie en de analyse van de westerse cultuur.

De cultuurkritiek van F. de Graaff

Dr. F. de Graaff kenmerkt zich door een zeer kritische houding ten opzichte van de westerse cultuur. Volgens hem heeft het Westen een eeuwenlange neergang doorgemaakt, die reeds in de Middeleeuwen is ingezet. Hij stelt dat de mens het besef van directe verbondenheid met de geschapen werkelijkheid heeft verloren, zichzelf als subject is gaan zien en de werkelijkheid uitsluitend nog via abstracte 'voorstellingen' benadert. Deze abstractie vormt volgens hem de basis voor de moderne wetenschap, die de levende schepping reduceert tot een dood object.

De gevolgen van deze ontwikkeling zijn volgens De Graaff ingrijpend:

  • De tijd is gereduceerd tot mechanische klokketijd.
  • De aarde is gedegradeerd tot een loutere bol.
  • De taal heeft haar intrinsieke verbondenheid met de werkelijkheid verloren en is teruggebracht tot 'gepraat'.
  • Techniek is de nieuwe afgod geworden, gericht op het bruikbaar maken van de werkelijkheid van objecten.
Schematische weergave van de kritiek op de moderne westerse cultuur door F. de Graaff, met nadruk op de abstractie en techniek.

Metahistorie: de geschiedenis achter de geschiedenis

De Graaff introduceert het concept van de 'metahistorie' om de geschiedenis van de cultuur werkelijk te kunnen begrijpen. Dit concept verwijst naar wat er gebeurt in de onzichtbare werkelijkheid. Hij stelt dat het wezen van een cultuur wordt beheerst door een geest of god, die hij niet als een fictie of projectie beschouwt, maar als 'engelenwezens' die door de God van Israël na de zondeval zijn aangesteld als bemiddelaars.

De westerse wereld zou volgens De Graaff ook een dergelijke god toegewezen hebben gekregen. Hij interpreteert Psalm 82 als een passage die spreekt over deze tussenwezens. In deze Psalm constateert God dat de 'goden' (de tussenwezens) hebben verzuimd recht te doen aan de geringe en de wees. De Graaff concludeert dat de god van het Westen heeft gefaald, met afschuwelijke daden tot gevolg.

De dood van de westerse god

Volgens De Graaff is de sterfelijk geworden god van het Westen rond het jaar 1000 ter dood veroordeeld. In zijn boek Anno Domini 1000 Anno Domini 2000 (1977) betoogt hij dat de god van het Avondland zichzelf, in de persoon van keizer Otto III, heeft geofferd. Dit plaatsvervangend offer werd volgens hem door de hoogste God aanvaard, wat blijkt uit het feit dat de cultuur de kritieke datum, de zonnewende van 21 juni 1000, zonder vernietiging van de Christenheid overleefde.

De geschiedenis van de westerse cultuur sinds de Middeleeuwen kan volgens De Graaff alleen begrepen worden vanuit de dood van deze god. De 'hinderaar' (Satan) zou vervolgens de macht hebben kunnen overnemen, waarbij techniek als zijn voornaamste middel in de eindfase fungeert.

Illustratie die de periode rond het jaar 1000 en de concepten van de 'dood van de westerse god' en de opkomst van techniek weergeeft.

Profeten van de metahistorie

Hoewel de metahistorie voor velen verborgen is, heeft De Graaff gewezen op profeten die de waarheid op verhulde wijze verkondigden. Hij noemt met name Friedrich Nietzsche, die volgens De Graaff de dood van de god (niet van God) verkondigde. Ook Johann Sebastian Bach zou blijk hebben gegeven van dit inzicht, met name in zijn Matthäus-Passion, die eindigt met de woorden "Ruhe sanfte! Sanfte Ruh'!", waarmee de dode god rust in het graf.

Israël en het heil van de volkeren

De Graaffs visie reikt verder dan de analyse van de westerse cultuur; hij beschouwt het heil van de mensheid als onlosmakelijk verbonden met het volk Israël. Hoewel Israël ook zijn eigen 'tussenwezen' (Michael) kende, onderscheidde het zich van andere volkeren door Jahweh als de directe God van hemel en aarde te kennen. Het heil is volgens De Graaff alleen te verkrijgen via een verbinding met Israël.

Hij interpreteert de worsteling van Jakob met de engel in Genesis 32 als een zoektocht naar het behoud van zijn broer Esau. Alleen door Jakob te zegenen, dat wil zeggen, door zijn eerstgeboorterecht te erkennen, kon Esau verlossing ontvangen. Deze geschiedenis fungeert als een ouverture voor de verdere uitwerking van het principe dat Israël de uitverkorene blijft en dat slechts door erkenning van Israël het heil van de God van Israël te verkrijgen is.

Jezus en de worsteling tussen Jakob en Esau

In de tijd van Jezus' aardse leven zag De Graaff het Romeinse Rijk als gelijk aan Esau. In zijn boeken over de evangeliebeschrijvingen van Johannes en Matteüs betoogt hij dat in het leven en sterven van Jezus opnieuw een worsteling tussen Jakob en Esau plaatsvindt. Jezus wordt door hem beschouwd als het diepste Zelf van Israël, die stierf voor het Volk om de zonden van de volkeren te verzoenen.

De Graaff betwist dat de Joden Jezus verworpen hebben. Volgens hem beseften de Joden dat er voor Esau (Rome) redding mogelijk was door geloof in Jezus. Deze opvatting vereist een radicaal nieuwe lezing van de Evangeliën, waarbij niet de oppervlakkige lezing, maar het doorvragen naar de verborgen, esoterische kennis tot werkelijk inzicht leidt.

Het Nieuwe Testament en de 'list' van Israël

Het gehele Nieuwe Testament moet volgens De Graaff anders gelezen worden. Het Joodse volk zou na de komst van Jezus niet hebben afgedaan, maar zijn schuld - de verplichting om als uitverkoren Volk de heidenen te verlossen - op Jezus hebben gelegd. Door ogenschijnlijk afstand te nemen van Jezus, maakten zij de weg vrij voor de aanvaarding van Jezus door de Romeinen. Deze 'list', zo stelt De Graaff, is door de christenheid niet doorzien, wat hij ontstellend vindt.

De joden zouden hebben verwacht dat degenen die in de eerste graad waren ingewijd, heilbegerig zouden worden en naar hogere graden zouden verlangen. Dit gebeurde niet. Eerstegraadsingewijden (de oppervlakkig lezende christenen) meenden de meesters (de joden) te moeten en te kunnen onderwijzen.

Het Joodse volk gaat volgens De Graaff zijn eigen weg als uitverkoren Volk, geleid door de Thora. De heidenvolkeren hebben een andere relatie tot de vleesgeworden Thora; zij hoeven de voorschriften niet te volgen, maar moeten wel de onverbrekelijke eenheid van Messias en Volk erkennen. Dan is de derdegraads inwijding mogelijk: Jahweh zegent dan degenen die Zijn Volk hebben gezegend.

the decline in literacy & rise in ai

Kritische evaluatie van De Graaffs theorieën

Hoewel De Graaffs theorieën complex en uitgebreid zijn, worden ze ook gekenmerkt door speculatie en een bijzondere interpretatie van historische en religieuze teksten. Critici wijzen op het gebrek aan serieuze grond voor zijn beweringen over tussenwezens en de god van het Avondland.

De manier waarop De Graaff met het Nieuwe Testament omgaat, wordt als ontoelaatbaar beschouwd. Om zijn visie te handhaven dat Israël Jezus niet verworpen heeft en dat heil alleen verkregen kan worden door hen die Israël zegenen, worden de Evangeliën gemystificeerd. De Graaffs betoogstijl vertoont gelijkenis met die van 'verborgen wijsheid', zoals die voorkomt in gnostische en kabbalistische stromingen.

Ondanks de kritiek is De Graaffs cultuurkritiek, met name zijn kritische houding tegenover wetenschap en techniek, voor sommigen de moeite waard. Zijn opvattingen, die deels geïnspireerd zijn door Martin Heidegger, benadrukken de gevaren van een te eenzijdige focus op objectivering en abstractie, en de heimwee naar een directere verbondenheid met de realiteit.

De Graaffs visie op Spinoza en de Crisis van de Westerse Cultuur

In zijn boek Spinoza en de crisis van de westerse cultuur (1977) presenteert De Graaff een opmerkelijke interpretatie van Spinoza. In tegenstelling tot de verwachting dat Spinoza de schuld zou krijgen van de crisis, stelt De Graaff dat Spinoza juist een bijdrage wilde leveren aan de oplossing ervan. De Graaff plaatst Spinoza in zijn 'kamp' door te suggereren dat Spinoza vergelijkbare gevoelens had over de grote crises van de westerse cultuur als De Graaff zelf in eerdere werken had geschetst.

De Graaff beschrijft hoe rond het jaar 1000 het goddelijke zich aan de westerse cultuur begon te onttrekken, wat leidde tot een scheiding tussen Natuur en Bovennatuur. Deze scheiding werd rond 1500 gecompleteerd, met het verdwijnen van de hemel boven de natuur en de opkomst van de moderne kosmos. God werd een verborgen God, zelfs dood verklaard. Descartes' twijfel en de scheiding in twee substanties (res cogitans en res extensa) worden gezien als uitingen van dit algemene levensgevoel.

Volgens De Graaff zag Spinoza deze situatie als vergelijkbaar met de ballingschap van de Joden. De kabbala bood volgens De Graaff een alternatieve benadering om met de verborgen God om te gaan. Waar talmoedische rabbijnen naar de toekomst keken, keken kabbalisten terug naar het verleden, naar God als de oorsprong van alles. Spinoza zou, zo stelt De Graaff, de wereld van de goyim (niet-Joden) willen laten delen in deze kabbalistische verlossingsweg, niet gericht op een Messias, maar op terugkeer naar God zelf.

De Graaff interpreteert Spinoza's concept van 'substantie' als een vertaling van het kabbalistische 'En Sof' (de ongrijpbare, verborgen God). De Sephiroth, de eigenschappen, worden gezien als de attributen waarmee God indirect gekend kan worden. De ontkenning van de God van de openbaring en het erkennen van Gods verborgenheid bracht Spinoza in conflict met zijn Joodse gemeenschap. De Graaff begrijpt dit, aangezien hij zelf een vergelijkbare visie lijkt te hebben.

De Graaffs interpretatie van Spinoza is onmiskenbaar eigenzinnig. Hij ziet Spinoza niet als veroorzaker van de crisis, maar als iemand die een uitweg toonde, een nieuwe vertrooster. De Graaff, een calvinist, prijst de tolerantie van de Nederlandse Republiek, die hij toeschrijft aan het calvinisme en met name aan Willem III, en niet aan Johan de Witt. Hij benadrukt dat de predestinatieleer en de leer van de onvrije wil leidden tot het inzicht dat gewetensdwang zinloos is, en dat tolerantie een noodzakelijk gevolg was.

F. de Graaff: Leven en werk

Frank de Graaff (1918-1993) was een Nederlands Hervormd predikant, theoloog, cultuurfilosoof en godsdienstwijsgeer. Hij studeerde theologie met als hoofdvak wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Utrecht en promoveerde in 1951 op een dissertatie over Martin Heidegger, waarin hij stelde dat Heidegger met het 'Zijn' God bedoelde. Zijn preken kenmerkten zich door een sterke nadruk op exegese en een diepgaande analyse van de gang van de Europese cultuur in relatie tot het christendom.

De Graaff voorzag een teloorgang van het West-Europese christendom en de daarmee samenhangende secularisatie, een visie die destijds door velen als te pessimistisch werd beschouwd. Zijn boeken, zoals Als goden sterven (1969) en Anno Domini 1000 - Anno Domini 2000 (1977), maakten indruk en bevatten zijn theorieën over tussenwezens die culturen besturen.

Zijn latere werk, zoals Jezus de Verborgene (1987, 1989), onderzocht de parallel tussen de omhulling van het christendom in de geschiedenis en de omhulling van Christus zelf. De Graaffs centrale gedachte was dat Jezus en de god van het Europese christendom niet dezelfde zijn. Dit leidde tot het concept van 'inwijding', waarbij bepaalde personen meer inzicht krijgen in geestelijke zaken.

De Graaffs theorieën stuitten op veel weerstand. Zijn opvatting dat culturen worden geregeerd door tussenwezens of goden was zeer omstreden. Ook zijn afwijzing van de zogenaamde vervangingstheologie, die stelt dat de Christelijke Kerk in de plaats van Israël is gekomen, en zijn verzet tegen Jodenzending, waren controversieel.

Ondanks de kritiek vonden zijn ideeën weerklank bij de orthodox-protestantse Evangelische Hogeschool (EH) in Amersfoort, die onderdelen uit zijn gedachtegoed gebruikte voor een vrije leergang cultuurwetenschappen. Echter, De Graaffs totale afwijzing van de wetenschap en zijn metahistorische beschouwingen botsten met de nadruk op een letterlijke Bijbeluitleg binnen orthodox-protestantse en evangelische kringen, wat leidde tot meningsverschillen en uiteindelijk tot het staken van de plannen voor een eigen christelijke universiteit.

Portretfoto van dr. F. de Graaff.

tags: #metahistorie #preken #f #de #graaf