De relatie tussen de Nederduits Hervormde Kerk en het Jodendom is een complex en gelaagd onderwerp dat door de eeuwen heen verschillende vormen heeft aangenomen. Van theologische interpretaties en maatschappelijke interacties tot zendingsactiviteiten en dialogen, de band tussen deze twee religieuze gemeenschappen heeft een rijke geschiedenis.
Historische Context van de Nederduits Hervormde Kerk
De Nederduits Gereformeerde Kerk, later bekend als de Nederlandse Hervormde Kerk, ontstond in de 16e eeuw, met de oprichting in Emden in 1571. In 1579 werd zij de publieke kerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De term 'Nederduits' werd destijds gebruikt om de kerk te onderscheiden van andere gereformeerde kerken, zoals de Waalse, de Schotse, de Hoogduitse en de Engelse gereformeerde kerken. De Waalse kerken hadden een eigen landelijke synode, terwijl de andere kleinere kerken ondergebracht waren in de organisatie van de Nederduitse gereformeerde kerken. Nederduits stond in contrast met Hoogduits en werd later vervangen door het begrip Nederlands.
Deze kerk werd tijdens de Unie van Utrecht officieel erkend als publieke kerk van de nieuwe republiek. Toch was de kerk niet uitsluitend een Nederlandse kerk. Al spoedig ontstonden er scheuringen binnen de nieuwe kerk, zoals die tussen de remonstranten en de contra-remonstranten. De strijd ontspon zich niet alleen om het theologisch vraagstuk over predestinatie, maar ook rondom een politiek meningsverschil over de verhouding tussen kerk en staat. Op de Synode van Dordrecht van 1618 en 1619 werd de strijd in het voordeel van de contra-remonstranten beslecht. Op deze synode werden de Dordtse Leerregels gemaakt, die samen met de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus de Drie Formulieren van Enigheid vormen.
Na de Franse inval in Nederland in 1795 werd de scheiding van kerk en staat een feit. Na de Bataafse Republiek ontstond het koninkrijk Holland. Koning Lodewijk Napoleon begunstigde de katholieken in de katholieke meerderheidsgebieden, hoewel hij ook de hervormden of gereformeerden in andere gebieden hun privileges liet hernieuwen. Na de Napoleontische periode werd in 1816 het Algemeen Reglement aangenomen, met goedkeuring van koning Willem I van Nederland. De kerk werd in de Unie van Utrecht tot de publieke kerk van Nederland. Toch was het niet de enige kerk. De predikanten van deze kerk doopten alle kinderen, ongeacht het geloof van de ouders. Scholen werden vanuit deze kerk aangestuurd. De kerk bepaalde vaak bij overheidsbenoemingen of de kandidaat religieus onverdacht was. Andere religies waren soms toegestaan in de Republiek, waaronder het Jodendom en het lutheranisme, die vrijwel volledig vrij waren.
In 1816 werd de naam van dit kerkgenootschap officieel Nederlandsche Hervormde Kerk en naderhand (bij een nieuwe spelling) Nederlandse Hervormde Kerk. Koning Willem I stelde een nieuwe kerkorde op, wat door veel kerkleden als ongewenste inmenging van de koning in kerkzaken werd gezien. Verzet tegen deze ontwikkelingen leidde in behoudende hoek in 1834 tot de afzetting van Hendrik de Cock, die predikant was in Ulrum. De beweging die hieruit ontstond wordt de Afscheiding genoemd. In 1867 werd een nieuw bestuursreglement ingevoerd, dat de gewone kerkleden stemrecht gaf voor de kerkenraad. Onder leiding van Abraham Kuyper vond in 1886 tijdens de Doleantie een nieuwe afscheiding plaats. In 2004 hield de Nederlandse Hervormde Kerk op te bestaan en ging het overgrote deel van de lidmaten op in de nieuwe Protestantse Kerk in Nederland (PKN).
Theologische en Maatschappelijke Verhoudingen tot het Jodendom
Aanvankelijk waren de verschillen tussen de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk breed en diep. De Gereformeerde Kerken in Nederland zijn in 1892 ontstaan door de vereniging van gemeenten uit de Afscheiding van 1834 en de Doleantie van 1886. Hoofdreden voor deze afscheidingen was het diepe verval in de Nederlandse Hervormde Kerk, waar predikanten de officiële leer konden loochenen zonder dat daartegen werd opgetreden.
Na de Tweede Wereldoorlog en vooral vanaf de zestiger jaren werden de contacten tussen de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk steeds nauwer. Dit werd mede bevorderd door de invoering van een nieuwe kerkorde in de Nederlandse Hervormde Kerk in 1951 en het doorbreken van een steeds grotere leervrijheid binnen de Gereformeerde Kerken, waardoor beide kerken verder van hun confessionele wortels losgroeiden. In het kader van Samen op Weg groeiden beide kerken nog verder naar elkaar toe.
Binnen de Nederlandse Hervormde Kerk was er lange tijd een sterke nadruk op het volkskerk-karakter, waarbij brede lagen van de bevolking tot de kerk behoorden. De Gereformeerde Kerken daarentegen vertegenwoordigden meer het vrije kerk-type, ontstaan uit vrijwillige aansluiting en actieve geloofsbelijdenis.
Er was ook een verschil in de benadering van de Drie Formulieren van Enigheid. De Gereformeerde Kerken besloten al vroeg om in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis een wijziging aan te brengen, waarbij de zinsnede "om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen" werd geschrapt. Dit duidde op een minder uitgesproken theocratisch gedachtegoed in de Gereformeerde Kerken vergeleken met de Nederlandse Hervormde Kerk.
Vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk was er kritiek op de gebrekkige aandacht voor zending onder Israël. In 1885 constateerde S. D. van Veen dat de kerk "schuldig tegenover de Joden staat, omdat zij als lichaam niets doet voor de Zending onder Israël". J. H. Gunning JHz. merkte in 1898 op dat de kerk "feitelijk in het geheel niets doet voor de bekeering van Israël". Hij stelde dat er slechts "enkele kleine kringen onder de Christenen" waren die hun roeping hierin verstonden. Gunning bekritiseerde ook de theologische opleiding, die weinig kennis had van Talmoed, Midrasj en Siddoer, die voor veel landgenoten nog levende en het leven beheerschende grooteheden waren.

Deze situatie bleef, althans in de Nederlandse Hervormde Kerk, tot in de Tweede Wereldoorlog bestaan. Zonder officiële band met de Kerk werkten enkele organisaties aan zending onder Israël. In 1941 werden deze verenigingen door de Duitse bezetters verboden. De zendingsman H. Kraemer nam toen het initiatief tot de oprichting van een hervormde Raad voor de verhouding van Kerk en Israël; het werk werd hiermee kerkelijk, gericht op gesprek en dialoog met Israël.
De kerken uit de Afscheiding (1834) werkten sinds 1875 in kerkelijk verband met een 'Commissie voor de Zending onder Israël'. In de Gereformeerde Kerken werd het werk van deze commissie voortgezet binnen een Deputaatschap. De huidige Christelijke Gereformeerde kerken begonnen zendingsarbeid in 1931.
Zendingsactiviteiten en Dialoog
De geschiedenis van zending onder Israël in Nederland is nauw verbonden met diverse organisaties en initiatieven. De Nederlandse Hervormde Kerk was vanaf 1816 de naam voor de Nederduits(ch)e Gereformeerde Kerk. Na de bevrijding van het Franse bewind kreeg koning Willem I invloed op kerkelijke vraagstukken. Een nieuwe kerkorde werd ontworpen en goedgekeurd bij koninklijk besluit in 1816.
De Nederduitse Gereformeerde Kerk (ook wel: Nederduitsch Gereformeerde Kerk of Gereformeerde Kerk) is de gereformeerde kerk die ontstaan is in Emden in 1571. Deze kerk werd tijdens de Unie van Utrecht officieel erkend als publieke kerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De term Nederduits diende ter onderscheiding van andere gereformeerde kerken.
De Nederlandse Hervormde Kerk kende verschillende stromingen. Rond 1920 ontstond tussen de vrijzinnigen en de confessionelen de Ethische Vereniging. Sinds de jaren 60 van de 20e eeuw begon de Nederlandse Hervormde Kerk samen met de Gereformeerde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Kerk een proces tot meer samenwerking: Samen op Weg (SoW).
Er is gesproken over het belang van het Joodse volk en hun boodschap. Rabbijnse uitleggers, zoals Jonathan Sacks, brengen een boodschap die voor alle mensen geldt: een gebroken wereld heel maken, wat een van de belangrijke principes van het jodendom is en een belangrijke toevoeging op het christendom.
De persoonlijke zoektocht naar geloof en geloofszekerheid kan leiden tot een diepere verdieping in de joodse bijbeluitleg. Het lezen van de parasja van de week, een gedeelte uit de Thora, en het wekelijks bespreken hiervan via Zoom, wordt als mooi en leerzaam ervaren. Het zien dat God zijn volk vasthoudt, ondanks alle pogroms, en dat het Joodse volk nog steeds zijn stempel drukt en veel te zeggen heeft, is een belangrijke observatie.
De Nederlandse Hervormde Kerk kent een presbyteriaal-synodale opbouw, waarbij de plaatselijke gemeenten samen de ene landelijke kerk vormen. De Gereformeerde Kerken daarentegen benadrukken de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Dit verschil speelt opnieuw een rol in het Samen op Weg-proces, waarbij vele plaatselijke gereformeerde kerken hun zelfstandigheid vreesden te verliezen.
Vanaf het einde van de zeventiende eeuw waren er initiatieven voor een 'betere behartiging van Israëls belangen'. Het project van de Synode van Zuid-Holland om te komen tot een 'gewenste bekeering' van de Joden bleef echter een project. Gunning constateerde dat er destijds slechts "enkele kleine kringen onder de Christenen" waren die hun roeping verstonden.
De London Society for Promoting Christianity Amongst the Jews (tegenwoordig Church Missions to Jews) was actief in Nederland vanaf 1817. In Rotterdam en Amsterdam werden zendingsposten gesticht. Na moeilijkheden met de Nederlandse regering werd het werk in 1835 opgeschort, maar in 1844 weer hervat. C. W. H. Pauli was van 1844-1874 zendeling te Amsterdam. Onder zijn bediening werden naar verluidt 4 à 500 Joden gedoopt.
Een andere belangrijke organisatie was de Nederlandsche Vereeniging voor Israël, voortgekomen uit de Vrienden Israëls. Aan deze organisaties zijn de namen verbonden van A. Capadose en C. Schwartz, en van Is. da Costa. Het werk van deze organisaties, die deel uitmaakten van het Réveil, is gedocumenteerd in diverse gedenkboeken.
De Vereniging 'Elim', opgericht in 1901 en nauw verbonden met de Engelse moederorganisatie, was actief in Rotterdam en later ook in Antwerpen. In Rotterdam werd een doorgangshuis voor emigranten geopend, waar in de eerste zes jaar bijna 150.000 bezoekers passeerden. De Vereniging 'Elim' werd in 1941 verboden.
Het Nederlandsch Zendeling Genootschap richtte in 1807 een permanente Commissie tot de Joden op, mede onder invloed van het missiewerk in Engeland. Het hoofddoel bleef echter de Heidenzending. Deze Commissie bracht jaarlijks verslagen uit die van belang zijn voor de kennis van het toenmalige Nederlandse Jodendom en de houding tegenover de Joden.
Het is belangrijk te benadrukken dat de persoonlijke overgang van personen als Is. da Costa en A. Capadose van het Jodendom naar het Christendom, en later ook van Ph. S. van Ronkel en F. Lion Cachet naar de Doleantie van 1886, deel uitmaakt van deze geschiedenis.
De Joodse Gemeenschap in Nederland
Het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) is de organisatie van Joodse gemeenten in Nederland. Het werd opgericht in 1814 op initiatief van koning Willem I. De gemeenten zijn meestal Asjkenazisch (Hoogduits), traditioneel of orthodox-joods.
Het Jodendom kende in Nederland een lange geschiedenis, met perioden van zowel tolerantie als discriminatie. De aanwezigheid van Joodse gemeenschappen, met hun eigen religieuze gebruiken en gemeenschapsstructuren, heeft de Nederlandse samenleving op diverse manieren beïnvloed.
De verdieping in de joodse bijbeluitleg, zoals het lezen van de parasja van de week en het volgen van leerhuizen, wordt als een waardevolle toevoeging op het christendom gezien. Het principe van "een gebroken wereld heel maken" is een belangrijk principe van het jodendom dat ook in het christendom weerklank vindt.
Wat Is Joods Zijn?
De discussie over de plaats van het Jodendom binnen het christendom en de rol van de kerk ten opzichte van Israël blijft een relevant thema, dat aanzet tot verdere studie en dialoog.
tags: #nederduits #hervormd #en #jood