Inleiding: De Middeleeuwse Kerkgebouwen in de Vijfheerenlanden
Het merendeel van de kerken in de steden en dorpen van de Vijfheerenlanden, waaronder Hagestein, is gebouwd in de vóór-reformatorische tijd ten behoeve van de Rooms-Katholieke eredienst. De parochies van Vianen, Heikop, Everdingen, Hagestein en Lexmond ressorteerden onder het aartsdiaconaat van de proost van St. Salvator of Oudmunster. De laatste drie vielen aanvankelijk onder de gecombineerde kapittels van de Dom en Oudmunster. Ook de parochie van Zijderveld behoorde tot het aartsdiaconaat van Oudmunster; in de 16e eeuw wordt zij echter in de registers van St. Marie vermeld. De kerk van Schoonrewoerd behoorde eveneens onder de proost van St. Asperen, Heukelum en Spijk vielen aanvankelijk onder het aartsdiaconaat van de proost van Tiel, die in 1314 met zijn kapittel naar Arnhem verhuisde en sedertdien daarnaar heette.
De middeleeuwse kerkgebouwen zijn alle tussen 1566 en 1614 door de hervormden in gebruik genomen en zijn dat tot op de dag van vandaag gebleven. In de Vijfheerenlanden heeft geen restitutie plaatsgevonden, ook al omdat de Rooms-Katholieken maar weinig vaste grond onder de voeten hadden in de eeuwen na de Reformatie, dit ondanks missieactiviteiten in de 17e en 18e eeuw. Zo had Vianen in de 17e en 18e eeuw twee staties, één van de Jezuïeten en één van de Franciscanen. De Jezuïetenstatie is na 1730 vervangen door een seculiere statie, van waaruit het omringende land bediend werd. De andere Rooms-Katholieke statie, waarvan de schuilkerk in de Achterstraat stond, is in het begin van de 18e eeuw overgegaan naar de Jansenisten.
In Leerdam en omgeving was in 1656 een Franciscaan werkzaam, maar een groot percentage aan Rooms-Katholieken leverde dit niet op. In het begin van de 19e eeuw was in de meeste dorpen niet meer dan 1 à 2 procent van de inwoners Rooms-Katholiek. Alleen in Vianen, Hagestein en Everdingen lag het percentage aanmerkelijk hoger, namelijk 28,43% in Vianen, 65,40% in Hagestein en 31,52% in Everdingen.
Schade en Restauraties aan Kerkgebouwen
Natuurrampen en Branden
Geen van de middeleeuwse kerken is in haar oorspronkelijke staat tot ons gekomen. De kerken van Hei- en Boeicop en Schoonrewoerd werden door plunderende troepen in onderscheidenlijk 1380 (Jan van Arkel) en 1479 (Gorkummers) in brand gestoken. Voor zover valt na te gaan heeft de Tachtigjarige Oorlog geen of weinig schade aan de kerkgebouwen in de Vijfheerenlanden aangericht, in tegenstelling tot kerken in overige delen van Zuid-Holland en aangrenzende gebieden in Gelderland.
Van de kerk van Hagestein is bekend dat zij ernstig beschadigd is tijdens het beleg van de stad in 1405 en in 1567 toen zij door de Geuzen onder aanvoering van Hendrik van Brederode is geplunderd. Overstromingen en stormen hebben in dit laaggelegen, vlakke land relatief meer schade aangericht. Bij opgravingen tijdens de restauratie van de kerk van Heukelum, werd op een 13e-eeuwse vloer een sliblaag van 25 cm aangetroffen, die wijst op een watersnoodramp omstreeks 1340. Bij dijkdoorbraken in 1799 en 1809 werden de kerken van Heukelum, Oosterwijk en Kedichem beschadigd.
De orkaan van 1 augustus 1674, die met name het midden van het land teisterde en die onder andere het schip van de Utrechtse Dom heeft doen instorten, heeft eveneens schade toegebracht aan de kerkgebouwen te Asperen en Schoonrewoerd, waar de kappen van het schip bezweken. Asperen werd in 1717 nogmaals door een storm getroffen, waardoor ditmaal een gedeelte van de kap en een stuk van de gevel teloor gingen. Beide kerken werden in de jaren daaraanvolgend weer opgebouwd, in Schoonrewoerd in een versobering van de oorspronkelijke gotische vormen, in Asperen naar wordt aangenomen volgens de oude gegevens.
De voornaamste bedreiging van de middeleeuwse gebouwen vormden de talrijke branden, die meestal ontstonden door blikseminslag of door het overspringen van vuur tijdens een stadsbrand. In 1463 woedde in Asperen een stadsbrand, waarbij zeer waarschijnlijk de hele kerk, misschien met uitzondering van het koor, teloor gegaan is. Bij de brand in 1896 bleef te Asperen tenminste de toren nog redelijk gespaard. In 1498 brandde de kerk te Everdingen af en werd vrij snel daarna weer herbouwd. Een felle brand legde omstreeks 1600 de kerk van Hagestein in de as: alleen de toren en het koor bleven bewaard. Het zou tot 1830 duren voordat de kerk weer helemaal herbouwd was. Blikseminslag deed in 1699 de Heukelumse kerk in vlammen opgaan. Het nog resterende gedeelte van het koor werd provisorisch gedicht. Pas in 1728 werd dit weer aan de westkant naar een, kleinere en lagere, aanbouw, merkwaardig genoeg ook weer in een gotische vormgeving, geopend. In 1772 werd de Heukelumse toren het slachtoffer van een grote stadsbrand. De Grote kerk van Vianen werd door een brand in 1540 zo ernstig beschadigd, dat zij in feite geheel herbouwd moest worden. Van die gelegenheid werd een gunstig gebruik gemaakt, namelijk door de kerk een geheel nieuwe opbouw en daarmee ook een geheel nieuwe ruimtewerking te geven.
De kerk van Spijk brandde in 1935 helemaal uit, om weer in de jaren daaropvolgend in de oude vormgeving herbouwd te worden. Het opgaand muurwerk heeft men daarbij gehandhaafd.
Gevolgen van de Beeldenstorm en Hervorming
De Reformatie heeft maar weinig invloed op het uiterlijk van de kerkgebouwen gehad, op de inrichting echter des te meer. In Spijk heeft vrij kort na de Reformatie een verbouwing plaatsgevonden, ter verbetering van de lichttoetreding. Of een en ander samenhangt, is niet duidelijk. In Asperen, Heukelum, Leerdam, Hagestein en Vianen is er sprake van schade ten gevolge van de Beeldenstorm in de jaren 1566 en daaraan volgend. De beeldenstormers hebben zich met name gericht op het afhakken van wapens (Leerdam), het meevoeren van ijzerwerk en klokken (Hagestein) en het kapot slaan, danwel verwijderen van aan de Rooms-Katholieke eredienst herinnerende inventaris.
In de loop van de 17e eeuw werden alle kerken met nieuw meubilair als een preekstoel, herenbanken, doophekken, psalm- en rouwborden en (koperen) lezenaars, kandelaars en kronen uitgerust. Van het meubilair uit deze periode is veel inmiddels weer vervangen, zij het dat over het algemeen de preekstoel met lezenaar, soms de doopbekkenhouder, hier en daar de koperen kronen en delen van herenbanken behouden blijken te zijn.
Technisch Onderhoud en Herstel in de 18e en 19e Eeuw
In de 18e en 19e eeuw was de technische staat van de gebouwen over het algemeen slecht, te wijten aan hetzij achterstallig onderhoud (Vianen en Leerdam), aan slechte funderingen, waardoor muurwerk ging verzakken (Nieuwland), of aan provisorische en daardoor niet afdoende herstellingen na rampen als stormen of branden. Alle kerken zijn in de 19e eeuw in meerdere of mindere mate hersteld, een herstel dat dan gepaard ging met het aanbrengen van een pleisterlaag uit esthetische danwel technische overwegingen (Everdingen, Hei- en Boeicop, Lexmond, Leerdam, Schoonrewoerd) en het vervangen van raamtraceringen met houten of gietijzeren vullingen. Het inwendige van de kerk te Leerdam werd zelfs geheel nieuw ingericht.
Ook in de 20e eeuw gingen de ingrijpende wijzigingen door, ingegeven door de technische staat (Spijk), of door een drang naar vernieuwing en terugbrengen naar een soms vermeende, oorspronkelijke staat, met in vele gevallen voorbij gaan aan een historisch gegroeide situatie (Lexmond en Leerdam). Vooral de buitenbepleistering en het meubilair heeft het daarbij moeten ontgelden.
Architectuur en Stedelijke Ontwikkeling van Hagestein
De Oorsprong van Hagestein
De naam ‘Hagestein’ is afkomstig van het gelijknamige kasteel, dat genoemd is naar de polder ‘Hagen’ waar het was gesitueerd. De nederzetting werd aanvankelijk ‘Gasperden’, ‘Gasparne’, of ‘Gasparneweerde’ genoemd. De ligging op een stroomrug mag Hagestein in beginsel tot de groep van oudere nederzettingen in het gebied rekenen. Het is tevens de plaats van een van de vroegste (begin 12e-eeuwse) kerkstichtingen in het gebied. Kort voor 1252 werd de heerlijkheid verrijkt met een kasteel, dat op enige afstand noordwestelijk van de kerk werd gebouwd.
De oorspronkelijk agrarische nederzetting maakte in de 14e eeuw de aanzet tot een rigoureuze verandering mee door de stadsrechtverlening (1382) uit handen van de heer van Arkel. Deze actie lijkt zuiver bedoeld om Gasperden een sterkte ten opzichte van het Hollandse Vianen en het Gelderse Culemborg te laten zijn. Een deel van de bestaande ruimtelijke structuur, inclusief het kasteel, werd opgenomen in een rechthoekig gevormde omgrachting.

De Stedelijke Ontwikkeling en de Arkelse Oorlogen
De ontwikkeling van Hagestein tot een stedelijke structuur is in een pril stadium blijven steken. Regionale machtsverhoudingen leidden tot de zogenaamde Arkelse Oorlogen, die uiteindelijk in 1405 de ondergang van de Arkelse macht in het gebied vormden. De uitingen van die macht in de vorm van stad en kasteel Hagestein (maar ook van andere sterkten) werden daarbij volledig weggevaagd. De ruimtelijke ontwikkelingen zijn sindsdien bescheiden gebleven; de plattegrond van Joan Berck uit 1583 geeft de omgrachting, deels uit een stelsel van dubbele grachten bestaand, volledig aan. Daarbinnen bevindt zich een spaarzame bebouwing bij de kerk, terwijl het terrein voor het overige onbebouwd is, behoudens de uiterste noordwesthoek, waar rond 1546 een woontoren in opdracht van de toenmalige bezitters van de heerlijkheid was gebouwd.
Het gedetailleerde kadastrale minuutplan uit 1822 laat zien dat de structuur sinds 1583 nauwelijks veranderd is. Gedurende de 20e eeuw treedt enige verdichting in de bebouwing op en vindt bebouwing aan de uitvalswegen plaats. In het centrale gedeelte van de dorpskom verdwijnt het agrarisch element vrijwel geheel. Het kasteel is in 1855 afgebroken en het grachtenstelsel is door demping steeds minder goed zichtbaar gebleven; nu markeert nog slechts een smalle sloot de vroegere werken. Het noordelijk deel van het binnen de omgrachting gelegen terrein is na afbraak van het kasteel onbebouwd gebleven. Mede daardoor zijn hoogteverschillen in het landschap, in het bijzonder ter plaatse van de vroegere kastelen, nog duidelijk zichtbaar.
De Dorpskern en Agrarische Bebouwing
De voornaamste en tevens oudste bebouwing van het dorp is geconcentreerd langs de Dorpsstraat, waaraan onder andere de kerk, het thans in onbruik geraakte raadhuisje en het voormalig rechthuis liggen. Behoudens de dorpskom hoort nog het gedeelte van de Lekdijk tussen Vianen en Everdingen tot Hagestein. De bebouwing langs de dijk is vrijwel uitsluitend agrarisch van aard. Ten zuiden van de Lekdijk ligt Tienhoven, een evenwijdig met de dijk lopende weg met (agrarische) bebouwing aan weerszijden van voornamelijk 19e- en 20e-eeuws karakter. De T-boerderij is van de oudere exemplaren aan deze weg in de meerderheid.
Hoewel de Dorpsstraat al in de 17e eeuw tamelijk dicht bebouwd is geweest, kan die oudere bebouwing, met uitzondering van de kerk, heden ten dage nauwelijks meer teruggevonden worden. Het gebouwtje is ontworpen in een aan de Amsterdamse School herinnerende vormgeving door een architect Vermeulen en is gebouwd door W. van der Berg en J. Sprong. Het uit rode baksteen opgetrokken gebouw herbergde rechts het gemeentehuis en links de veldwachterswoning. Boven de ingang staat een overhoeks geplaatst torentje.
De Hervormde Kerk van Hagestein: Geschiedenis en Architectuur
Vroege Stichting en Middeleeuwse Kerk
De kerk van Hagestein behoort tot de oudste stichtingen in de Vijfheerenlanden. Zij viel aanvankelijk onder de kapittels van de Dom en Oudmunster, later alleen onder het kapittel van Oudmunster. Het oudste deel van de nog resterende kerk is de toren, waarvan het onderste gedeelte uit de 13e eeuw zal dateren. In de 15e eeuw is er een verdieping opgeplaatst.
In 1567 werd de kerk geplunderd, waarbij onder andere ijzerwerk en klokken door de Geuzen werden meegenomen (en later weer teruggebracht). Tussen 1599 en 1601 werd de kerk vrijwel geheel door brand verwoest. Alleen het oostelijk gedeelte (het koor), de toren en een deel van het opgaande muurwerk van het schip bleven behouden. Het koor werd met een muur gedicht. Daarin werd kerk gehouden. De restanten van de kerkmuren bleven staan.

Herbouw in de 19e Eeuw
In 1758 werd uiteindelijk besloten de schipmuren af te breken, omdat zij gevaar voor de omgeving opleverden. In 1791 is de toren gerepareerd, waarbij de top werd afgeplat, teneinde een seininstallatie te kunnen plaatsen. In de jaren twintig van de 19e eeuw werd overwogen om een groter gebouw in gebruik te nemen, omdat de toenmalige kerkruimte te klein was geworden voor de groeiende gemeente. In 1829 en 1830 werd de nu bestaande kerk, overwegend op de fundamenten van de middeleeuwse kerk gebouwd.
De kerkekamer (consistorie) met zolderverdieping werd aangebouwd, op een nieuw aangelegde, wat smallere fundering. Als scheiding tussen kerk en consistorie werd een houten, nog steeds bestaand schotwerk aangebracht. Aan de westzijde kwam tegen de toren eveneens een schotwerk tot tegen het gewelf. Het middeleeuwse koor bleef voor de kerkdiensten tot 12 april 1830 in gebruik en werd vervolgens afgebroken, waarna als laatste onderdeel de consistorie kon worden gebouwd. De plechtige inwijding van het nieuwe kerkgebouw vond plaats op 11 juli 1830.
Restauraties en Bouwkenmerken
In 1964 waren al plannen ontwikkeld door architect R. Visser uit Schoonhoven. Het plan hield onder andere in het amoveren van de gevangenis, die op de begane grond was ingericht en de reconstructie van denissen onder de galmgaten in de aangetroffen 13e-eeuwse vormen. Op de begane grond zijn lichtspleten in oude vorm teruggebracht en de afgeknotte spits werd in oude vormen gereconstrueerd. Bij de jongste restauratie is enig tufsteenwerk gevonden, behorend tot de fundamenten van het middeleeuwse koor.
Kerk en toren zijn uit rode baksteen opgetrokken. Formaat van de baksteen aan het benedengedeelte van de toren bedraagt: 28,5-29,2 × 14-15 × 7-8 cm, 10 lagen = 91,5 cm. De toren is samengesteld uit vier geledingen, waarvan de twee onderste zijn opgebouwd uit door lisenen begrensde en onderling door een tandlijst gescheiden vlakken. De derde geleding wordt met een rondboogfries aan noord- en zuidzijde en een getand fries aan oost- en westzijde afgesloten. Dit gedeelte dateert uit de 13e eeuw.
Op de begane grond zit een iets gedrukte boogvormige toegang, die in een tweede boog gevat is en die dateert uit de 15e eeuw. De tweede geleding bevat sporen van dichtgezette vensters. In de rondboognissen van de vierde geleding bevinden zich galmgaten. De kerk heeft rondboogvensters met houten roederamen in alle gevels. Het toegangsportaal zit aan de noordzijde van het schip, waarboven een rond venstertje met gietijzeren tracering is aangebracht. Boven het portaal een steen met de tekst: den 20 mei 1829 // is de eerste steen gelegd // door // de heer f. van den berg p.z. // burgemeester enz. van hagestein.
De toren heeft op de begane grond een gemetseld tongewelf uit de 15e eeuw, dat een kruisgewelf vervangt, getuige de aanzetten daarvan en een boog in het metselwerk. De overige verdiepingen zijn met houten vloeren plat afgedekt. Van de kapconstructie in de toren zijn de eiken muurstijlen 16e-eeuws en voorzien van gesneden merken. Voor het overige dateert de kap van de laatste restauratie. Op de begane grond en de eerste verdieping bevinden zich dichtgezette toegangen naar de kerkruimte. De derde verdieping is getooid met gedrukte bogen met lisenen, aangebracht ten tijde van het dichtmetselen van de oude galmgaten ter plaatse in het begin van de 15e eeuw.
De kerkruimte wordt met een houten tongewelf overdekt, dat uitkomt op een geprofileerde lijst op consoles. De kapconstructie van de kerk is samengesteld uit vijf hele en vijf halve stapelspanten en gordingen van grenehout.
Het De Koff-orgel in de Hervormde Kerk van Hagestein
Historische Context en Plaatsing
Het De Koff-orgel uit 1920 in de Hervormde Kerk te Hagestein is in de afgelopen maanden gerestaureerd door de firma J.L. van den Heuvel Orgelbouw te Dordrecht. De Utrechtse orgelmaker J. de Koff bouwde in 1920 een nieuw orgel in de kerk van Hagestein, waar tot dan toe gebruik werd gemaakt van een oud kabinetorgel dat was geplaatst boven de kansel. Adviseur bij de bouw was Joh. G. Coljee, organist van de Grote Kerk te Vianen. Het orgel werd geplaatst op een nieuwe galerij tegenover de kansel. Het kreeg acht zelfstandige registers op een manuaal met mechanische tractuur.
De Bourdon 16′ wordt via een pneumatische transmissielade op het pedaal speelbaar gemaakt als Subbas 16′. In 1962 werd een elektrische windmachine geplaatst. Zes jaar later was het orgel aan restauratie toe waarvoor orgeladviseur J. van Rossum te Leerdam een plan opstelde. De firma De Koff, die het orgel dan nog steeds in onderhoud had, diende een prijsopgave van 22.925 gulden in en presenteerde tevens een voorstel voor de bouw van een nieuw orgel. Ook werd een offerte voor restauratie opgevraagd bij orgelbouwer A.H. de Graaf uit Leusden. Zijn opgave bedroeg 13.915 gulden inclusief het vernieuwen van alle houten pijpwerk.

Restauraties en Wijzigingen
De restauratie door De Graaf omvatte het demonteren en opnieuw verlijmen van de windlade. Het cancellenraam werd voorzien van dekplaten van supra-hechthout. De eikenhouten registerslepen kregen een verend systeem met ringen en de ventielen werden opnieuw beleerd. De pulpeten verving De Graaf door metalen muntstukken van 1 cent, waarin een doorvoergat was gemaakt. De klavieren van Manuaal en Pedaal werden opnieuw ingevoerd. Het houten pijpwerk was sterk door houtworm aangetast. Alle houten pijpen werden vernieuwd en de orgelkas werd tegen houtworm behandeld.
De Graaf voerde enkele wijzigingen in de dispositie door. De Cornet werd vervangen door een Mixtuur III-IV op tweevoets basis. Op de manuaallade werd de Bourdon 16′ vervangen door een Octaaf 2′. Alle nieuwe pijpwerk had een tingehalte van 30%. De pneumatische bas van de Bourdon 16′ bleef wel op het klavier bespeelbaar.
Omstreeks 2004 kwam het orgel in onderhoud bij de Rotterdamse orgelbouwer Henk Scheuerman. Na het overlijden van Scheuerman in 2014 kwam het orgel in onderhoud bij J.L. van den Heuvel Orgelbouw. Het orgel vertoonde toen al problemen met de tractuur en de windladen. Een omvangrijke restauratie diende zich met de jaren aan. Werkzaamheden omvatten het opnieuw beleeren (met wit rundleder) van het dubbelvouws magazijnbalg, nazien en reparatie van de pomp-schepbalgeninstallatie, het behandelen van de orgelkas tegen houtworm, het vervangen van pulpeetplaatjes in de windlade door lederen pulpeten, het opnieuw vlakken en beleeren van de speelventielen, het opnieuw invoeren van de mechanieken, het plaatsen van contramoeren op abstractdraden om het ernstige rammelen en het veelvuldig doorslaan van de toetstractuur te verhelpen, herstel van pedaalpneumatiek met nieuwe leren membranen en nieuw leer op de kegels, grondige restauratie van het manuaal- en pedaalklavier, herstel van metalen pijpwerk waarbij veel door loodoxidatie aangetaste pijpvoeten zijn vervangen, en reconstructie van de Bourdon 16′ in de discant op het manuaal. Een aantal originele pijpen was op de orgelkas bewaard gebleven, aanvullend pijpwerk in De Koff-factuur komt uit de voorraad van de orgelmaker. De Octaaf 2′ van De Graaf is om muzikale redenen behouden.
Dispositie
Manuaal C-f3:
- Prestant 8′ - C-h0, front, zink; c1-f3 orgelmetaal
- Bourdon 16′ - C-d1 op pneumatische transmissielade, hout; aanvullend pijpwerk uit voorraad orgelmaker
- Roerfluit 8′ - C-H hout, c0-f3 orgelmetaal
- Viola di Gamba 8′ - C-H uit Roerfluit, c0-f3 orgelmetaal
- Octaaf 4′ - C-H zink, c0-f3 orgelmetaal
- Fluit 4′ - C-H zink, c1-f3 orgelmetaal
- Octaaf 2′ - De Graaf, 1969; orgelmetaal; op kantsleep, 2022
- Cornet IV - vanaf c1, orgelmetaal; Scheuerman 2014 met pijpwerk De Graaf uit 1969
- Trompet 8′ B.K. - C-h0, zinken bekers
- Trompet 8′ D.K.