De Vorming van Twee Gereformeerde Kerken
De periode tussen 1888 en 1892 was cruciaal voor de vorming van gereformeerde kerken in Jutrijp en Hommerts. De ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’, voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, ontstond in de maanden april tot 25 juli 1888. Kort daarna, op 24 oktober 1888, werd de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’ gevormd door de Doleantie. Deze twee kerken zouden uiteindelijk, na de landelijke ‘Vereniging van 1892’, op 17 november 1892 fuseren tot de ‘Gereformeerde Kerk te Jutrijp en Hommerts’.
Het Ontstaan van de Christelijke Gereformeerde Gemeente
Over het precieze ontstaan van de Christelijke Gereformeerde Gemeente is weinig gedocumenteerd. Lange tijd vermeldde het landelijke Jaarboek van De Gereformeerde Kerken in Nederland enkel de institueringsdatum van de Dolerende kerk. Later werd het ontstaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk aangeduid als ‘medio 1888’. Nader onderzoek wijst uit dat de gemeente waarschijnlijk tussen april en 25 juli 1888 tot stand kwam.
In april 1888 behandelde de classis Sneek een instructie van de Gereformeerde Kerk te Sneek. Hierin werd melding gemaakt van het voorstel van ‘leden onzer kerk’ om in Jutrijp-Hommerts een eigen gemeente te stichten. Na het woord van de afgevaardigden van de Gereformeerde Kerk te Sneek, kregen twee gemeenteleden, de initiatiefnemers van het voorstel, de gelegenheid hun standpunten toe te lichten. De belangrijkste redenen voor de stichting van een Christelijke Gereformeerde Gemeente in Jutrijp-Hommerts waren:
- De ligging van de streek Jutrijp-Hommerts, die ‘bij weer en wind te ver van de naburige gemeenten [Sneek en Scharnegoutum]’ lag waar men ter kerke ging.
- De aanwezigheid van ‘vijftig zielen van onze kerk, waaronder een 15 à 20-tal [belijdende] lidmaten’, die allen de wens hadden voor een eigen gemeente.
- De financiële situatie, die als bevredigend en voldoende voor de stichting en instandhouding van een zelfstandige kerk werd beschouwd.
- Het argument dat ‘de streek zeer waarheidslievend’ was.
Na een besloten vergadering waarin de leden hun mening konden uiten, bleek dat er geen gegronde bezwaren waren, ook niet vanuit de kerken van Sneek en Scharnegoutum, die zelfs hun steun aan het voorstel gaven. De kerk van Workum stelde voor dat de genoemde kerken eerst hun stem zouden laten horen bij de stemming in de classis. Het voorstel van de leden uit Jutrijp en Hommerts werd vervolgens met algemene stemmen aangenomen.
Ondanks de goedkeuring, ontbreken verdere details en een precieze institueringsdatum in de archieven. Noch het kerkarchief, noch de gedenkboeken van Jutrijp-Hommerts, Sneek of Scharnegoutum, noch ‘Het Kerkblad’ vermelden specifieke informatie. Dit, in combinatie met het feit dat de landelijke Jaarboeken van de Gereformeerde Kerken jarenlang enkel de stichtingsdatum van de Dolerende kerk aangaven, suggereert dat de instituering van de Christelijke Gereformeerde Gemeente in betrekkelijke stilte plaatsvond, waarschijnlijk tussen april en 25 juli 1888, onder leiding van de toenmalige predikant van Sneek, ds. G.
Opvallend is dat er, voor zover bekend, nauwelijks evangelisatiewerk werd verricht voorafgaand aan de instituering, wat op veel andere plaatsen wel het geval was. De instituering vond plaats vóór 25 juli 1888, aangezien de christelijke gereformeerde kerkenraad van Jutrijp en Hommerts op die datum al vertegenwoordigd was op de classis Sneek. De ouderlingen in die tijd waren B.P. van der Velde en Y.U. de Jager, en de diakenen Sj. Koopmans en J.S. Aan de westkant van de straatweg door het dorp, iets ten noorden van de weg naar Heeg, aan de Jeltewei 15 in Hommerts, werd een stuk grond gekocht en een huis dat als pastorie kon dienen. In de loop van 1888 kwam het kerkje gereed.
In 1889 arriveerde de eerste predikant, ds. H. Dijkstra (1851-1922), die op 24 november 1889 werd bevestigd. Hij diende de kerk echter slechts tweeëneenhalf jaar, tot 20 maart 1892. Het beroep op ds. Dijkstra kende de nodige voeten in de aarde. In januari 1889 vroeg de kerkenraad van Jutrijp-Hommerts toestemming aan de classis Sneek om een predikant te beroepen. De classis was verbaasd, aangezien de consulent, de predikant van Sneek, hier niet van op de hoogte was. Na financiële inlichtingen te hebben gevraagd en gegeven, sprak een van de predikanten een vermanend woord tot de afgevaardigden van de jonge gemeente, hen wijzend op de onvoorzichtigheid en onbescheidenheid van het voorbijgaan van de consulent, hen waarschuwend tegen overmoed en hen aansporend om de geordende kerkelijke weg te bewandelen. Ondanks deze toespraak, die met instemming werd ontvangen, werd hun verzoek met twaalf tegen twee stemmen afgewezen.

Het Verval van de Hervormde Kerk en de Doleantie
De hervormde kerk in Jutrijp en Hommerts was in de loop der jaren in verval geraakt. Na de Franse tijd verving de regering de Dordtse Kerkorde (1618-1619) door het ‘Algemeen Reglement’ van 1816, wat leidde tot een grote diversiteit aan prediking op de kansels.
In 1828 werd ds. E.F. Fockens de hervormde predikant in Jutrijp en Hommerts. In tegenstelling tot zijn vader, ds. Lucas Fockens, die de ‘Waarheid’ toegedaan was, sympathiseerde ds. Fockens jr. met de ‘Groninger Richting’. Zijn zussen, die zich in de hervormde kerk van Sneek niet thuis voelden en op zoek waren naar een waarheidsgetrouwe prediker, bezochten de kerk van hun broer in Jutrijp en Hommerts niet, maar gingen naar Heeg om daar ds. J.W. Felix te horen, die geacht werd ‘het onversneden Woord des Heeren te prediken’.
Na het emeritaat van ds. Fockens in 1877 werd hij opgevolgd door ds. P.J. Moeton. Deze ondertekende, samen met zijn kerkenraad, protesten gericht aan de hervormde synode tegen de gang van zaken binnen de kerk. Na een ontmoeting met dr. A. Kuyper (1837-1920) leek het erop dat ds. Moeton met zijn kerkenraad in Doleantie zou gaan. Hij vertrok echter in 1885 onverwachts naar Haarlem, zonder zich bij de Doleantie aan te sluiten.
Het vinden van een opvolger voor ds. Moeton bleek een uitdaging. Pas na dertien beroepen nam ds. J. Jonker van Tjerkgaast het beroep aan en werd in 1887 bevestigd. Hij bleef tot 1892 in functie.
Terwijl de Doleantie zich door het land verspreidde, besloot de hervormde kerkenraad van Jutrijp en Hommerts in november 1887 om ‘vooralsnog de hervormde Synodale organisatie níet af te werpen en de Dordtsche Kerkenordening aan te nemen’. Dit stuitte op weerstand bij een deel van de gemeenteleden. Op 12 december 1887 verzochten twaalf broeders de kerkenraad in een brief om alsnog het ‘juk van de synodale hiërarchie af te werpen en in Doleantie te gaan’. Een week later schreef de hoofdonderwijzer van de christelijke school, meester A. Brouwer, een toelichting op deze brief, eveneens gericht aan de hervormde kerkenraad.
De kerkenraad legde uit waarom men niet tot Doleantie wilde overgaan. Kennelijk hadden zich in 1887 al leden van de hervormde kerk afgescheiden, want op 15 september werd aan de broeders R. Kuik, R. Okma en O. Koopmans gevraagd of zij lid van de kerk wilden blijven. Deze groep was vastbesloten een ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ op te richten in beide dorpen. Direct na hun ontzetting uit het lidmaatschap van de hervormde kerk ontvingen de hervormde gemeenteleden op 17 september 1888 een schrijven ‘namens de vergadering van lidmaten’, gehouden in de schuur van Feite Hofman. In de brief verklaarden zij niet langer medeplichtig te willen zijn aan de steun aan de onwettige synodale organisatie van 1816. Zij stelden dat de kerkenraad herhaaldelijk was verzocht de synodale hiërarchie terzijde te schuiven en de Dordtse kerkorde weer geldigheid te verlenen. Door deze weigering hadden de predikant, opzieners en diakenen volgens de ondertekenaars hun ambt losgelaten.
De ondertekenaars, A.E. de Jager, F. Hofman en D.G. de Jager, riepen de gemeenteleden op om de vergadering van woensdag 26 september 1888 bij te wonen, opnieuw in de schuur van F. Dr. L.H. Het doel van deze bijeenkomst was om onder leiding van dr. L.H. De op die avond verkozen ouderlingen waren Martinus M. Vos en Ate E. de Jager. Als diakenen werden Douwe G. de Jager en Simon J. Leenstra aangewezen. Op 21 oktober 1888 werden de ambtsdragers door de consulent van de nieuwe gemeente, ds. J.J. Bajema (1844-1927) van Sneek, in het ambt bevestigd. Hiermee was de instituering van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Jutrijp en Hommerts een feit.

Samenwerking en Scheiding
Met de vorming van zowel de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ als de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’ waren er nu twee gereformeerde kerken in Jutrijp en Hommerts. De dolerende kerk nam het initiatief tot een mogelijke vereniging, een stap die zelfs de landelijke kerkelijke pers haalde. Op voorstel van de dolerende kerkenraad kwamen beide kerkenraden bijeen om overleg te plegen over een vereniging, omdat het als zondig werd beschouwd dat twee gereformeerde kerken naast elkaar bestonden.
De dolerenden stelden voor om in het christelijk gereformeerde kerkgebouw aan de Jeltewei 15, afwisselend een dolerende en een christelijk gereformeerde predikant te laten voorgaan, aangezien de dolerenden nog geen eigen kerkgebouw hadden. De christelijke gereformeerde kerkenraad kon zich hier echter niet in verenigen. Zij vonden dat lokale gemeenten moesten wachten op beslissingen van hogere kerkelijke vergaderingen met betrekking tot een samensmelting. De christelijke gereformeerde kerkenraad deed op haar beurt het voorstel aan de dolerende kerkenraad om de Dolerende Kerk op te heffen en met de gehele gemeente over te komen naar de Christelijke Gereformeerde Kerk. Algemeen werd door de chr. geref. gedacht dat het niet gepast was om in plaatsen waar al een Christelijke Gereformeerde Gemeente bestond, óók nog een Dolerende Kerk te stichten.
Op 5 oktober 1889 antwoordden de Dolerenden op een verzoek van de christelijk gerefo rmeerden om nogmaals te overleggen over eenwording. Zij stuurden een brief waarin zij als eerste punt ‘mét u belijden dat ons gedeeld kerkelijk leven zonde is’. Het tweede punt klonk echter anders: omdat de landelijke samensprekingen tussen beide kerken nog niet tot hereniging hadden geleid, zagen de Dolerenden van Jutrijp en Hommerts geen andere mogelijkheid dan dat de christelijke gereformeerden hun ‘eigenaardig Afgescheiden standpunt’ zouden inruilen voor dat van de Dolerende Reformatie. Zij konden niet toetreden tot een afdeling van het door de staat erkende genootschap van 1869, de Christelijke Gereformeerde Kerk. Bovendien konden zij de Hervormde Gemeente van Jutrijp en Hommerts niet loslaten en waren zij zich bewust kerkeraad te zijn over de historische Gereformeerde Kerk op die plaats.
Redacteur ds. H. Beuker (1834-1900) van ‘De Vrije Kerk, Vereeniging van Christ. Geref. Stemmen’, schreef in zijn blad een verontwaardigd artikel waarin hij stelde dat de gebeurtenissen in Jutrijp-Hommerts aantoonden dat de Dolerenden wel wilden verenigen, ‘maar níet op voet van gelijkheid en wederzijdsche erkenning’. Hij uitte tevens ‘een ernstig protest’ tegen een artikel van dr. A.
De Dolerende gemeente moest een passend onderkomen vinden voor haar kerkdiensten. Aanvankelijk kerkte men in een schuur of een ‘doorreed’. Vervolgens werd een stuk grond van de familie Hofman gekocht waarop een kerkje werd gebouwd. Om de kosten te dekken, besloot de kerkenraad een schrijven te sturen aan de overige Dolerende kerken in het land voor financiële steun. De Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’, opgericht tegelijk met de instituering van de Dolerende kerk omdat deze niet door de overheid erkend was, ondertekende de in november 1889 rondgestuurde brief. Er was nog fl. 1.300 nodig, aangezien er al ruim fl. 1.000 eigen middelen waren bijeengebracht. De steun bleek voldoende.

De Gevolgen van de Doleantie
De Doleantie veroorzaakte een scheidslijn in het dorp Jutrijp-Hommerts, die ook binnen gezinnen merkbaar was. Vrienden en buren waren het vaak oneens, en de hervormde kerkenraad toonde weinig begrip voor de ontwikkelingen. Toen T.U. Attema toestemming vroeg om tegen betaling een stuk grasland van de kerk te mogen maaien, kreeg hij een negatief antwoord.
Aanvankelijk ondernamen beide kerken geen stappen om gezamenlijk een predikant te beroepen. De Christelijke Gereformeerde Gemeente had ds. H. Dijkstra nog steeds als predikant, terwijl bij de Dolerenden predikanten uit de classis voor-gingen of er een ‘oefenaar’ op de preekstoel kwam. Meestal werden er echter leesdiensten gehouden. Zelfstandig een predikant beroepen en een pastorie bouwen of kopen was voor de Dolerende gemeente een wens die vooralsnog niet uitvoerbaar was. De wens om met de christelijke gerefo rmeerden te verenigen bleef echter leven, in de hoop dat dit tot financiële middelen zou leiden.
De Hervormde Kerk en het Orgel
De middeleeuwse kerk, waarvan de beelden en altaren in 1580/81 werden verwijderd, onderging in de eerste helft van de 19e eeuw ingrijpende veranderingen. Het orgel uit 1869 kreeg een plaats in deze kleine dorpskerk. In 1870 kocht de Hervormde gemeente de toren van de burgerlijke gemeente. In 1876 werd de oude kerk afgebroken. Door de schenking van twee broers kon een nieuwe, ruim opgezette kerk worden gebouwd aan de oude toren, waarbij het orgel opnieuw werd geplaatst.
De kerk is een Rijksmonument. In het najaar van 1991 werd het houtwerk van de toren volledig vernieuwd. In datzelfde jaar werd de S.o.W.-gemeente Jutrijp - Hommerts gevormd, en de voormalige Hervormde kerk werd de PKN-kerk.
Het orgel werd in 1962 door orgelmaker Mense Ruiter uit Groningen onder handen genomen. De balg werd hersteld en enkele registers werden verschoven om uitdrukkingen aan te brengen. Het orgel bevat een Salicionaal 8 (C-E gec. met Roerluit), een Viola di Gamba 8 (C-H gec.). Het heeft een Klavierkoppel en een Tremulant. De windvoorziening bestaat uit een magazijnbalg in een aparte balgenkas achter het orgel.
