De Gereformeerde Kerk te Leiderdorp: Ontstaan en Ontwikkelingen

Het Ontstaan van de Doleantie in Leiderdorp

De Gereformeerde Kerk te Leiderdorp vindt haar oorsprong in de instituering van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ op 15 juli 1886. De centrale figuur bij deze gebeurtenis in Leiderdorp was ds. G. Vlug (1843-1912). Hij kwam op 11 april 1886 als hervormd predikant vanuit Nijkerk naar Leiderdorp.

Ds. Vlug was eensgezind met de ‘tachtig benauwde broederen te Amsterdam’, waaronder dr. A. Kuyper, die door het hervormd kerkbestuur intussen geschorst waren. Aangekomen in Leiderdorp, deelde ds. Vlug zijn nieuwe kerkenraad direct mede dat hij het met de broederen te Amsterdam geheel eens was en dat hij zelf in Doleantie zou moeten gaan. De kerkenraad verklaarde daaraan mee te zullen werken.

Eerste Conflicten en de Rol van de Kerkenraad

De problemen dienden zich al meteen aan. Nog vóór de komst van ds. Vlug wilden twee jonge dames, Maria Kors en Johanna Roos, die tot de hervormde gemeente te Leiderdorp behoorden, belijdenis van het geloof afleggen. Dit wilden zij echter niet doen in Leiderdorp, maar bij de ‘moderne’ (vrijzinnige) predikant te Voorhout, ondanks vermaningen van de kerkenraad te Leiderdorp. De kerkenraad van Voorhout vroeg daarop de benodigde verklaring (attest) van goed zedelijk gedrag. De kerkenraad van Leiderdorp weigerde deze echter te verstrekken, omdat hij niet wilde meewerken aan het toelaten van aspirant-leden die de belijdenisgeschriften niet wilden ondertekenen.

De kerkenraad van Leiderdorp berichtte de beide jongedames bij voorbaat dat hij hen in Leiderdorp niet tot het Avondmaal zou toelaten. De kerkenraad van Voorhout diende vervolgens een klacht in bij het classicaal bestuur. De classis verzocht de kerkenraad van Leiderdorp om opheldering over zijn handelwijze. De kerkenraad antwoordde op 24 mei onder meer dat hij het juk van de synodale hiërarchie had afgeworpen en de kerkelijke besturen daarom niet meer erkende.

Illustratie van een historische kerkdienst

De Classis en de Afzetting van de Kerkenraad

De classis zond een afvaardiging naar Leiderdorp, bestaande uit twee predikanten, ds. A. Keers van Hazerswoude en J.G. Verhoeff van Bodegraven, en jurist-ouderling Bredius. In Amsterdam waren de dolerenden, waaronder dr. A. Kuyper, inmiddels afgezet. Voor de kerkenraad van Leiderdorp was dit aanleiding om nu ook zelf in Doleantie te gaan. Op zondag 18 juli 1886 werd het drie dagen eerder genomen besluit door ds. Vlug in een stampvolle kerk vanaf de preekstoel afgekondigd. Hij hield vervolgens een preek naar aanleiding van psalm 124, de verzen 7 en 8, met de titel ‘De Strik gebroken’ en ‘Onze Hulp is in den Naam des Heeren’.

De synode deelde vervolgens mee dat de kerkenraad het juk van de synodale hiërarchie had afgeworpen en de kerkelijke besturen niet meer erkende. De synode zette daarop de kerkenraadsleden uit het lidmaatschap van de hervormde kerk en hun ambt. De classis bepaalde dat hervormde predikanten uit de omgeving (de ‘ringpredikanten’) in het vervolg in de hervormde kerk te Leiderdorp zouden voorgaan in de kerkdiensten. De eerste predikant die de vacaturebeurt zou vervullen, was ds. H. Wildeboer Jzn.

Het Conflict om de Preekstoel

De beslissing wie op de preekstoel zou worden toegelaten - de ringpredikanten of ds. Vlug - lag in handen van de vijf kerkvoogden. Eén van hen was afgezet omdat hij ook lid van de kerkenraad was; de overige vier kerkvoogden vergaderden over de kwestie. De president-kerkvoogd, dr. W.P. van Rhijn, was niet op de hand van de dolerende (afgezette) kerkenraad. De overige drie kerkvoogden wel. Toen het op stemming aankwam, vertrok dr. Van Rhijn zonder stemming, en dus zonder besluitvorming. Hij gaf de koster opdracht de sleutels van de kerk alleen af te geven na zijn instructie.

Dr. Van Rhijn vertrok vervolgens direct naar de burgemeester, A. Parmentier. De overige kerkvoogden vroegen de bekende jurist jhr. mr. A.F. De Savornin Lohman om advies. De president-kerkvoogd had ondertussen zonder besluit van de kerkvoogdij een gesprek met de burgemeester gehad, die partij koos voor de president-kerkvoogd. Zijn besluit, als hulpofficier van justitie, werd op zondagochtend om acht uur schriftelijk aan ds. Vlug bekendgemaakt. Daarin werd meegedeeld dat ds. H. Wildeboer in de kerkdienst zou voorgaan en dat iedere kerkbezoeker verplicht zou zijn de voor hem bestemde plaats onmiddellijk in te nemen.

Schematische weergave van de kerkelijke hiërarchie en de rol van kerkvoogden

De Kerkdienst van 25 juli 1886

Op zondagochtend 25 juli 1886 stonden de niet-afgezette, nog in functie zijnde kerkvoogden, die belast waren met het beheer van het kerkgebouw, om 9 uur bij de kerkdeur. Dr. Van Rhijn, ds. Wildeboer en ouderling Bredius (lid van de classis) kwamen eveneens aanlopen. Twee politieagenten hadden zich al bij de hoofdingang geposteerd. De koster opende de deur voor dr. Van Rhijn, die zorgde dat ds. Wildeboer op de preekstoel kwam. Dr. Van Rhijn en mr. De Savornin Lohman kwamen eveneens aanlopen.

In deze gespannen situatie kwamen de kerkgangers onder groot rumoer de kerk binnen. Ze schreeuwden ds. Wildeboer toe dat hij niet op de preekstoel hoorde en er af moest komen. Ds. Wildeboer, die ‘bleek als een doek’ was, besloot zelf de kerk te verlaten. Ds. Vlug trachtte de rust te herstellen. De kerkgangers vroegen hem de preekstoel op te gaan, maar de burgemeester en de agenten stonden op de kanseltrap en lieten dit niet toe. De burgemeester gaf ds. Vlug wel toestemming om vanaf de plaats van de voorlezer een kalmerend woord te spreken. Ds. Vlug begon echter met het laten zingen van psalm 62, verzen 4 en 5, ging voor in gebed, las psalm 2 en liet opnieuw een psalm zingen.

Het ‘kalmerende woord’ duurde de burgemeester kennelijk lang genoeg. Hij trok ds. Vlug aan zijn jas en deelde mee dat hij het kort moest maken, omdat het geen kerkdienst mocht worden. Zijn aanwezigheid was immers bedoeld om dit te voorkomen. Ds. Vlug wilde vervolgens laten collecteren, waarop de burgemeester zei dat dit ‘eigenlijk niet mocht’. Ds. Vlug ging echter verder en de rest van de kerkdienst verliep zonder rumoer, zodat de agenten niet als ordehandhavers hoefden op te treden.

Politieke Interventie en de Rol van de Overheid

De synode wilde de situatie niet accepteren. Vanuit Leiden gingen die zondagmiddag twee afdelingen van het Nederlandse leger richting Leiderdorp. De wegen naar de kerk werden geblokkeerd, zodat niemand de kerk kon bereiken.

Jhr. mr. A.F. De Savornin Lohman, lid van de Tweede Kamer, stelde de gebeurtenissen in Leiderdorp aan de orde. Hij vroeg minister van Binnenlandse Zaken, mr. Heemskerk, of de regering bekend was met het feit dat de politie, in opdracht van de burgemeester en zonder uitspraak van de rechter af te wachten, een besluit van de hervormde synode had uitgevoerd. Hij vroeg ook of de regering bereid was mee te delen op welke grond dit ingrijpen had plaatsgevonden. Hij stelde dat alleen de kerkvoogden de bevoegdheid hadden te beslissen over de toegankelijkheid van de kerk, niet de burgemeester of de politie.

De minister van Binnenlandse Zaken verklaarde echter dat de burgemeester gelijk had door te luisteren naar de president-kerkvoogd, omdat de synode had verklaard dat de hervormde gemeente vacant was en de kerkenraad was afgezet. Mr. De Savornin Lohman counterde dat de minister toch moest toegeven dat de hervormde synode en haar besturen niets over de gebouwen te zeggen hadden, aangezien het beheer daarover was toevertrouwd aan de kerkvoogden.

Het Afschuwelijke Ritueel Dat Rome Uit De Geschiedenis Probeerde Te Wissen

Verdere Ontwikkelingen en Rechtszaken

Op de donderdag dat jhr. mr. De Savornin Lohman zijn rede in de Tweede Kamer hield, werd onder leiding van ds. Vlug in de christelijke school een kerkdienst gehouden. De overheid had gezorgd voor de aanwezigheid van twee politieagenten.

De vraag was of de gemeente met ds. Vlug de komende zondag weer in de kerk zou bijeenkomen. Hoewel de burgemeester de synode had voorgesteld de kerkdiensten op zondag voorlopig op te schorten om onrust te voorkomen, meende de synode dat dit geen optie was. Ringpredikant ds. J. van Walsum te Alfen werd opgedragen de classisbeurt te vervullen. Op last van de classis werden in Leiderdorp aanplakbiljetten verspreid waarin werd duidelijk gemaakt dat de kerkenraad door de classis was afgezet, de hervormde gemeente te Leiderdorp vacant was en de ringpredikanten de predikbeurten zouden waarnemen. Men hoopte dat de verzekering dat ‘geen andere predikanten dan die de beproefde waarheid verkondigen’ de rust zou doen terugkeren. De gemeenteleden werd wel gevraagd zich rustig te houden en zich gewillig te onderwerpen aan de ringpredikant.

Geruchten deden de ronde over een grote politiemacht en de komst van cavalerie. Ook werd gemeld dat de president-kerkvoogd, mr. Van Rhijn, tot het inzicht was gekomen dat hij ongelijk had. Toen de gemeenteleden zich op zondag 1 augustus 1887 naar de kerk spoedden, troffen zij bij de hoofdingang vijftien met karabijnen gewapende veldwachters en vier marechaussees aan. Tot hun opluchting troffen zij bij binnenkomst ds. Vlug aan, die inderdaad de kansel besteeg. Hij liet de gemeente een bevrijdingslied zingen: psalm 126 vers 2. De dienst verliep zonder wanklank in de overvolle kerk, wat een groot contrast vormde met acht dagen eerder.

De hoop vestigde zich in de harten van de mensen dat alles nu zo zou blijven en de dolerende gemeente zonder problemen in de hervormde kerk zou kunnen bijeenkomen. De classis stond echter op een ander standpunt. Allereerst had de classis de weigerachtige ds. Vlug en ook de kerkenraad van Leiderdorp afgezet. Zij hadden ds. W. Klercq van Koudekerk aan den Rijn opdracht gegeven op zondag 8 augustus de ringbeurt in de hervormde kerk van Leiderdorp te vervullen. Deze liet zich door dertien soldaten van huis halen en naar de kerk brengen. ’s Morgens vroeg had een afdeling infanterie voor de kerk postgevat, samen met marechaussees en dienders. Dr. Van Rhijn kwam om half negen de nog gesloten kerk binnen. Pas toen ds. Klercq om negen uur in een koetsje, onder bewaking, het dorp binnenreed en voor de kerk stopte, gingen de deuren open. De predikant betrad de kerk tussen twee rijen soldaten, gevolgd door dr. Van Rhijn en de loco-burgemeester. De hoofdingang van de kerk, het kerkportaal, de tussenpaden en onder de preekstoel stonden in totaal zo’n tachtig agenten op wacht. Evenveel als er kerkgangers waren, want het overgrote deel van de gemeente bleef buiten.

Ds. Klercq verdedigde zijn aanwezigheid aan het begin van de dienst en hield een korte preek. Na de dienst verliet hij de kerk onder begeleiding van vele bewakers en besteeg zijn koets, omringd door soldaten en marechaussees.

De Rechtszaak tegen Ds. Vlug

Op maandagochtend 27 september 1887 stond ds. Vlug voor de rechter in Den Haag. Veel belangstellenden volgden de rechtszitting. Ook ds. Wildeboer was aanwezig. De rechter vroeg hem of ds. Vlug de mensen in de kerk op 25 juli inderdaad had gevraagd rustig te blijven, of dat hij hen had opgezweept. Ds. Wildeboer ontkende het eerste en hield zich wat het tweede betreft op de vlakte. Hij had ds. Vlug geen geweld zien gebruiken.

Burgemeester Parmentier werd ook gehoord. Hij verklaarde ds. Vlug te hebben afgeraden zondag naar de kerk te gaan en had gedreigd met militair ingrijpen. Anderen die tegen ds. Vlug moesten getuigen, zeiden gehoord te hebben dat iemand hem buiten de kerk vroeg samen psalm 68:1 te zingen, waarop ds. Vlug zou hebben geantwoord dat dit niet kon. Er waren ook getuigen a décharge, met ontlastende verklaringen. Een veldwachter verklaarde gehoord te hebben dat ds. Vlug de mensen tot kalmte had gemaand. Anderen zeiden dat als de politie weggebleven was, er niets aan de hand zou zijn geweest.

De rechter behandelde ook de vraag of de president-kerkvoogd dr. Van Rhijn alleen beslissingen kon nemen, of dat de andere kerkvoogden daarvoor nodig waren. De officier van justitie bleef bij zijn eis: een gevangenisstraf van vijfenveertig dagen en acht gulden boete. De verdediger van ds. Vlug, mr. C.A. Vaillant, onderscheidde drie tonelen in de gebeurtenissen van 25 juli: het voorspel, het feit zelf en het naspel. Hij benadrukte dat ds. Vlug buiten de beledigingen die buiten de kerk werden geroepen stond en alles had gedaan om de mensen kalm te houden. Hij vroeg zich af of het vreemd was dat de kerkgangers niets van ds. Wildeboer moesten hebben, aangezien ds. Vlug hun geliefde prediker was.

Mr. Vaillant merkte op dat anderen dan ds. Vlug tegen het toenmalige art. 261 van het Wetboek hadden gezondigd, waarin het strafbaar stellen van ‘het beletten, vertragen of afbreken van een geoorloofde godsdienstoefening’ werd behandeld.

Overdenkingen over Leven en Kerkelijk Leven

De tekst bevat ook overpeinzingen over de vergankelijkheid van het leven, ontleend aan psalmen, en de rouw die heerst in woonzorgcentra, families, gemeenten en kerkenraden. Er wordt stilgestaan bij de overlijdens van twee ouderlingen op dezelfde dag, 21 april: ouderling G. Roos (71) en ouderling J. T. van den Berg (77). Beiden waren actief in het kerkelijk leven, dienden in verschillende deputaatschappen en commissies, en waren lid van het moderamen van de Generale Synode. Ouderling Roos diende de gemeenten van Apeldoorn en Kampen, en zette zijn gaven in op het gebied van journalistiek en theologie. Hij was ook eindredacteur van de ‘Bijbel met uitleg’ en bezweek aan de gevolgen van corona. Ouderling Van den Berg diende de gemeente van Nunspeet en was gepromoveerd jurist en lid van de Tweede Kamerfractie van de SGP. Hij zocht naar de waarheid en werd geleid naar de bevindelijke waarheid.

Portret van G. Roos

Portret van J. T. van den Berg

Discussie over Zondagswerk en Kerkelijke Discipline

De tekst bevat ook een discussie over de vraag of een predikant, ouderling of diaken minder dan een ‘gewoon’ gemeentelid mag zijn, wat op grond van Gods Woord niet vol te houden is. De Dordtse Kerkorde legde in artikelen 79 en 80 aparte regels vast betreffende tucht over ambtsdragers.

Een zaak die speelde in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) binnen de classis Rotterdam betrof een bakker die op zondag werkte. Hoewel zijn bedrijf hem verplichtte op zondag te werken, kon hij wel twee keer naar de kerk. Gemeenteleden maakten bezwaar, maar de classicale vergadering wees de bezwaren af. Dit lijkt een lijn te volgen van de vrijgemaakte synode van Leusden (1999), die oordeelde dat de opvatting dat de zondag als rustdag niet gegrond is op een goddelijk gebod, niet te veroordelen is.

In de regio Rotterdam lijkt de kerk een stap verder te gaan door het bezwaar tegen het op zondag werken van een ambtsdrager te verwerpen. De discussie gaat over de vraag wanneer de kerk iets als een werk van noodzakelijkheid beschouwt. Sommigen zien dit als een simpel ‘alzo zegt de Heere’, terwijl anderen het als een struikelblok beschouwen.

De synode van de Gereformeerde Gemeenten deed in 1998 een rapport uit waarin zondagswerk in principe als ontoelaatbaar werd gezien, met beperkte uitzonderingen. Het rapport benadrukt de betekenis van het woord ‘sjabat’ als ‘ophouden met iets’, zowel in de zin van arbeid als in het zoeken van ‘de rust die er overblijft voor Gods volk’.

Veel gereformeerde vaderen, dicht bij de Reformatie, wilden niet weten van het ontkennen van de zondag als rustdag met goddelijke oorsprong. De Westminster Catechismus stelt dat God in Zijn Woord door een moreel en eeuwig gebod één dag in de week als rustdag aanwijst. Uitspraken van de zeventiende-eeuwse synode van Dordt sluiten hierbij aan, waarbij het vierde gebod zowel een ceremonieel als een moreel aspect heeft.

De classis Rotterdam lijkt dit standpunt te verlaten, wat als verdrietig wordt beschouwd. Volgens de assessor moet een kerkenraad pas iemand aanspreken als diens bijwonen van de eredienst in het nauw komt. Dit wordt in verband gebracht met de opvattingen van dr. J. Douma in zijn boek over ‘De Tien Geboden’, waar hij spreekt over een ‘grijze zone van arbeid’ en voorzichtigheid in oordeel adviseert.

De postmoderne cultuur, die zich niet stoort aan een ‘groot verhaal’ of een autoritaire God, dringt ook de kerk binnen. Het verlaten van de standpunten van Dordt en Westminster kan gezien worden als een teken van beïnvloeding door dit hedendaagse denken.

De gedachte van de vrijgemaakte synode lijkt die van een eerdere uitspraak van de synodale Gereformeerde Kerken te raken. In 1967 gaf ‘Moeder’ een rapport uit over zondagsarbeid, waarin gesteld werd dat het vierde gebod door Christus vervuld is en de zondag een herdenken van de opstanding is. Consequent werd geconcludeerd dat ‘op grond van de Heilige Schrift de zondagsarbeid als zodanig niet kan worden verboden, of als zondig worden gekwalificeerd.’

Er lijkt een trend te zijn dat de strengen de rekkelijken op termijn volgen. Tijdens een landelijke vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken werd verdergaande oecumene met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Christelijke Gereformeerde Kerken bepleit. De auteur suggereert dat het verstandiger zou zijn een pas op de plaats te maken.

Lijst van Predikanten en Beroepen

De tekst bevat uitgebreide lijsten met predikanten en beroepen binnen verschillende kerkgenootschappen, waaronder de Gereformeerde Gemeenten Leiderdorp, Christelijke Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Kerken, Hersteld Hervormde Kerk en Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Deze lijsten geven een gedetailleerd overzicht van de kerkelijke ontwikkelingen en vacatures in diverse regio's.

In het bijzonder wordt vermeld dat kandidaat P. Roos op 28 oktober 1964 werd bevestigd als predikant in Nijkerk door zijn vader ds. M.S. Roos. Hij deed intrede in Middelharnis in 1967, gevolgd door Harderwijk (1973), Utrecht-Noord (1981) en Damwoude (1995-2006). Hij vervulde ook taken in het bredere kerkelijke leven en was bestuurslid van stichtingen en scholen.

De lijsten bevatten informatie over uitgebrachte beroepen, bedankte beroepen en aangenomen beroepen, met vermelding van de namen van predikanten en de betreffende gemeenten.

tags: #ouderling #roos #leiderdorp #gereformeerde #gemeente