Allard Hulshoff behoorde tot een geslacht dat zijn oorsprong vond bij Berend Hendriks, die zich tijdens de Spaanse onlusten in de buurt van Zenderen schuilhield. Hij openbaarde zich in 1626 als Doopsgezinde, nadat Oldenzaal door Graaf Ernst Casimir was ingenomen. Het is echter niet duidelijk of hij een inboorling dan wel een gevluchte Vlaming was.
Allard Hulshoff werd geboren op 20 februari 1734 te Groningen. Hij was de oudste van de zeven kinderen uit het huwelijk van Barend Hulshoff en Joanna Rozinga, beiden behorende tot de Doopsgezinde gemeente der Oude-Vlamingen. In tegenstelling tot zijn vader, die handel dreef, koos Allard ervoor zich aan de wetenschap te wijden.
Academische Vorming en Vroege Loopbaan
Na een zevenjarige opleiding aan de Latijnse school in Groningen, werd Hulshoff op 29 december 1749 ingeschreven als student. Hij ontwikkelde zich in diverse wetenschappen, met een bijzondere interesse voor logica, wiskunde en natuurkunde. Op 30 december 1755 behaalde hij zijn doctoraat in de Wijsbegeerte met een dissertatie over het aprioristisch bewijs voor Gods bestaan. Hoewel zijn proefschrift kritiek ontving op de manier van behandeling, toonde het wel zijn grondige beheersing van de materie aan.
Een van zijn hoogleraren, Prof. D. [Naam ontbreekt in de tekst], bleef hij tot aan zijn overlijden nauw verbonden.

Ommezwaai naar het Predikantsambt
Hoewel Hulshoff op zestienjarige leeftijd nog overwoog predikant te worden, zag hij hiervan af uit bezwaar tegen de 'veelheid en bepaaldheid der Geloofs-Artykelen bij de meeste gezindheden'. Dit maakte het hem onmogelijk om niet alleen het leeraarsambt te bekleden, maar zelfs lid te worden van deze gemeenten. Later, in 1756, schreef hij hierover aan Prof. v.d. Wynpersse.
Hij twijfelde aan zijn roeping en overwoog een studie in de Geneeskunde, waarvoor hij naar Leiden vertrok. Onderweg kwam hij echter in contact met personen die hem ervan overtuigden dit pad te verlaten, hoewel hij later nog sympathie voor het vak behield.
Na informatie te hebben ingewonnen over de toestand van diverse Doopsgezinde gemeenten, met name in Amsterdam, besloot hij zich toch voor te bereiden op het leeraarsambt. Hij schreef zich in aan het Doopsgezind Seminarium te Amsterdam, waar hij op 19 oktober 1756 als student werd toegelaten en door zijn leermeesters hoog werd geprezen.
Dienst in Amsterdam
Op 12 december 1758 werd Hulshoff bevorderd tot proponent. Verschillende Doopsgezinde gemeenten polsten hem. Makkum deed een volledig beroep op hem, en ook Amsterdam begeerde hem om de plaats in te nemen van de overleden J. Deknatel.
Vierendertig jaar lang diende hij als een van de vier leraren dezelfde gemeente in Amsterdam, gedurende welke tijd hij genoot van een ongestoorde gezondheid. In de winter van 1794 begon hij zich echter onwel te voelen. Op 8 maart 1795 leidde hij voor het laatst een godsdienstoefening en diende hij met moeite het Heilig Avondmaal. Kort daarop werd zijn lichaam gesloopt door bloedspuwingen.
Zonder uitzicht op herstel, vroeg hij emeritaat aan en deed hij afstand van zijn pensioen, hoewel de kerkeraad hem dit aanbood.
Persoonlijkheid en Intellectuele Kenmerken
In zijn jeugd was Hulshoff bedaard, doch opgeruimd van aard en kenmerkte hij zich door liefde voor dieren. Zelfs in zijn laatste levensjaren hield hij zich op zijn buitenverblijf bezig met honingbijenteelt. Hij nam ook ijverig deel aan de spelen van zijn leeftijdsgenoten.
Niet sterk van geheugen, bezat hij de neiging om diep te peinzen. Langzaam en met moeite streefde hij naar het doel dat hij voor ogen had. Hij was geen persoon die anderen volgde, maar iemand die zijn eigen pad afbakende en zich door geen arbeid liet terugschrikken.
Tot de voornaamste trekken van zijn persoonlijkheid behoorden een bijzonder rijke verbeelding, een zeldzame gave om snel en nauwkeurig op te merken, een scherp en juist oordeel over grond en betekenis der dingen, en een diepe begeerte om naar de stem van zijn geweten te luisteren. Dit ging gepaard met diepe eerbied voor God en grote mensenkennis.
Wanneer zijn plicht hem niet verhinderde, bracht hij zijn tijd bij voorkeur door in zijn studeerkamer, waar hij gewoon was tot diep in de nacht te werken. Hoewel hij teruggetrokken kon lijken, was alle geveinsdheid hem vreemd. Hij had een afkeer van loftuitingen, toonde deernis met gevallenen, sprak niet licht ongunstig over anderen, was niet kwalijk nemend, vriendelijk jegens allen en nooit heftig bestraffend.
Hoewel hij in zijn latere jaren niet bepaald vrolijk te noemen was, was hij evenmin stroef of zwaartillend. Hij schepte bijzonder behagen in goede reisbeschrijvingen. Streng voor zichzelf, gunde hij anderen veel.
Tot zijn intieme vrienden behoorden Matthias van Geuns, hoogleraar te Harderwijk en later te Utrecht, en Daniël Hovens.

Filosofische Bijdragen
Op wijsgeerig gebied toonde Hulshoff zich een getrouw leerling van Prof. N. Engelhard. De door Engelhard gestichte wijsgeerige school vond in hem een talentvol en warm pleitbezorger.
Reeds in 1758, nog vóór zijn bevordering tot proponent, schonk hij onder pseudoniem een zeer geroemde 'Beschouwing der beste wereld'. Hierin gaf hij blijk van zijn wijsgeerigen zin door te trachten aan te tonen dat het stelsel van Leibnitz en Wolff aanleiding gaf tot het ondermijnen van de gronden van de natuurlijke godsdienst. Dit geschrift baarde veel opzien, ook in het buitenland.
In Duitsland werd het bekend door gunstige recensiën van Merian te Berlijn. Het vond bestrijding bij Joh. Petsch, een vurig verdediger van Leibnitz en Wolff. Hulshoff zag echter geen aanleiding om te antwoorden en liet zich nooit betrekken in twistgeschrijf. Opmerkelijk is dat Petsch later te kennen gaf hoe hoog hij Hulshoff schatte.
Ondertussen zette Hulshoff zijn wijsgeerige studiën voort. Hiervan getuigen zijn verhandelingen die bekroond werden door de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Berlijn, de 'Hollandsche Maatschappij van Weetenschappen te Haarlem', waarvan hij sedert 1770 lid was, het Stolpiaansch legaat, het Haagsch Genootschap en Teyler's Godgeleerd Genootschap.
Voor Teyler's Godgeleerd Genootschap leverde hij onder andere een betoog over de onsterfelijkheid der ziel en de daaruit af te leiden gevolgen ten aanzien van haar duur, haar gewaarwording en de werking van de dood des lichaams. Met drie verhandelingen over hetzelfde onderwerp, in 1790 in een bundel verenigd, bewees deze hoe geliefd dit onderwerp in die tijd was. In Hulshoffs betoog sprak eerst de wijsgeer, daarna de christen. De schrijver stond op een ultra-dualistisch standpunt.
Homiletische Geschriften
Wat zijn homiletische geschriften betreft, zijn 'Kerkelijke Redevoeringen' wordt beschouwd als het beste dat de Doopsgezinden in het laatst der 18e eeuw konden aanwijzen. Ook daarin bewees hij zijn titel 'A.L.M. et Phil. Doctor' met ere te dragen.
Toch, hoe wijsgeerig de blik ook was waarmee hij het hart en de handelingen der mensen beschouwde, tot het eigenaardige van zijn tekst drong hij zelden door. Over het algemeen behandelde hij een stof en geen tekst. Voor de kennis van zijn methode is opmerkelijk dat er in het vierde tiental drie redevoeringen voorkomen met verschillende teksten, die allen het opschrift dragen: 'Stoffe des oordeels'.
Buitendien vindt men in sterke mate het eigenaardige van sommige Doopsgezinde predikanten uit die tijd. Waren vroeger velen onder hen doctoren in de Geneeskunde, zij waren nog altijd grote liefhebbers van de natuurkunde. Mathesis en physica waren in de dagen van Hulshoff bovenal gezocht, en in deze richting was hijzelf een der voornaamsten. Zijn leerredenen zijn indertijd genoemd 'meesterstukken van eene, voor menschen van eenige beschaafde kunde geschikte welsprekendheid op den Kristelijken kerkkansel'.
Erkend moet worden dat aan de helderheid en bondigheid van zijn betoog op zichzelf weinig ontbreekt, en dat vooral zijn stijl bijzonderen lof verdient. Hij is sterk in het beschrijven en teekenen. Maar menig stuk kenmerkt zich door de dorheid van een wijsgeerige redenering, al valt dit euvel minder te constateren in zijn uitgegeven preken dan in die, welke hij in het begin zijner bediening schijnt gehouden te hebben.
Zij dragen te veel het karakter van 'kerkelijke redevoeringen', om als 'meesterstukken' van preken te kunnen gelden. In zijn latere tijd toonde hij instemming met bepaalde rechtzinnige kerkelijke leerstukken; bij hem, die leeraar was bij den Toren en het Lam, wel een bewijs hoezeer men dwaalt, wanneer men de rechtzinnigheid uitsluitend zoekt onder de Zonisten.
In zijn 'Philosophische gesprekken over de voldoening' zocht hij het bewijs te leveren dat strafeischende gerechtigheid Gode wezenlijk eigen is, en even eeuwig en noodzakelijk als alles wat behoort tot zijn vanzelf bestaande en volmaakte natuur.
Familie
Hij huwde in 1769 met Anna Debora van Oosterwijk, die hem overleefde. Hun enige zoon stierf tien weken vóór zijn vader. Behalve een dochter, die jong overleed, werd uit dit huwelijk nog Aletta Maria Hulshoff geboren, die precies op de sterfdag van haar vader de veertienjarige leeftijd bereikte.
Zij is later bekend geworden als een staatkundig dweepster, een vurig bewonderaarster van de patriot Joh. Valckenaer, en schrijfster van het veel geruchtmakende pamflet: 'Oproeping aan het Bataafsche volk' (april 1806). Dit pamflet, slechts acht bladzijden beslaande, werd in het Engelsch vertaald en opgekocht door de politie.
In zóó heftige bewoordingen richtte zij zich daarin tegen de komst van Lodewijk Napoleon en andere regeringsmaatregelen, dat zij zelf door de justitie vervolgd werd. Nog juist tijdig werd zij naar het Bentheimsche ontvoerd. Daar echter wist zij te ontsnappen. Belust op een martelaarschap liet zij zich voor den rechter brengen, maar bij haar verhoor bleek zij dusdanig overspannen van zenuwen dat men haar voor een jaar in een verbeterhuis plaatste, waarna zij aan haar familie werd overgegeven.
Op hoop van een strenge straf wees zij de verdediging door Valckenaer en Bilderdijk af. Toen zij later een poging waagde tot een aanslag op Napoleon, werd zij met moeite naar Engeland in veiligheid gebracht. Zij schreef bovendien nog: 'Peace Republicans Manual or the french constitution of 1793' (New-York, 1817) en: 'De koepok-inenting beschouwd en tien bedenkingen .... voor minkundigen. (Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken. Matth. IV:7)' (Amst., 1827).
In armoedige omstandigheden overleed zij na 1850.
Publicaties en Werken
- Dissertatio Philosophica inauguralis, qua Entis Realissima Existentia a priori demonstratur. Pro gradu publico et solemni examini submittit.. Gron. 1755.
- [Alethophilus Fileusebius], Beschouwing der beste wereld, of Philosophische Bedenkingen over Gods goedheid en wijsheid, de Vryheid der Menschen en hunnen staat in dit en het toekomend leven. Amst. 1758.
- De Evidentia, in Metaphysices et Theologiae Religionisque Naturalis Principiis ad Academicos Berolinenses disseruit Eclecticus, in: Mémoires de l'Acad. Royale des Sciences et Belles-Lettres de Prusse. Berlin. 1764.
- Verhand. over de zedelijke opvoeding, ter beantw. v.d. vraag: Hoe moet men het verstand en het hart v.e. kind bestuuren, om het, te eeniger tijd, een gelukkig en nuttig mensch te doen worden? (M. zilv. bekr.), in: Verhand. v.d. Holl. Maatsch. v. Weetensch. te Haarl. D. IX. (1765).
- Antw. op de vr.: Welke is de Grondslag der Wet-geevende Magt, waer door God, inzonderh. in de Openbaaring, eischt, dat de menschen hunne zedelijke Bedrijven naar zijn voorschrift inrigten (bekroond 13 Oct. 1765) in: Verhand. over eenige voornaame stukken v.d. Zedenkunde In het Nederduits en in het Latyn Geschreeven om te dingen naar den Prijs v.h. Stolpiaansch Legaat. II D. Leyden 1766, blz. 1-86.
- Klaas de Vries, Leeraar bij de Doopsgez. te Amsterdam, geschetst in eene Lykrede. (T: Hebr. XIII:7). Amst. 1766.
- De vrijheid omtr. de onkunde, ter beantw. v.d. onze medemenschen ons voordeel te doen! Zo ja; in welke gevallen, en hoe verre? Mt. VII:12; in: Verhand. v.d. Holl. Maatsch. der Weetensch. te Haarl. D. X (1767), 1e st. blz. 125-152, (anon.; een zilv. prijs waardig gekeurd.)
- Onderzoek om Gods bestaan v. vooren te betoogen, zynde een Antw..... op de vr: Kan uit het Denkbeeld v.e. Noodzaakelyk Wezen; 't welk de voorheen bewezene Eigenschappen bezit, deszelfs daadelyk Bestaan v. vooren (a priori) worden betoogd? in: Prijsverh. v.h. Stolp. Legaat. 1768, blz. 207-286.
- Discours sur les penchans. Traduit de Hollandois en François par M. de Chastillon Berlin. 1769. 4o.
- Verhand. ov. Gods regtmaatig welbehaagen, antw. op de vr: Of God enkel willekeurig Zyne Wetgeevende Magt oeffene en dan wel op zulk eene wyze dat de menschelyke reden zelve de volmaaktheid der Goddelyke wetten bezeffen konne, in: Prijsverh. v.h. Stolp. Legaat. 1769 blz. 145 v.v.
- Het waare Stelzel der Natuur ontworpen, in eene oplossing v.h. Zinspr. ‘Post Nubile Phoebus)’ in - Prijsverh. v.h. Stolp. Legaat. 1773, blz. 53-108.
- Antw. op de vr: Aangaande de beste beoordeeling v.h. Scientistisch Bewys voor Gods aanwezen, uit de onvolmaaktheid onzer zelfkennis opgegeeven door Moses Mendelssohn, in zijne Morgenstonden enz. in: Verhand. v.d. Holl. Maatsch. v. Weetensch. Haarl. D. XXVII (1789), 1e st., blz. 89-124.
- [Anon.] Zeno, over Ongeloof en Zeden. Amst. 1790. 8o.
- Antw. (m. goud, bekr.) op de vr: Zyn er voldoende bewyzen voor de onstoffelijkheid der menschelijke ziele? zo ja, wat kan men er uit afleiden, ten opzigte v. derzelver duuring, gewaarwording en werking, na den dood des lighaams, in haaren afgezonder den Staat? in: Verhand. raakende den Natuurl. en Geopenb. Godsd. uitgeg. d. Teylers Godg. Genootsch. X (1790), blz. 3-58.
- [Christiaen], Tweede verhandeling over de...
tags: #pleitbezorger #doopsgezinde #preek