De Zeven Gemeenten van Openbaring: Boodschappen voor Vandaag

Het boek Openbaring wordt beschreven als een verslag van de visioenen die de apostel Johannes ontving met betrekking tot de Dag des Heren. Deze profetische woorden belichten met name de situatie van Israël in de tijd voorafgaand aan en rond de wederkomst van de Heer Jezus Christus. Zijn komst wordt gepresenteerd als de hoop voor deze wereld, zoals Hijzelf heeft verklaard: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw” (Openbaring 21:5).

een kaart van Klein-Azië met de locaties van de zeven gemeenten van Openbaring

De Zeven Brieven aan de Gemeenten

Johannes ontving de opdracht om alles wat hij zag, op te schrijven in een boek en dit met bijbehorende brieven te zenden aan zeven specifieke gemeenten. Hoewel elke gemeente een eigen brief ontvangt, is de boodschap van deze zeven brieven gezamenlijk bedoeld voor alle gelovigen. Dit wordt benadrukt door de herhaalde oproep: "Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt" (Openbaring 2:7, 11, 17, 29; 3:6, 13, 22). Deze brieven, die verband houden met de situatie van Israël, leggen regelmatig de nadruk op bekering en het terugkeren naar God en Zijn verbond.

Er wordt opgeroepen tot volharding in het geloof en gehoorzaamheid aan het Woord, wat direct verband houdt met het Evangelie van het Koninkrijk: "Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden" (Mattheüs 24:13). Het einde verwijst hier naar de voleinding van dit tijdperk, waarna de toekomstige eeuwen aanbreken. Momenteel leven we in een "boze eeuw" waarin de tegenstander regeert (2 Korintiërs 4:4), maar deze heerschappij zal overgaan op Christus, een proces dat in Openbaring wordt beschreven.

De brieven spreken ook over de overwinning voor degenen die volharden. Dit einde kan zowel het einde van hun leven als het einde van het huidige tijdperk betreffen. Velen zullen hun getuigenis van Christus met hun leven bekopen.

Het Woord 'Gemeente' in Openbaring

De brieven in Openbaring zijn gericht aan 'gemeenten'. Het is belangrijk te onderscheiden dat deze gemeenten niet noodzakelijk hetzelfde zijn als 'de Gemeente, het Lichaam van Christus'. De gemeenten in Openbaring hebben specifiek te maken met de context van Israël. In het Oude Testament wordt het volk Israël in de woestijn ook een 'gemeente' genoemd (Exodus 16:3). Verwijzingen naar de 'gemeente van de HEERE' (1 Kronieken 28:8) en de 'gemeente van God' (Nehemia 13:1) duiden eveneens op Israël. Joël plaatst de 'gemeente van Israël' in de context van de Dag des Heren (Joël 2:15-16), wat aangeeft dat er in de eindtijd al sprake was van gemeenten binnen Israël.

In het Nieuwe Testament gebruikt de Heer Jezus het woord 'gemeente' in de context van zijn bouw op de 'petra' (Mattheüs 16:18). Dit verwijst niet direct naar het Lichaam van Christus, maar nog steeds naar Israël, aangezien Petrus de sleutels van het Koninkrijk der hemelen ontvangt. Het woord 'gemeente' (Grieks: *ekklesia*) betekent een geroepen groep, en de specifieke groep moet uit de context worden afgeleid.

De gemeenten uit Openbaring bevonden zich destijds in het huidige Turkije, als onderdeel van het Romeinse Rijk, en bestonden gelijktijdig. Plaatsen als Thyatira en Laodicea worden ook genoemd in de brieven aan de Kolossenzen, wat kan duiden op een schaduwbeeld van toekomstige gebeurtenissen. In deze gemeenten bevinden zich zowel rechtvaardigen als onrechtvaardigen, en er wordt opgeroepen tot overwinning. De brieven bevatten verwijzingen naar de geschiedenis van Israël en het Oude Testament. Johannes schreef het boek Openbaring aan de zeven gemeenten, die als een geheel worden beschouwd.

Structuur van de Brieven

Elke brief begint met de opdracht: "Schrijf aan de engel van de gemeente te..." De opbouw van de brieven volgt een consistent patroon:

  1. Een beschrijving van de Heer.
  2. Zijn constatering van de situatie in de gemeente.
  3. Uitingen van lof.
  4. Kritische opmerkingen.
  5. Een oproep tot bekering.
  6. Een oproep om trouw te zijn, gevolgd door de bekende afsluiting: "Wie oren heeft om te horen..."

Brief aan Efeze

De brief aan de gemeente in Efeze richt zich tot de 'engel' van de gemeente. Het woord 'engel' kan verwijzen naar dienaren van God (Hebreeën 1:13-14), waaronder aartsengelen zoals Michaël en Gabriël, maar ook naar menselijke boodschappers of gezanten. In de synagoge werd de voorzanger ook wel 'engel' genoemd (*sjelieach tsibboer*).

Efeze was een belangrijke stad in Klein-Azië waar de apostel Paulus het Koninkrijk predikte. Naar aanleiding van zijn werk ontstond er een gemeenschap van bekeerde mensen. De brief aan de Efezen benadrukt dat de gelovigen de eerste liefde hebben verlaten. Historisch kan dit verwijzen naar Israël dat het oude Verbond verbrak en andere goden diende (Deuteronomium 32; Jeremia 2:6). Er wordt ook gewaarschuwd voor apostelen/leugenaars, wat relevant is voor de eindtijd (Mattheüs 24; 1 Johannes 2:4).

De kritiek wordt gericht aan de 'engel' in het enkelvoud, maar geldt uiteraard voor alle gemeenteleden. De oproep is om te volharden tot het einde. De leer van de Nikolaïeten wordt veroordeeld. Hoewel de identiteit van de Nikolaïeten onduidelijk is, suggereert een vergelijking met andere verzen dat hun leer te maken heeft met afgoderij. Nicolaus betekent 'overwinnaar van het volk', wat in de eindtijd kan duiden op pogingen om mensen te verleiden tot het volgen van de antichrist.

De afsluitende oproep "Wie oren heeft om te horen..." (Openbaring 2:7) benadrukt het belang van geloof en het luisteren naar het Woord van God (Romeinen 10:17). Zonder dit luisteren en geloven, ontstaat er een gebrek aan begrip, zoals beschreven in Handelingen 2:8.

een artistieke weergave van de Apostel Johannes op het eiland Patmos

Brief aan Smyrna

De stad Smyrna, die nog steeds bestaat en de derde stad van Turkije is, ontvangt een specifieke boodschap. De Heer presenteert Zichzelf als 'De Eerste en de Laatste', een eretitel van God die ook gebruikt wordt voor de opgestane Heer (Jesaja 41:4; 44:6-8; 48:12-16). Hij bezit de sleutels van het dodenrijk en van de dood zelf (Openbaring 1:18).

De gemeente wordt gekend voor haar armoede, wat in de eindtijd kan verwijzen naar de economische druk op degenen die het merkteken van het beest niet aanvaarden en daardoor niet kunnen kopen of verkopen. Ondanks deze materiële armoede, worden zij als rijk beschouwd vanuit een geestelijk perspectief, zoals Paulus beschrijft: "als armen, maar die toch velen rijk maken; als mensen die niets hebben en toch alles bezitten" (2 Korintiërs 6:4-10).

Er wordt gewaarschuwd voor lastering, wat zal toenemen in de eindtijd (Openbaring 13:6). De oorspronkelijke tekst wijst op mensen die zeggen Joden te zijn, maar het niet zijn, en die proberen anderen te misleiden. Deze worden aangeduid als de synagoge van satan (Johannes 8:44). Zij beweren kinderen van Abraham en God te zijn, maar verstaan de waarheid niet en volgen de weg van de duivel.

De gemeente wordt opgeroepen om trouw te zijn tot in de dood (Openbaring 2:10), wat aangeeft dat velen de grote verdrukking niet zullen overleven zonder hun leven te verliezen. De stad Smyrna stond bekend om de troon van satan, waar de slang om de staf, Esculapius, werd vereerd als redder. Dit symboliseert de vervanging van Gods aanbod door dat van de tegenstander, hoewel de kop van de slang uiteindelijk vermorzeld zal worden.

De naam Antipas, die in de brief wordt genoemd, betekent 'het evenbeeld van de vader'.

een antieke marktplaats van Smyrna

Brief aan Pergamum

De brief aan Pergamum waarschuwt voor de leer van Bileam. Bileam, wiens naam 'verkwisting van het volk' of 'het volk gaat verloren' betekent, probeerde Israël te vervloeken (Numeri 22-24). Hoewel hij door God geleid werd en Israël zegende, verleidde hij het volk later tot hoererij en afgoderij met de dochters van Moab (Numeri 25:1-3). De apostel Petrus waarschuwt voor valse leraars die de weg van Bileam volgen en de liefde voor geld verkiezen boven de waarheid (2 Petrus 2:1, 15-17). Judas waarschuwt eveneens voor hen die de weg van Kaïn inslaan en zich in de dwaling van Bileam storten (Judas 1:11).

De Nikolaïeten, wiens naam eveneens 'overwinnaar van het volk' betekent, worden opnieuw genoemd (Openbaring 2:15). De brief benadrukt het belang van het zwaard, dat het tweesnijdende scherpe zwaard van Gods Woord voorstelt (Hebreeën 4:12). De oproep is om trouw te zijn en het manna, dat het Woord van God vertegenwoordigt (Deuteronomium 8:3), te eten. Het verborgen manna, bewaard in de gouden kruik in het heilige der heilige, symboliseert een diepere geestelijke realiteit (Exodus 16:33; Hebreeën 9:4).

De belofte van een nieuwe naam wordt gegeven (Openbaring 2:17), wat verwijst naar de vernieuwing en herkenning die God zijn uitverkorenen zal geven (Jesaja 62:2; 65:15). Dit is een belofte die nauw verbonden is met de toekomst van Israël.

Brief aan Thyatira

De brief aan Thyatira richt zich tot de gemeente waar Izebel, een profetische figuur die staat voor afgoderij en hoererij, vrij spel lijkt te hebben (Openbaring 2:20). Izebel, de vrouw van koning Achab, diende de Baäl en vervolgde de profeten van de HEERE (1 Koningen 18). Haar invloed wordt gezien als de moeder van alle hoererijen, symbolisch verbonden met het grote Babylon (Openbaring 17:5).

De gemeente wordt opgeroepen om de werken van Izebel te vermijden en vast te houden aan wat zij vanaf het begin hebben ontvangen. De kritiek richt zich op het tolereren van haar leer en praktijken, die leiden tot afgoderij en het verbreken van het verbond met God. De opdracht is om vol te houden tot het einde, om de overwinning te behalen, net zoals de apostel Paulus de gelovigen aanmoedigde om te volharden in hun geloof.

De brief benadrukt de noodzaak van bekering en het terugkeren naar de eerste werken, wat herinnert aan de oproep van Jeremia aan Israël om hun eerste liefde voor God niet te vergeten (Jeremia 2:1-2). De oproep tot bekering, zoals die ook klonk bij Johannes de Doper en Jezus zelf, is essentieel voor het ontvangen van Gods zegen.

een artistieke weergave van Izebel die Achab adviseert

Brief aan Sardis

De brief aan Sardis erkent dat de gemeente een naam heeft dat zij leeft, maar feitelijk dood is (Openbaring 3:1). Er wordt opgeroepen om te bekeren en de werken te versterken die op het punt staan te sterven. De gemeente wordt herinnerd aan wat zij ontvangen en gehoord heeft, met de opdracht om dit vast te houden en zich te bekeren.

De waarschuwing is om niet te vergeten hoe zij de boodschap hebben ontvangen en om deze te bewaren. De oproep is om waakzaam te zijn en de werken te versterken, anders zal de Heer komen als een dief in de nacht, zonder dat zij weten wanneer (Openbaring 3:3). Degenen die overwinnen, zullen gekleed gaan in witte klederen, en hun namen zullen niet uit het boek des levens worden gewist. Hun namen zullen worden beleden voor de Vader en Zijn engelen.

De gemeente wordt aangemoedigd om zich te herinneren hoe zij het Evangelie van het Koninkrijk hebben ontvangen, wat wereldwijd gepredikt zal worden (Mattheüs 24:14). Dit Evangelie is de basis voor het Koninkrijk van God, en de nadruk ligt op bekering en het doen van Gods wil.

Brief aan Filadelfia

De brief aan Filadelfia spreekt over de "Heilige en Waarachtige", die de sleutel van David bezit. Hij opent deuren die niemand kan sluiten, en sluit deuren die niemand kan openen (Openbaring 3:7). Dit duidt op de autoriteit en macht van Christus.

De gemeente wordt geprezen omdat zij Gods Woord heeft bewaard en de Naam van de Heer niet heeft verloochend. Zij wordt opgeroepen om vast te houden wat zij heeft, zodat niemand haar kroon kan afnemen. Er wordt gesproken over de "poort van de hemel" die voor hen geopend zal worden, en de belofte dat zij niet zullen vallen onder de oordelen die over de wereld komen.

De gemeente wordt aangeduid als een "zuil in de tempel van mijn God", wat hun permanente plaats en status in Gods Koninkrijk symboliseert. Zij zullen de naam van hun God en de stad van hun God, het nieuwe Jeruzalem, dragen. De oproep om te luisteren en te horen (Openbaring 3:13) benadrukt het belang van geestelijk inzicht en gehoorzaamheid.

een artistieke weergave van de Apostel Johannes die de brieven aan de zeven gemeenten schrijft

Brief aan Laodicea

De brief aan Laodicea is kritisch. De gemeente wordt beschreven als lauw, noch koud, noch heet (Openbaring 3:15-16). Deze lauwheid wordt afgewezen, omdat het een teken is van geestelijke onverschilligheid. De Heer stelt voor dat zij zich juist heet of koud zouden moeten gedragen om effectief te zijn.

De gemeente is rijk en heeft zichzelf verrijkt, maar is zich niet bewust van haar ware armoede, ellende, blindheid en naaktheid. Er wordt opgeroepen om goud, witte klederen en oogzalf van de Heer te kopen. Dit symboliseert geestelijke rijkdom, gerechtigheid en geestelijk inzicht.

De gemeente wordt opgeroepen om te bekeren en de deur te openen voor de Heer, die aan de deur klopt en aanklopte. Als zij Hem binnenlaten, zal Hij met hen gemeenschap hebben. Degenen die overwinnen, zullen met Christus zitten op Zijn troon, net zoals Hij overwonnen heeft en met de Vader op Zijn troon zit.

De Zeven Gemeenten als Symbool

De zeven gemeenten in Openbaring worden vaak gezien als representatief voor de gehele kerk door de eeuwen heen, of voor verschillende perioden in de kerkgeschiedenis. Hun specifieke omstandigheden, lofpunten en kritiekpunten bieden waardevolle lessen voor gelovigen van alle tijden. De boodschap van bekering, volharding en trouw aan Christus blijft universeel relevant.

Het getal zeven in de Bijbel staat vaak voor volheid en compleetheid. De zeven gemeenten vertegenwoordigen mogelijk de totaliteit van de kerk, met hun diverse sterktes en zwaktes. De brieven tonen de alwetendheid van Christus, die de plaatselijke situatie en de innerlijke gesteldheid van elke gemeente kent.

7 - "De Geest van God" - Profetische Getallen

tags: #preek #openbaring #7 #gemeenten