De prediking van Maarten Luther en de Nieuwe Testament

De hervormers hebben veel gepreekt. Ook Maarten Luther heeft dit in grote mate gedaan, gekleed in zijn monnikspij en met zijn kenmerkende zwarte preekjas. De mannen stonden in de kerk, terwijl de vrouwen en kinderen zaten. Het preken gebeurde in de moedertaal, zodat zowel jong als oud het konden volgen. Luther was een voorstander van eenvoudige preken. Hij verklaarde: 'Ik preek niet voor de geleerden, maar voor mijn Hansjes en Elsjes', waarmee hij zijn eigen kinderen bedoelde. Hij wilde geen vreemde talen of moeilijke uitdrukkingen in zijn preken gebruiken, omdat Christus zelf met eenvoudige woorden de farizeïsche wijsheden te schande had gemaakt. Wel maakte hij gebruik van voorbeelden, spreekwoorden en vergelijkingen. Vaak haalde hij kerkvaders aan, met name Augustinus, en citeerde soms een eigen lied. Soms eindigde hij zijn preek abrupt of met een korte samenvatting. De dienst hoefde niet langer dan een uur te duren. Allen luisterden met gespannen aandacht naar hem.

Luther doorstond veel angsten, uit angst om te blijven steken. Op achtenveertigjarige leeftijd zei hij nog: 'Ik zie er nog altijd tegenop, als ik preken moet'. Dit kwam voort uit zijn besef dat hij een instrument van God was en dat preken niet zomaar spreken over God inhield, maar dat God Zelf rechtstreeks door de prediker sprak. Elke dienst was vol gevaar, omdat de gemeente op een zijspoor kon worden geleid. Luther begreep best dat de Wittenbergers liever iemand anders hoorden, vooral omdat zijn stem vrij mager was. Desondanks was hij een warm getuige van het heil dat hij in zijn Heer Christus had gevonden. Hij was een levendige leraar, een praktische pastor, een meester van het woord en een man van de daad. Overal waar hij kwam, werd hem gevraagd te preken. Naast drie diensten per zondag, hield Luther ook elke werkdag een dienst. Daarbij kwamen de korte huisdiensten in de kapel van zijn woning. Er zijn zo'n 2300 preken van hem bewaard gebleven, stenografisch opgeschreven door hoorders, meestal studenten.

Illustratie van Maarten Luther die preekt in zijn monnikspij, met een gescheurde baard.

De preek als hoeksteen van de christelijke religie

Voor Luther was de preek het voornaamste element in de christelijke religie. Hierin vond de gezagvolle presentatie van het heilsgebeuren plaats. Gods Woord moest in de preek zijn werking doen. Daarom moest de Bijbeltekst helder worden uitgelegd en in zijn eigenheid verkondigd. De prediker, hoe klein hij ook was, werd door Christus in dienst genomen om Zijn Evangelie tot de mensen te brengen. Zo kwam het als belofte van God naar ons toe en mocht het geloofd worden, wat de onzegbare goedheid van God voor ons weerspiegelde.

Het doel van de preek was om mensen tot geloof te brengen en hen daarin op te bouwen. Gods Woord openbaarde wet en evangelie. De wet stond in dienst van het evangelie en had tot doel de mens als zondaar te tekenen, hem in zijn eigen gerechtigheid en zelfvertrouwen te breken en hem zo voor te bereiden op de boodschap van het evangelie. Volgens Luther verklaart de wet ons tot zondaars, en het evangelie tot kinderen van God. Beide moesten gepreekt worden, aangezien ze beide het Woord van God waren dat ons leidt tot boete en geloof. Er was geen andere weg tot het heil dan het horen van en gehoorzamen aan Gods wil. Door dit tweevoudige Woord werkte de Heilige Geest, die hiermee ingreep in ons bestaan. Het was altijd pro me, voor ons bestemd. De preek getuigde ervan dat God Heer is en dat Hij ons wil betrekken in de werking van Zijn Rijk. Dit zette ons in gevecht tegen de duivel. Geloven in Gods woorden joeg de duivel op de vlucht. Onder zulke prediking was neutraliteit onmogelijk; ze eiste onze wezenlijke keuze. Elke prediking uit het Oude en Nieuwe Testament werd gezien als de verlengde arm van God om ons te redden (Lucas 10:16). Hiervoor moest alle menselijke grootheid wijken, ook al riep dit ergernis op bij mensen. De victorie van Christus moest zegevieren. De mond van de prediker was de mond van de Heer zelf.

De Bijbel, het Oude Testament en Christus

Na 1517 wilde Luther geen allegorische uitleg van de Schriften meer hanteren, waarbij steeds werd gezocht naar een diepere zin en betekenis van woorden. Hij wilde Christus en het evangelie preken. De Heilige Schrift legde zichzelf uit. De prediker moest daarbij altijd blijven studeren in het Woord. Zijn korte uitgeschreven preken dienden als hulpmiddel voor predikers die minder onderlegd waren. Deze preken werden ook in gezinnen gelezen als een soort dagboek voor de dagen van advent, Kerstmis en de dagen daarna.

In de dagen rond Kerst staan we stil bij het Kindje Jezus in de kribbe in Bethlehem, de Zoon van God Die Mens werd en naar deze wereld kwam. Maarten Luther zei: ‘In het Oude Testament ligt Christus in doeken gewikkeld in de kribbe.’ Hiermee bedoelde Luther dat Jezus Christus in de Schriften van het Oude Testament verborgen ligt. Hoewel de naam Jezus Christus niet letterlijk te lezen is in het Oude Testament, wordt er toch over Hem gesproken.

36 | Sefanja

De prediking over Jozef als lijn naar Jezus Christus

Een onderzoek richtte zich op de prediking over Jozef, de Jozef uit Genesis 37-50, en de vraag hoe er in preken over Jozef een lijn getrokken wordt naar de Heere Jezus. Dit werd onderzocht door verschillende preken uit de prekenserie 'Uit de Levensbron' te bestuderen. Het bleek al gauw hoe verschillend er over hetzelfde Schriftgedeelte gepreekt kon worden en hoe er verschillende manieren werden gebruikt om bij Christus uit te komen. Elke predikant verwijst naar Jezus Christus in zijn preek, maar de frequentie varieert.

Een veelgebruikte manier om over Christus te preken vanuit de geschiedenis van Jozef is de typologie. Hierbij wordt gesteld dat Jozef, in zijn vernederingen en verhoging, een type van de Heere Jezus is. Vaak wordt daarbij gezegd: ‘Jezus is meer dan Jozef’. In een preek over Genesis 41 wordt gesproken over een type als een ‘schaduwbeeld, een afspiegeling van Hem, Die de dienst knechtgestalte zal aannemen, Die slaaf zal willen worden, Die Zichzelf zal geven aan het kruis.’ Daarnaast worden er heilshistorische lijnen getrokken, met name de lijn ‘belofte - vervulling’. God houdt vast aan Zijn beloften, zoals aan Abraham dat Hij hem tot een groot volk zou maken (Genesis 12:2). Ook belooft God dat er een Verlosser zal komen. Deze beloften zouden niet vervuld worden als het huis van Jakob ten onder zou gaan. In de geschiedenis van Jozef wordt de spanning opgebouwd: komen de beloften van God in gevaar? Zullen ze wel vervuld worden? Ja, want wat de broers van Jozef ten kwade hadden gedacht, had God ten goede gedacht. De slechte daden van mensen werden door God gebruikt om redding te bereiken. God vervult wat Hij belooft!

Preekvoorbereiding en de Heilshistorie

Bij de voorbereiding van een preek is het belangrijk om de Bijbelse geschiedenis in het perspectief van de heilshistorie te plaatsen. Zo is te zien hoe God Zijn weg gaat met Zijn volk en met deze wereld. Het Oude Testament richt haar blik op de toekomst: van de val naar de opstanding, van de duisternis naar het licht! De heilshistorie is als een rode draad die door de Bijbel loopt. In de geschiedenis van Jozef is dit telkens weer te zien; het lijkt niet goed af te lopen als Jozef in de put zit of naar Egypte wordt gevoerd.

Tijdens de preekvoorbereiding komen verschillende zaken aan bod: een grondige exegese (Bijbeluitleg), aandacht voor de context en het onderzoek naar de boodschap voor de eerste hoorders. Door het kijken door de lens van Jezus naar het Oude Testament, kan echter een boodschap naar voren komen die de eerste hoorders niet hebben gezien. Daarom is de totale prediking van het Oude en Nieuwe Testament van belang. Bijbelteksten moeten in de context van de hele Schrift gezet worden, waardoor te zien is dat God Zijn beloften vervult. In de geschiedenis van Jozef wordt duidelijk dat God Zijn belofte aan Abraham vervult.

Er moet aandacht zijn voor enkele valkuilen bij de voorbereiding en het houden van een preek. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat het Oude Testament als minderwaardig wordt gezien ten opzichte van het Nieuwe Testament. Het besef moet er zijn dat het Oude Testament meer is dan belofte alleen en het Nieuwe Testament meer dan vervulling alleen. Zoals het Oude Testament als belofte ook vervulling is, zo is het Nieuwe Testament dat ook. Een tweede valkuil is dat uitlegkunde inlegkunde wordt. Daarom moet het Woord aan het woord komen en de tekst uit zichzelf laten spreken.

Luther's theologie: Wet en Evangelie

De preken van Luther bevatten zowel wet als evangelie. Luther preekt scherp de wet om mensen te vernederen en verootmoedigen. Hij probeert de tegenstanders van Gods genade te ontmaskeren en spaart niemand. Tegelijkertijd preekt hij voor iedereen de mogelijkheid om zalig te worden, hoe groot de tegenstand ook is. Bij hem vinden we een rijke evangelieprediking. Luther wil zijn hoorders op de 'middenweg' houden, tussen zorgeloosheid en zelfverheffing aan de ene kant, en wanhoop en vertwijfeling aan de andere kant.

Het gevaar van zorgeloosheid en zelfverheffing bestrijdt Luther met de wet. Hij spreekt duidelijk over de functie van de wet: deze dient om de mens te leren dat hij niet meer aan Gods eisen kan voldoen. De hoogmoedige zondaar wordt door de wet vernederd om door de heerlijke beloften van God weer opgericht te worden. Net zo min als er reden is tot zelfverheffing vanwege onze eigen gerechtigheid, is er reden voor wanhoop. De wet ontdekt de zonde, en het evangelie brengt de vergeving en de nieuwe gerechtigheid.

Diagram dat de relatie tussen Wet en Evangelie in Luther's theologie weergeeft.

De Bijbel als levend Woord van God

Voor Luther is de Bijbel geen dood object, maar het levende Woord van God (de Viva Vox Dei). ‘De dienst van het Nieuwe Testament bestaat niet in stenen en dode tafelen, maar zij is gesteld in het geluid van de levende stem.’ Die levende stem van God komt tot ieder die naar de preek luistert. Langs die weg wil God met Zijn Heilige Geest werken. Luther benadrukt dat Gods belofte in het Woord tot ons komt. De belofte berust op de heilsfeiten van Christus, op Zijn lijden, sterven en opstanding. Die belofte komt in de prediking tot ons, in alle ernst en met alle kracht, ja vooral ook met goddelijke kracht geladen. Luther stelt dat God nooit anders met de mensen heeft gehandeld of nog handelt dan door middel van het Woord van de belofte. En wij kunnen nooit anders met God handelen, dan door het geloof in dit beloftewoord.

In zijn scherpe discussie met Erasmus bewaart Luther het Evangelie. Hij verzwakt de beloften van het Evangelie niet, maar zegt: richt je op de geopenbaarde wil van God. Richt je op de geopenbaarde God Zelf, Die ons vlees aannam; houd je aan het Evangelie. Het is genoeg als je de verborgen God vreest en aanbidt, maar laat je leiden door het Evangelie, door wat je gepredikt wordt. God werkt door het Woord, en omdat Hij almachtig is, zullen al Zijn woorden tot vervulling komen.

Het aanbod van genade in de prediking van Luther

Luther benadrukte de onuitsprekelijke liefde van God die Zijn Zoon geeft. Zo'n groot geschenk zou ons hart in vuur en vlam moeten zetten! Luther haalt de woorden van Paulus in Romeinen 8:32 aan: omdat God ons Zijn Zoon gegeven heeft, heeft Hij ons met die Zoon ook álles gegeven. Wij moeten dit Geschenk door het geloof ontvangen en aannemen. Luther klaagde echter dat het aan de duivel ligt dat wij deze heerlijke prediking over ons hoofd laten gaan en ons bekommeren over allerlei tijdelijke zorgen.

God biedt de wereld niet een kasteel of een koninkrijk aan, maar Zijn eigen Zoon in eigen Persoon! God beveelt ons Zijn Geschenk aan te nemen. Luther benadrukt dat ongeloof een grote zonde is. Als God ons geld of nieuwe kleren zou aanbieden, zouden we dat geschenk met beide handen aangrijpen - maar nu het Gods Zoon Zelf is, houdt iedereen zich alsof hij Hem niet nodig heeft! Luther beklemtoont hoe groot Gods liefde is die ontelbaar veel zonden wil vergeven. ‘Hoe het ga in dit tijdelijke leven, goed of slecht, u mag zich zonder enig voorbehoud aan deze liefde houden en alle goeds van God verwachten, omwille van Christus.’

Het geloof is de hand die we moeten ophouden en waarin we deze Gave moeten ontvangen. We kunnen dit Geschenk op geen enkele manier verdienen; alleen het geloof kan en moet deze Schat aangrijpen. Zoals God door Zijn liefde tot Gever wordt, behoren wij door het geloof in Christus de ontvangers te worden. Dit betekent dat wij geloven zoals we het horen. God is barmhartig en genadig en betoont Zijn barmhartigheid en liefde jegens ons doordat Hij Zijn eniggeboren Zoon mens laat worden. Hij legt al onze zonden op Hem. Met zo’n Gave en zoveel liefde van God moeten wij ons hart tot rust brengen, tegen de zonde en een kwaad geweten in, want God bewijst omwille van Christus geen toorn of ongenade jegens ons, maar louter liefde en genade. Wie dat gelooft, is zeker zalig, want dit Geschenk is zo groot, dat het dood en zonde geheel en al in het niet doet verzinken.

Luther benadrukt dat tegenstanders hier tegenin kunnen gaan, maar dat Gods Woord blijft staan: wie in de Zoon van God gelooft, zal niet verloren gaan, maar heeft het eeuwige leven. ‘Daar moet het bij blijven, als u het tenminste de Heere Christus in Zijn Woord niet wilt verbeteren. Dit zijn gouden woorden, levenswoorden.’

Het aanbod van genade is volgens Luther voor heel de wereld. De wereld, dat is het hele menselijke geslacht. Ben je een mens? Waarom wil je jezelf dan buiten het woordje ‘wereld’ sluiten? Maak God niet tot een leugenaar door te twijfelen of deze Zoon ook aan jou geschonken wordt. Als je jezelf buitensluit, zal je ook zelf moeten verantwoorden waarom je door je ongeloof, tegen het uitdrukkelijke Woord van God in, dit Geschenk niet hebt willen aannemen. Luther besluit zijn preek door te wijzen op Gods genade alleen. Hij zegt: ‘Daarom willen wij het ook laten bij dit ene stuk, dat wij alleen uit genade zalig worden en die genade alleen door het geloof kunnen ontvangen, zonder ook maar iets van ons toedoen of onze verdienste. Alles wat tot het eeuwige leven en tot vergeving van zonden nodig is, ligt enkel en alleen in de liefde en barmhartigheid Gods opgesloten!’

De rol van de Heilige Geest in de toe-eigening van het heil

Luther sprak ook over het werk van de Heilige Geest in de persoonlijke toe-eigening van het heil. Hij legde uit dat hoewel Christus alles heeft uitgericht en volbracht, en de zonde heeft weggenomen en de volkomen overwinning heeft behaald, deze schat nog niet is uitgedeeld of toegepast. Daarom moet de Heilige Geest komen om ze ons in het hart te geven - zodat wij geloven en zeggen: ‘Ik ben ook één van hen aan wie deze genade is geschonken.’ Wanneer wij dát voelen, dat God ons zó heeft verlost en deze schat aan ons heeft gegeven, dan begint het goed en kan het niet missen.

Symbolische weergave van de Heilige Geest die het Woord van God in het hart van een gelovige afdrukt.

De Postillen van Luther

De Postillen van Luther, reeksen preken met uitleg van Bijbelboeken, werden geschreven als hulpmiddel voor minder geschoolde predikers. De eerste reeks, de Wartburg-Postille, verscheen in 1522 en was nauw verwant aan zijn vertaling van het Nieuwe Testament. Later volgden de Fastenpostille, en in de periode 1526-1528 publiceerde Stephan Roth een Sommerpostille, Festpostille en Winterpostille, samengesteld uit Luthers preken. In 1544 verscheen een verbeterde versie van de Sommerpostille, en Veit Dietrich stelde op verzoek van Luther de Hauspostille samen, bedoeld voor de geloofsopvoeding binnen het gezin.

De opkomst van vele drukkerijen in de 16e eeuw gaf een impuls aan het thuisgebruik van postillen. De Hauspostille bleef eeuwenlang zeer populair. Johann Sebastian Bach bezat zelfs twee edities van Luthers Hauspostille in zijn theologische bibliotheek.

Luther's benadering van de Schrift

Maarten Luther's omgang met de Schrift, zijn schriftverstaan, vormde de kern van zijn theologie. Zijn theologie was in essentie uitleg van de Schrift. Hij benadrukte dat men niet alleen met hard studeren en scherp inzicht tot de Schrift kan doordringen. Het begint bij het gebed, waarin men de Heer smeekt om iets te laten geschieden tot Zijn eer. Men moet niet vertrouwen op eigen inspanning en inzicht, maar alleen bouwen op de inwerking van de Geest.

Luther vatte de juiste manier van theologie studeren samen met de trias oratio-meditatio-tentatio. Dit is gebaseerd op Psalm 119. Oratio (gebed) is het begin, waarin men de Heer smeekt om inzicht. Meditatio (meditatie) is het steeds weer hardop lezen, herhalen en reflecteren op de woorden, het ‘herkauwen’ van de woorden. Tentatio (aanvechting) is de toetssteen voor de ervaring van Gods Woord. Door aanvechting leert men niet alleen weten en verstaan, maar ook daadwerkelijk ervaren hoe waarachtig, lieflijk en troostend Gods Woord is.

Luther waardeerde de Duitse mystiek, met name Tauler, en de monastieke theologie van Bernardus van Clairvaux. Van Bernardus leerde hij een theologie die zich centreert rondom Schrift en ervaring in hun wederzijdse relatie. De ervaring komt van buitenaf en is een bevestiging van het uiterlijke woord door de persoonlijke ervaring. Dit reformatorische pro me (voor mij) vond Luther ook bij Bernardus. Met behulp van oratio-meditatio-tentatio en verschillende theologische bouwstenen ontdekte Luther nieuwe perspectieven, waarbij hij affectief en intellectueel begrijpen combineerde.

Gerechtigheid Gods en het geloof

Tijdens zijn College over de Brief aan de Hebreeën verdiepte Luther zich opnieuw in de Brief aan de Romeinen, met name Romeinen 1:17. Hij zag Augustinus als degene die hem de weg wees: Paulus bedoelt met gerechtigheid Gods niet de gerechtigheid die God van de mens eist, maar de gerechtigheid die Hij aan de mens geeft. God doet dit niet omdat de mens het verdient, maar uit pure genade (sola gratia) omdat Hij ziet dat de mens het nodig heeft. Het vertrouwen op deze genade is het geloof (sola fide). Alleen vanuit het geloof kan de mens deze genade van God vertrouwend ontvangen en aanvaarden. Ook het vertrouwende geloof is niet mogelijk door verdienste, maar wordt door God aangereikt. Alleen de Schrift (sola scriptura) kon dit Woord van God zo tot Luther brengen dat hij het kon bevatten.

Deze ervaring van de gerechtigheid Gods maakte voor Luther duidelijk: alleen door de Schrift centraal en op de eerste plaats te stellen kan de mens in de Schrift het Woord van God horen. Sola scriptura was voor Luther geen statisch begrip, geen biblicisme dat de mens als star gehanteerde norm alle denken en handelen wil voorschrijven. Voor Luther functioneerde sola scriptura in de dynamiek van het altijd weer opnieuw luisteren naar de woorden van de Schrift zodat deze voor ieder persoonlijk (pro me) Woord van God kunnen worden.

Figuratieve duiding van de Schrift

Figura is een hermeneutisch-theologische term voor een bepaalde waarneming van de werkelijkheid, respectievelijk de Schrift, waarin het voor Luther vanaf Genesis om de daadwerkelijke christelijke kerk- en heilsgeschiedenis gaat. Het fundament van de figuratieve duiding is de geschiedenis van Christus zoals die in de Bijbel is opgeschreven en door Paulus en de kerkvaders, met name Tertullianus en Augustinus, is geïnterpreteerd. Figuratieve duiding houdt in dat personen en gebeurtenissen uit het Oude Testament een figuur zijn voor Christus en Zijn kerk: Christus en Zijn kerk zijn in de personen en gebeurtenissen uit het Oude Testament voorafgebeeld.

Zo zag Luther bijvoorbeeld Abraham en Jakob als figuren voor Christus. Voor deze uiteindelijke vervulling zijn ook de oudtestamentische figuren onmisbaar. De figuratieve duiding stelt dat de samenhang tussen gebeurtenissen en hun betekenis niet enkel in de chronologische volgorde ligt, maar in hun plaats in het goddelijk plan. De figuratieve samenhang tussen Oude en Nieuwe Testament was voor Luther een van de redenen om het Oude Testament te blijven lezen, wat menig Lutheronderzoeker tot de conclusie bracht dat Luther een oudtestamenticus was.

De jonge Luther en zijn prediking

In de jaren 1512-1522, de periode van de jonge Luther, maakte hij een krachtige theologische en geestelijke ontwikkeling door. Aanvankelijk preekte hij voor de monniken in het klooster, maar weldra ook voor de Wittenbergse gemeente. In de vroege preken, die nog dateren van vóór 1517, is een moralistische en rationalistische geest te bespeuren. Er ligt een zwaar accent op het dienen en weldoen van de naaste, en Christus wordt voornamelijk als voorbeeld (exemplum) voorgesteld.

In preekfragmenten van iets latere datum, waarschijnlijk rond 1514, zijn andere klanken te horen. De eerste stappen op de weg van een onderscheiding van Wet en Evangelie zijn gezet. Luther spreekt nu over Christus als de Gekruisigde, legt meer accent op Zijn nederigheid, armoede en verachting, en is niet meer zeker van onze verdiensten bij God. Hij trekt zelfs te velde tegen hen die in valse zekerheid (securitas) op deze verdiensten leven.

In een preek over Matteüs 23:34 v.i., gehouden op 26 december 1514, horen we Luther voor het eerst het Evangelie op deze wijze preken. Naar aanleiding van Christus' woord over de hen en de kuikens, stelt Luther Christus voor als de Gekruisigde die de vleugels over ons uitbreidt, zoals een kloekhen over haar kuikens doet. Hij nodigt ons uit onder deze vleugels te schuilen, opdat Hij ons Zijn wetsvervulling zal toerekenen. Luther laat dit vergezeld gaan van de vermaning dat hoe minder er nu in ons is, des te meer wij uit Christus' volmacht zullen ontvangen. Typerend is dat hij daar onmiddellijk op laat volgen: ‘Oor Zijn vervulling vervullen dan ook wij de Wet!’

Het behoeft ons niet te verwonderen dat juist in deze preek Luthers afwijzing van de werken als heilsweg zo fel is als nog in geen enkele preek daarvóór. Naarmate het Evangelie Evangelie voor hem wordt, wordt de Wet voor hem Wet. De vermenging van beide maakt plaats voor de onderscheiding van beide. De gerechtigheden der werkheiligen en superbi zijn zonden. Waarom? Omdat het vertrouwen op deze werken een strijd betekent tegen de ware gerechtigheid, dat is tegen de genade. Het zijn echter niet alleen de opera bona die onder dit vernietigend oordeel vallen, maar zelfs ook de dona iustitiae. Weliswaar komen ze van God en zijn ze Zijn gaven, maar wee de zondaar die er op vertrouwt; hij zoekt zijn heil op een verkeerde plaats, het is namelijk alleen in God.

Luther tracht dit onder te brengen in de tegenstelling visibilia - invisibilia. Wijsheid, deugden maar ook de dona iustitiae behoren tot de visibilia, terwijl het heil alleen is in de invisibilia. Dit is een typisch voorbeeld van de manier waarop de jonge Luther te werk ging: hij nam de oude termen over maar wijzigde hun inhoud totaal overeenkomstig zijn nieuw inzicht.

In deze zelfde preek horen we Luther voor het eerst tegen zijn hoorders zeggen, dat de kennis der zonde door de Wet is. Het is met name de zondigheid van de concupiscentia waaraan de Wet ontdekt. Wie ernst maakt met de Wet, zal met het tiende gebod de grootste moeite hebben, dat stoot immers door tot het hart van de mens: het verbiedt alle begeren. Maar wie kan dat, alle begeren laten ophouden? De concupiscentia wordt als een onoverwinnelijke macht ervaren. Gevolg: de sapientia carnis houdt op, de mens komt door de Wet langs de humilitas crucis tot de confessio peccati.

tags: #preken #luther #nieuwe #testament