Geschiedenis van de Vrijgemaakte Katholieke Kerk

Twintig eeuwen kerkgeschiedenis laten zich niet in een paar woorden samenvatten. Zo wordt duidelijk dat de Oud-Katholieke Kerk de voortzetting is van de kerk die eind zevende eeuw door de heilige Willibrord in de Nederlanden werd gesticht. Deze kerk heeft zich niet in de achttiende eeuw van Rome afgescheiden, maar was en is een voorhoede van katholieke hervorming die nog altijd doorgaat.

De Oud-Katholieke Kerk oriënteert zich graag op de oude of vroege kerk. Daarmee bedoelt zij de ongedeelde kerk van de eerste tien eeuwen. In die tijd werden de kerken het eens over essentiële bouwstenen van het gemeenschappelijke geloof. Dit ging gepaard met theologische strijd en soms grote maatschappelijke onrust. Ook werden andersdenkenden als ketters uit de kerkgemeenschap buitengesloten. Maar ondanks deze excessen bleef men zoveel mogelijk in synodes samen op weg en op concilies met elkaar in gesprek. Met vallen en opstaan ging dat goed tot 1054.

In 1054 kwam het tot een breuk tussen de paus van Rome en de patriarch van Constantinopel. Deze steden waren in de loop der eeuwen uitgegroeid tot centra met eigen tradities op het gebied van geloof en kerkelijk leven. Sinds 1054, het jaar van het zogenaamde Grote Schisma, gingen de Griekse of orthodoxe kerken in het Oosten en de Latijnse of katholieke kerken in het Westen gescheiden wegen. Ondanks pogingen tot verzoening duurt deze situatie tot op de dag van vandaag nog voort.

De Kerkelijke Hervorming en de Reformatie

De tweede periode in de kerkgeschiedenis is die van de kerkelijke hervorming of Reformatie in de zestiende en de zeventiende eeuw en de voortzetting daarvan in de achttiende. Technologische uitvindingen op het gebied van de boekdrukkunst en de wereldomspannende zeevaart verruimden de horizon van het individu. Maatschappelijke ontwikkelingen als de opkomst van de steden en de internationale handel versterkten het zelfbewustzijn van de nieuwe burgerij. Dit leidde tot vragen over het functioneren van de katholieke kerk en de roep om haar hervorming in hoofd en leden.

Met het hoofd doelde men op de paus met zijn schitterende hofhouding in Rome, die moest terugkeren naar een evangelische eenvoud. Met de leden doelde men op de individuele gelovigen, geestelijken of leken, die ernst moesten maken met het centraal stellen van hun zielenheil en het dienen van hun naaste. Ondanks verschillende concilies waarop de kerk deze roep om hervorming behandelde, bleken de gevestigde machtsstructuren taai. De protestbeweging tegen de kerkelijke misstanden groeide uit tot een breed verzet, dat als ketterij werd bestempeld, en uiteindelijk tot een heel spectrum aan nieuwe kerken, die naar hun publieke getuigenis tegen de beperking van godsdienstvrijheid als ‘protestantse’ kerken werden samengevat.

Ook binnen de katholieke kerk bleef de roep om hervorming aanhouden met als belangrijkste resultaat het Concilie van Trente (1545-1563), waar aanzetten werden gegeven voor wat de katholieke hervorming zou worden.

Illustratie van het Concilie van Trente

De Kerk in de Nederlanden tijdens de Reformatie

In een poging om de protestantse hervorming tegen te gaan, reorganiseerden de koning van Spanje en de paus in 1559 de kerk in de Nederlanden. In de Noordelijke Nederlanden werd het oude bisdom Utrecht aartsbisdom naast vijf nieuwe bisdommen: Leeuwarden, Groningen, Deventer, Haarlem en Middelburg. Zoals de eerste bisschop van Utrecht, Willibrord, in 695 in Rome tot aartsbisschop van de Friezen was gewijd, zo mocht de bisschop van Utrecht zich vanaf 1559 opnieuw aartsbisschop noemen.

De reorganisatie kwam echter niet goed van de grond. De roep om kerkelijke hervorming vermengde zich met de onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje. Het resultaat was het unieke fenomeen van de Republiek der Verenigde Nederlanden: een federatie van relatief onafhankelijke provincies met elk een eigen Statenvergadering. De Republiek had geen koning, maar een stadhouder die afhankelijk was van de machtige regenten in de Hollandse steden, Amsterdam voorop.

De protestantse (‘gereformeerde’) religie werd de openbare kerk, gefinancierd uit onteigende katholieke bezittingen, maar nooit staatsgodsdienst. De katholieken vormden soms 30% van de bevolking, maar golden als tweederangsburgers. Ze werden gewantrouwd vanwege hun banden met Rome, maar gedoogd vanwege hun handelsbetrekkingen met katholieke landen.

Om in deze moeilijke situatie te voorzien, benoemde Rome apostolische vicarissen voor wat zij ‘de Hollandse Missie’ ging noemen. Op veel plaatsen kwamen priesters, onder wie ook franciscanen en jezuïeten, het kerkelijke leven weer opbouwen. Omdat de Utrechtse kapittels, de bestuursgremia die het recht hadden een bisschop te kiezen, in protestantse handen waren overgegaan, riep apostolisch vicaris Rovenius in 1633 een zogenaamd Vicariaat in het leven, een raad waarvan de leden met de bisschop de kerk bestuurden. In alle andere bisdommen waren de kapittels na 1559 ofwel niet van de grond gekomen of verloren gegaan.

Verdeeldheid en de Vorming van de Oud-Katholieke Kerk

In hoeverre moest de Katholieke Kerk in de Republiek als voortzetting van de kerk van vóór de hervorming worden gezien? Was de apostolische vicaris de aartsbisschop van Utrecht die alleen zijn titel niet kon voeren, maar wel dezelfde rechten en plichten had? Welke kerkelijke structuren, parochies of bestuursgremia hadden de stormen doorstaan en welke waren nieuw? Uiteenlopende antwoorden op dit soort vragen leidden tot verdeeldheid onder de katholieke geestelijken en leken.

Sommigen benadrukten de continuïteit in de kerkelijke toestand van de katholieken in de Republiek. Anderen kozen voor een radicalere vorm van heropbouw. Voor hen was de infrastructuur verloren gegaan en moest de kerk geheel opnieuw worden opgebouwd. Veel reguliere geestelijken huldigden de laatste visie. Als monnik of religieus waren zij aan een ‘regel’ gebonden en gehoorzaamheid verschuldigd aan hun kloosteroverste buiten de Republiek of zelfs in Rome.

In 1702 ontplofte de bom. Rome schorste apostolisch vicaris Petrus Codde (1648-1710) en zette hem twee jaar later af. Codde had zich in Rome niet afdoende weten te verdedigen tegen beschuldigingen die jezuïeten en franciscanen jarenlang tegen hem hadden ingebracht. De nieuwe apostolisch vicaris die Rome benoemde, werd door toedoen van de leidende geestelijken in de Republiek en dankzij medewerking van de Staten van Holland uit de Republiek verbannen. Er ontstond een impasse die twintig jaar duurde.

Gedurende deze tijd kristalliseerden zich beide partijen uit. De geestelijken en leken die Coddes onschuld verdedigden en de continuïteit van de Utrechtse Kerk benadrukten, noemden zichzelf de Bisschoppelijke Cleresie. De partij die de Romeinse oordelen over Codde aanvaardde, accepteerde de status van missiegebied.

Toenaderingspogingen tussen beide partijen leverden niets op en uiteindelijk koos de Cleresie een nieuwe aartsbisschop, Cornelis Steenoven (1662-1725), die in 1724 werd gewijd door de Franse bisschop Dominique-Marie Varlet (1678-1742). Men nam de kerkelijke regelgeving zeer nauwkeurig in acht en daardoor kon de wijding door Rome wel onwettig, maar niet ongeldig worden verklaard. Varlet zou na het overlijden van Steenoven nog drie van zijn opvolgers wijden.

Om de bisschoppelijke opvolging veilig te stellen, benoemde de aartsbisschop van Utrecht later in de achttiende eeuw ook bisschoppen op de oude zetels van Haarlem (1742) en Deventer (1757). Terwijl Codde door vrijwel alle seculiere geestelijken in de Republiek was gesteund, behoorde de overgrote meerderheid van de katholieken gedurende de achttiende eeuw tot de Hollandse Zending. De aanhang van de Cleresie slonk gestaag tot ruim 5000 leden in 32 parochies in 1807.

De Negentiende Eeuw: Dogma's en de Nieuwe Hiërarchie

De derde periode in de kerkgeschiedenis die voor de Oud-Katholieke Kerk belangrijk is geworden, is de negentiende eeuw, en dan met name rond twee jaartallen: 1853/54 en 1870. Nadat in 1796 naar Frans voorbeeld de gelijkberechtiging van de kerken was afgekondigd, duurde het tot na de invoering van de Grondwet van 1848 totdat ook de meerderheid van katholieken haar kerk kon inrichten als de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Zo kwam in 1853 een nieuwe rooms-katholieke organisatie tot stand met door Rome benoemde bisschoppen. Het nog altijd bestaande Kapittel van Haarlem legde zich neer bij zijn opheffing.

Rome benoemde in de nieuwe organisatie opzettelijk een aartsbisschop van Utrecht en een bisschop van Haarlem om de pretenties van de Cleresie tegen te gaan. Die protesteerde tegen wat men ten onrechte ‘herstel van de bisschoppelijke hiërarchie’ noemde, omdat bij haar, de Cleresie, die hiërarchie altijd behouden was gebleven. De Cleresie stelde echter getalsmatig te weinig voor om in de Tweede Kamer gehoord te worden.

De invoering van de nieuwe bisschoppelijke structuur in 1853 was een kwestie van kerkelijke organisatie. Ernstiger was de afkondiging van het nieuwe dogma van de onbevlekte ontvangenis van de heilige maagd Maria in 1854: dat raakte aan het geloof zelf. Volgens de Cleresie kon dat leerstuk niet tot het geloof van de kerk van alle tijden behoren, omdat het pas sinds de twaalfde eeuw bekend was. Het was daarnaast altijd zeer omstreden geweest. Ook was het nu afgekondigd zonder algemeen concilie, dat als vergadering van de gehele kerk de enige instantie was die bindende uitspraken over geloofsvraagstukken kon doen.

‘Nu kan de paus zichzelf net zo goed onfeilbaar verklaren’, verzuchtte de toenmalige aartsbisschop van de Cleresie. En dat was precies wat er zeventien jaar later in 1870 gebeurde. Er was nu wel een Vaticaans Concilie bijeengeroepen, maar de discussies daar werden zodanig voorgekookt en de deelnemers gemanipuleerd, dat de oppositievoerders tegen de geplande nieuwe pausdogma’s het Concilie voortijdig verlieten. Zo kon het Concilie twee nieuwe dogma’s over de paus afkondigen.

Hij beschikte over een onfeilbaar leergezag en kon zodoende ex cathedra zonder instemming van de kerk een leerstuk vaststellen. Daarnaast had hij een universeel jurisdictieprimaat en kon in alle bisdommen van de kerk zeggenschap uitoefenen. Met deze pausdogma’s werd het kerkelijke gezag gecentraliseerd.

In verschillende landen ontstond verzet tegen de nieuwe dogma’s, met name bij geleerden in Duitstalige landen waar de kerk toch al doelwit van burgerlijk protest was geweest. Ze werden geëxcommuniceerd en gingen over tot de vorming van kerken. De Nederlandse oud-katholieke bisschoppen wijdden een collega voor de Duitse oud-katholieken zoals ook zij zich noemden, maar daarna duurde het een tijd voordat de betrekkingen een vastere vorm kregen. De Nederlandse Cleresie bekeek de protestbewegingen met groeiende ongerustheid, want in Duitsland en vooral Zwitserland versterkte men de rol van leken ten koste van geestelijken, ging men de mis in de landstaal vieren, kwam men tot vriendschappelijke betrekkingen met anglicanen en orthodoxen en dacht men hardop na - o gruwel! - over de afschaffing van het verplichte priestercelibaat.

Uiteindelijk kwamen de drie Nederlandse oud-katholieke bisschoppen en hun collega’s van Duitsland en Zwitserland in 1889 tot ondertekening van de Utrechtse Bisschopverklaring, waarin de principiële uitgangspunten voor hun samenwerking werden verwoord. In de jaren die volgden verstevigde de samenwerking zich.

De Twintigste Eeuw en Verder: Synodaliteit en Oecumene

Met de drie periodes die in het bovenstaande zijn geschetst, zijn grondkenmerken van de Oud-Katholieke Kerk gegeven, die ook in de twintigste eeuw hebben doorgewerkt: synodaliteit, bisschoppelijke organisatie van de lokale kerk, en het bewaren van de oude katholieke leer.

Vanuit het besef van de synodaliteit en conciliariteit van de vroege kerk richtte de Oud-Katholieke Kerk in 1920 een landelijke Synode op, zodat alle parochies gingen delen in de verantwoordelijkheid voor het landelijke bestuur. In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er een gelijke en centraal georganiseerde honorering van de geestelijken tot stand, zodat er niet langer sprake was van ‘vette’ en ‘magere’ pastoorsplaatsen.

Na langdurig intern synodaal overleg en met raadpleging van andere kerken besloot de Oud-Katholieke Kerk in 1998 dat ook vrouwen toegang hadden tot het bijzondere ambt van diaken, priester en bisschop. Op het gebied van de sacramenten besloot de Oud-Katholieke Kerk dat ook andere huwelijkse relaties dan de klassieke van een man en een vrouw gezegend kunnen worden, hoewel hierover ook onder oud-katholieken nog geen internationale overeenstemming is bereikt.

Het Seminarie van de Oud-Katholieke Kerk verhuisde eind jaren vijftig van de binnenstad van Amersfoort naar een rustieke buitenwijk en werd in 1969 ondergebracht bij de Universiteit Utrecht. Via de Missie Sint Paulus draagt de Oud-Katholieke Kerk bij aan een wereldwijde menswaardige samenleving.

In de twintigste eeuw bloeide de oecumenische samenwerking en erkenden bisschoppelijk georganiseerde kerken zoals de oud-katholieke en de anglicaanse elkaar wereldwijd. Soortgelijke banden kwamen tot stand met de Filippijnse Onafhankelijke Kerk (IFI) en de Kerk van Zweden en de Malankara Mar Toma Syrische Kerk in India (2024). De theologische gesprekken met de orthodoxe kerken konden in 1987 worden afgerond. Helaas belemmerden nieuwe vraagstukken de volledige wederzijdse erkenning, zoals dat ook in de gesprekken met de Rooms-Katholieke Kerk het geval is. Op praktisch gebied wordt er in de Raden van Kerken plaatselijk en landelijk nauw samengewerkt met alle andere lidkerken.

De Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt)

De term ‘gereformeerd’ verwijst naar de Reformatie in de 16e eeuw, een beweging die zich richtte op het herstel van de toenmalige Rooms-katholieke Kerk. Namen als Maarten Luther, Huldrych Zwingli en Johannes Calvijn zijn hieraan verbonden. De kerken die uit deze beweging voortkwamen, dragen het stempel van deze periode.

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zijn in 1944 ontstaan uit de ‘Gereformeerde Kerken’ als gevolg van meningsverschillen over de doop en de kerkregering. De ‘vrijgemaakten’ wilden terugkeren naar wat zij beschouwden als de pure leer van de Bijbel, vrij van zaken die naar hun overtuiging niet schriftuurlijk waren.

Dit proces van ‘vrijmaking’ werd aangejaagd door theologische discussies in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Kritische vragen werden gesteld bij de visie op doop en verbond binnen de Gereformeerde Kerken. Dit leidde tot verzet en uiteindelijk tot een generale synode in 1942 die inhoudelijke uitspraken deed over deze leerpunten.

De uitspraken van de generale synode werden als dwingend opgelegd beschouwd, wat leidde tot disciplinaire maatregelen. In 1944 werden onder anderen Prof. dr. K. Schilder en emeritus-hoogleraar dr. S. Greijdanus geschorst en afgezet. Zij werden beschuldigd van openbare scheurmaking vanwege hun verzet tegen de niet-schriftuurlijke leeruitspraken en de dwang om deze op te leggen.

De bezwaarde kerkleden, die zich niet konden verenigen met de uitspraken en de handelwijze van de generale synode, traden uit de Gereformeerde Kerken. Zij organiseerden eigen samenkomsten, wat resulteerde in de vorming van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Dit nieuwe kerkverband vormde een gereformeerde zuil met eigen scholen en organisaties.

De naam ‘vrijgemaakt’ werd gangbaar om misverstanden te voorkomen, en het meervoud ‘kerken’ wees op de verbondenheid op landelijk niveau en de bereidheid tot gezamenlijke afspraken en verantwoording.

Verdere Splitsingen en Herenigingen

In de jaren ’60 van de vorige eeuw vond er opnieuw een breuk plaats, waarbij naast de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) de Nederlands Gereformeerde Kerken ontstonden. Op 1 mei 2023 is deze breuk hersteld en vormen beide kerkverbanden samen de Nederlandse Gereformeerde Kerken, met ongeveer 320 plaatselijke kerken en 130.000 leden.

Het kerkelijke landschap in Nederland heeft door de eeuwen heen aanzienlijke veranderingen gekend. Naast uittreding is een toenemende kerkelijke diversiteit een kenmerk van de negentiende- en twintigste-eeuwse ontwikkeling. Vooral de gereformeerde kerken toonden regelmatig breek- en fusieactiviteit.

In 1892 ontstond de Gereformeerde Kerken in Nederland uit een samengaan van de kerken uit de Afscheiding (1834) en de Doleantie (1886). De Gereformeerde Gemeenten ontstonden uit een vereniging van de Kruisgemeenten en de Ledeboeriaanse gemeenten.

Na geschillen over theologische kwesties schorste de synode van de gereformeerde kerken in 1926 en 1944 plaatselijke predikanten, waaruit nieuwe kerken ontstonden: de Gereformeerde kerken in Hersteld Verband (1926) en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (1944).

De pluriformiteit nam ook buiten de hoofdstromingen toe. Gezindten zoals adventisten, Jehova’s getuigen, het Leger des Heils, pinkstergroepen en humanisten kwamen op. Ook de islamitische gemeenschap groeide, met name door immigratie.

In 1889 konden 17 kerkelijke richtingen worden onderscheiden, waarbij ruim 90 procent van de volwassenen tot een van de drie hoofdstromingen behoorde (hervormden, gereformeerden en katholieken). Ruim tachtig jaar later, in 1971, was het aantal kerkelijke richtingen toegenomen tot 23.

Grafiek met de omvang en geografische spreiding van religieuze gezindten in Nederland door de eeuwen heen.

De Vrijmaking van 1944

De Vrijmaking van 1944 was een protest tegen geloofsdwang en vond plaats binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland. De aanleiding was een fundamentele onenigheid over de juiste gereformeerde orthodoxie, met name over de precieze betekenis van de doop en Gods verbond. De ene zijde (de ‘synodalen’) werd verweten te veel te leunen op de ‘veronderstelde wedergeboorte’, wat volgens de vrijgemaakten de pure leer aantastte.

Daarnaast speelden kerkrechtelijke zaken een belangrijke rol, vooral de vraag naar kerkelijke autonomie: moesten plaatselijke kerken synodebesluiten kritisch toetsen en pas daarna accepteren (de visie van de vrijgemaakten), of moesten ze die zonder meer accepteren en eventueel bij een volgende synode bezwaar maken (de visie van de synodalen)? Dit was een conflict over de soevereiniteit van de plaatselijke kerk versus de autoriteit van de centrale synode.

De Vrijmaking kwam op een uiterst ongelukkig moment in de geschiedenis. In 1944, tijdens de Duitse bezetting, was het niet eenvoudig een synode bijeen te roepen. Openbaar vervoer was er nauwelijks en liep het risico bestookt te worden door de geallieerde luchtmacht. Volgens de vrijgemaakten werden ze op de synode van 1944 niet netjes behandeld. De koppige houding van Schilder heeft bijgedragen aan het conflict. Er werden besluiten doorgedrukt, waarvoor een verlenging van de synode nodig was - een verlenging die volgens de vrijgemaakten onreglementair was. Belangrijke opponenten konden er door oorlogsomstandigheden niet bij zijn.

Er werd een uitspraak gedaan over de doop die noodzakelijk werd gevonden om de erfenis van Abraham Kuyper te beschermen. Hiermee werd een compromisformule opengebroken over Kuypers leer van de 'veronderstelde wedergeboorte'. De synode handelde volgens de vrijgemaakten in strijd met artikel 31 van haar eigen Dordtse Kerkenordening en legde de nieuwe uitspraak op als enig aanvaardbare uitleg. Schilder en zijn collega Greijdanus verzetten zich tegen deze besluiten. Reden voor de synode om deze theologen te schorsen en uiteindelijk te ontslaan en uit het ambt te zetten.

De kerkscheuring van 1944 veroorzaakte veel leed in de ooit zo hechte gereformeerde kring. Het rukte families, soms gezinnen uiteen. De ontwikkelingen rond Schilder dwongen de synode een uitspraak te doen. Het conflict was (niet het minst door toedoen van Schilder zelf) in de oorlogsjaren op de spits gedreven.

In 1966 verscheen de Open brief uit 1966 over de Vrijmaking in 1944, die een nieuwe verdeeldheid aan het licht bracht. Het meningsverschil ging over de verhouding tot de synodale Gereformeerde Kerken in Nederland en eigenlijk of men de Vrijmaking in 1944 moest zien als ingrijpen van God of als menselijk handelen. Deze ontwikkeling volgde op een discussie in verschillende kerkbladen en op internetfora over de betekenis van de Tien geboden in het dagelijks leven.

Volgens de bezwaarden werden vooral het vierde gebod, maar ook het zevende gebod, door de synodes van Leusden (1999), Zuidhorn (2002) en Amersfoort (2005) feitelijk afgeschaft. Op 20 september 2003 werd er een zogenoemde "Vrijmakingsvergadering" gehouden te Zwolle. Na deze vergadering zijn er verschillende streekgemeenten ontstaan. Dit nieuwe kerkverband wordt informeel wel aangeduid als Nieuwe Vrijgemaakte Kerken. In 2005 werd er een eerste synodevergadering bijeengeroepen te Mariënberg. Hier werd onder andere over de naam van het te vormen kerkverband gesproken. Het voorstel was om de kerken "Gereformeerde Kerken" te laten heten. Dit oorspronkelijke voorstel bleek echter niet uitvoerbaar, aangezien (onder andere) de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), waarin de Gereformeerde Kerken in Nederland zijn opgegaan, daar bezwaar tegen maakte. Op 5 oktober 2024 is dit kerkverband gefuseerd met de Gereformeerde Kerken Nederland.

Foto van Professor Klaas Schilder

tags: #vrijgemaakte #katholieke #kerk