We hoorden net uit de Bijbel de geschiedenis die bekend staat als de ‘wonderbare visvangst’. Jezus is sinds enige tijd begonnen aan zijn werk: zijn Vader dichtbij brengen in woorden en daden. Op het moment dat we de geschiedenis binnenstappen, zit Jezus in een bootje aan de rand van het meer Gennesaret. Als Jezus uitgesproken is, vaart het scheepje echter niet terug naar de kant.
Jezus zegt: vaar naar diep water en laat je netten zakken om vis te vangen! Dat is een wonderlijke opdracht. Gewoonlijk werd er ’s nachts gevist in diep water, en overdag in ondiep water dicht bij de kant. Maar Simon vertrouwt Jezus. Hij en zijn mannen varen weg en gooien hun netten uit op de plek die Jezus wees. En wat gebeurt er? De drijvers van hun netten beginnen meteen hevig te bewegen; teken dat er vissen in het net zwemmen. Verbaasd beginnen ze hun netten weer op te halen. En ze staan versteld: een ongelooflijk goede vangst! Hun netten beginnen zelfs te scheuren, zo zwaar is de vis. Hun hele boot komt vol te liggen, en ze moeten zelfs een ander bootje wenken, dat óók helemaal gevuld wordt. Ze zinken bijna onder het gewicht! Wat een overvloed!

Het is een wonder van Jezus, zoveel is duidelijk. Maar waarom doet Hij dit? Om te laten zien wie Hij is. Het wonder van de vissen toont allereerst zijn macht over alle dingen en zijn kennis. Jezus is niet zomaar een rondtrekkende rabbi! Maar nog veel meer toont dit wonder de goedheid, de gulheid van God. Jezus gééft in overvloed. Hij is niet alleen machtig, hij is genadig. Ruimhartig deelt hij uit. Heel concreet: vis voor vissers die niets vingen. Maar dit teken ziet breder: het toont hoe Hij alles kan en wil geven wat een mens nodig heeft.
De Betekenis van het Wonder
Dat is precies wat we vanmorgen ook mogen zien in het Heilig Avondmaal. De overvloed die Jezus geeft! Hoe hij ons alles aanreikt wat we nodig hebben: genade, gemeenschap, vrede en vergeving. Heil en hulp in nood. Overvloedig geeft Hij, net als toen!
Ja, dan moet je niet blijven hangen bij wat je ziet: een stukje brood en één slok wijn. Dat lijkt eerder karig dan overvloedig. Maar het gaat om waar het heen wijst. Jezus die zichzélf geeft aan ons. Zijn lichaam in de dood, tot verzoening. Brood, dat is levenskracht. Wijn, dat is vreugde. Hij geeft álles wat een mens nodig heeft, voor nu en voor later. Zoals een lied het zegt “kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst, gij geeft het leven tot in eeuwigheid”. Overvloed door Jezus!

Deze geschiedenis staat bekend als de ‘wonderbare visvangst’. Maar ten diepste gaat het niet om de vis. De vissen zijn een teken dat Hij álles kan geven. Jezus doet dit, om Simon en de anderen aan Hem te verbinden. Om ze zijn macht en goedheid te tonen, zodat ze daarop zullen vertrouwen.
Reactie van Simon Petrus
En zo is het ook bij het Avondmaal. Het formulier zegt het ‘laten wij niet slechts op het brood en de wijn letten, maar laten we ons hart op Hemzelf richten’. De overvloed is in Hem! Als u straks het brood krijgt aangereikt, als u straks de wijn drinkt, dan wil dat ons richten op Hem. Hij wiens lichaam gebroken werd als brood, wiens bloed vloeide als de rode wijn. Het is vandaag de eerste zondag van de Lijdenstijd. We mogen stilstaan bij alles wat Hij gaf. Daar word je stil van. Maar daarin is ook overvloed. Overvloed voor ons, gegeven door Hem.
We hoorden hoe Jezus overvloed schonk aan Simon Petrus en de andere vissers. Hoe reageerde hij? Dacht hij van ‘wát een geweldige vangst, wat een enorme meevaller! Daar kunnen we weken van leven. Geweldig die Jezus!’ Was hij blij verrast? Nee, daar lezen we niet van. Simon geeft een heel andere reactie, een veel diepere. Simon ziet de afstand die er is tussen Jezus en hem. Jezus, Hij komt van God, dat blijkt hier zo ineens uit het wonder dat Hij laat gebeuren. Jezus is machtig en goed. Voor Jezus voelt hij ontzag. Gods grootheid in zijn kleine bootje! Overvloed die hem geschonken wordt, hij is er ondersteboven van! En dat aan hém. Simon, hij voelt het ineens heel duidelijk, diep van binnen. Hij past niet bij deze man. God is heilig en hij niet. Hij, Simon, is een mens met fouten en gebreken. Hij schiet tekort in duizend dingen. Deze nabijheid van Gods macht en genade, het is benauwend voor een gewoon mens als hij. Júist als Jezus hem zoveel geeft, zomaar. Dat verdient hij toch niet? Wie is hij nu helemaal? Simon raakt in verwarring, hij kan het niet uithouden.
Hier aan het Heilig Avondmaal geeft Jezus óns zijn overvloed. Maar ook ons kan het verwarren! En dat is geen teken dat je er niets van begrijpt. Nee, dat is een teken dat je heel goed beseft waar het om gaat! Hier is Jezus zelf in ons midden. Hij stapt in onze boot, zogezegd. En Hij geeft ons een overvloed aan genade en goedheid. Hij geeft ons álles, ja zelfs zichzelf. En dan kun je soms diep het verschil beseffen tussen Hem en ons. Hij, de heilige God, de volmaakte mens. En u - een mens met fouten en gebreken. Misschien niet heel grove en opvallende zonden, die had Simon waarschijnlijk ook niet. Maar toch beseft hij diep: ik ben een zondig mens! En dat zijn wij ook, u en ik. Op een doordeweekse dag denk je er niet aan. Maar als je naar het Avondmaal gaat, besef je het soms ineens wel. En dan ook nog zoveel krijgen: brood en wijn, vergeving en leven. Zomaar aangereikt. Dat verdien je toch niet?
De Reactie van Ontzag en Afstand
In Simons reactie vinden we twee dingen. Als eerste zegt hij: “Heer, ga maar weg”. Kom niet zo dichtbij! Als de afstand groter wordt, kan ik het beter uithouden. Dan maar geen nabijheid bij U! Een heel begrijpelijke reactie! Zo gebeurt het nog steeds. Dat mensen maar niet naar de kerk komen als het Heilig Avondmaal is, of niet deelnemen. Vroeger was dit heel sterk: het Avondmaal is zo heilig, daar blijf ik maar liever weg! En ook al neemt u nu wel deel, iets van die spanning kan nog steeds meespelen. Het zou ook niet goed zijn als dat helemaal weg was. Maar toch… dit is niet wat Jezus wil. Hij wist echt wel wie Simon was, en wie wij zijn. En toch wil hij bij hem in de boot zitten, of aan tafel. En toch wil Hij aan zulke mensen zijn overvloed schenken!
Nee, iets anders in de reactie van Simon is passender. Hij valt vol ontzag neer voor Jezus voeten. Hij geeft hem de eer. Dát verdient Hij! Dat is de passende reactie op zijn vrijgevigheid ook vandaag, hem eren! Simon noemt hem ‘Heer’ - degene die het mag zeggen. Hij erkent Hem! Zó mogen ook wij doen. Als de Heer bij ons komt en zijn overvloed deelt. Dan mogen we buigen in aanbidding.

De Roeping tot Dienstbaarheid
Vroeger zei men wel dat het geloof bestond uit kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid. Ellende, dat is wie je zelf bent en wat er aan je mankeert. Verlossing, dat is wat God ons geeft door Jezus: een heel nieuw leven uit genade. Deze drie dingen vinden we alledrie terug in de geschiedenis van vanmorgen. Maar wonderlijk: het begínt met de genade, de verlossing, de overvloed. Wat Jezus geeft is de basis. En juist van dááruit beseft Petrus dat hij maar een zondig mens is, die deze overvloed niet verdient - zijn ellende, in de oude termen.
Simon is voor Jezus neergevallen, zo lieten we hem net achter. Zo mogen wij bij wijze van spreken ook neerknielen voor de Heer die ons alles geeft. Dat is een uiting van dankbaar ontzag. Maar dan? Simon kan niet zo blijven liggen. Wij kunnen niet aan de tafel hier eeuwig blijven zitten zingen. Het leven gaat vérder. Toen, maar ook nu in het leven van het geloof.
Maar.. Simon Petrus wordt in dienst genomen door de Heer. Jezus zegt eerst vriendelijk: “wees niet bang!” Ik weet wie je bent, maar daarop wijs ik je niet af! Sterker nog, ik neem je in dienst. “Vanaf nu zul je mensen vangen!” Dat wil zeggen: Simon mag aan de slag voor het vissersbedrijf van Jezus. Om mensen op te vissen die dreigen te zinken in de zee van de chaos van de wereld. Simon mag straks de goede boodschap gaan verspreiden: bij Jezus is er overvloed! Bij Jezus is er Gods goedheid, voor mensen mét hun fouten en gebrek! Hij mag een apostel worden, een ‘gezondene’.

Zo is het ook nu wij de Maaltijd van Jezus vieren. Dan mogen we daarna erop uit gaan, in dienst van Hem. We worden in beweging gezet, voorzien van nieuwe kracht! We mogen getuigen van Hem die we ontmoetten, van Hem die onze Heer is. Begin maar het meest dichtbij: bij je man of vrouw, vriend of vriendin, je gezin. Niet preken, maar laten merken dat je gevóed bent, gezegend. Dat Jezus je overvloed geeft en je noden vervult. Maar we mogen ook in bredere kring goed van onze Heer spreken. Bij je vrienden, op een verjaardag of een gesprek op straat. Als iemand vertelt over dingen waar hij mee zit, dat je zegt: heb je het al aan Jezus gevraagd? Tenminste als die persoon íets van Hem af weet. En anders mag je op Hem wijzen. Op school, in de kas, op kantoor: wees een levend getuigenis van Hem. En nogmaals: ga maar niet preken. Maar laat het zichtbaar aan je zijn dat een leven met de Here Jezus een vervuld leven is. Dat je leeft uit zijn overvloed.
En als het dan te pas komt, wees dan niet bang om over Hem te spreken. Simon werd op een speciale manier geroepen. Hij liet alles achter, zijn schip, zijn werk, zijn familie, om zo fulltime Jezus te volgen. Dat zal voor de meesten van ons niet zo gelden. Wij mogen juist in het ‘gewone leven’ getuigen zijn, in daden en woorden! Want Jezus volgen is ook voor een christen nu fulltime. Niet alleen op zondag of af en toe, maar alle dagen. Daarom geeft de Here ons het Avondmaal: niet alleen om even opgetild te worden uit de wereld van alledag, maar juist en vooral ook om geestelijke energie te krijgen om als christen in de wereld te staan. Zo mogen wij de overvloed van onze Heer ontvangen. Beseffen dat wij die niet waardig zijn, en ons juist daarom dankbaar toewijden.
Altijd anderen willen helpen of redden - Opstelling | JA! Instituut
Moet je je eens voorstellen. Je bent visser op het meer van Galilea. Je hebt de hele nacht gewerkt. En je hebt niks gevangen. De hele nacht door: netten uitgooien, wachten, netten inhalen, niks gevangen. Een stuk varen, netten uitgooien, wachten, netten inhalen, niks gevangen, een stuk varen. Netten uitgooien. Eindeloos door. Zonder resultaat. Je bent moe. Je hebt honger, maar geen vis vangen is geen eten. Jullie varen terug naar land. Straks begint het meest vervelende klusje: de netten schoonmaken. Op het strand staat die praatjesmaker Jezus. Hij vertelt al een tijdje in het dorp over het Koninkrijk van God dat komt. God gaat binnenkort alles goed maken. Ja, ja. Eerst zien, dan geloven. Zo’n praatjesmaker verdient zijn eten met alleen maar mooie woorden vertellen. Net voor je de boot uitspringt om hem op het strand te trekken, komt Jezus naar je toe. En hij stapt brutaal in de boot. ‘Vaar een stukje terug het meer op’. Je doet het maar. Een paar meter van het strand gaat Jezus in de boot zitten en hij begint weer te preken. Hij vertelt verder over het Goed Nieuws. God gaat de mensen helpen. Hij gaat hen bevrijden. Hij gaat Israël weer nieuw maken. De harten van mensen veranderen. Hij kan goed vertellen die Jezus. Meteen voel je je weer moe, hongerig en chagrijnig. Wat denkt die praatjesmaker wel?
Je antwoord: ‘Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen, en u zet koers naar het diepe water. De zon schijnt, de omstandigheden zijn nog slechter dan vannacht. Het enige verschil is dat nu ook Jezus in de boot zit. Maar waarom zou dat helpen? Je gooit de netten uit. En wacht. Dan komt er beweging in het water. Opeens krioelt het van de vis. Je wilt het net naar boven halen, maar het dreigt te scheuren. Snel zwaai je naar de kant: Jakobus, Johannes, kom helpen! Samen met je partners haal je een ongelofelijke hoeveelheid vis binnen. En zodra de vis aan wal is, kijk je Jezus aan. En val je op je knieën. Er gebeurt op dat moment heel veel in Petrus. Nee, Petrus kijkt opeens met ander ogen. Hij ziet zichzelf in het licht van God. In een split second bevindt hij zich in dezelfde situatie als Jesaja. Jesaja krijgt in de tempel een visioen. Hij ziet God in al zijn glorie als koning op een troon. Met allemaal rare serafs, een soort engelen om God heen. Die zingen: Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. En Jesaja voelt zichzelf dan opeens heel erg klein. In het licht van Gods goedheid en heiligheid, is hijzelf maar een pietepeuterig klein onrein slecht mensje. En dan antwoord Jezus aan Petrus: Wees niet bang. God is niet op zoek naar mensen die zonder Jezus ook wel briljante vissers zijn. Naar mensen die vol van zelfvertrouwen kunnen vertellen over God. God is op zoek naar zondige, kleine, oelewappers als Petrus en Jesaja. Hij roept baby’s die nog een zinnig woord kunnen uitkramen. Hoe zoekt contact met tieners die aan de buitenkant sterk zijn, maar aan de binnenkant twijfelen of ze er wel bij horen. Of ze er wel toe doen. God gebruikt mensen met talenten en gebreken. Die dingen goed kunnen, maar o zo snel denken dat ze het zelf wel kunnen zonder hulp van God. Hij roept mensen die ouder worden, die volgens de maatschappij eigenlijk niks nuttigs meer bijdragen. Hij roept mensen die hun vinger opsteken, zoals Jesaja. En twijfelaars met een grote mond, zoals Petrus. Hij roept ons om alles achter ons te laten. Vaak niet letterlijk. Het zou wat zijn als God jullie als doopouders nu zou roepen om je kind en partner achter te laten en iets heel anders te gaan doen. Dat is niet waartoe God je roept. En Petrus, Jakobus en Johannes moeten ook niet álles achter zich laten. Jezus zegt: ‘voortaan zul je mensen vangen’. We zijn allemaal geroepen om ons werk op een nieuwe manier te doen. Tot aan de middeleeuwen maakten mensen onderscheid tussen geestelijken zoals dominees en priesters, die een roeping ontvingen van God, en gewone mensen, leken. Maar de reformator Maarten Luther zag dat anders. Hij zag: iedereen is door God geroepen tot zijn werk. Tot zijn of haar ‘beroep’. Of je nu vrachtwagenchauffeur bent of ambtenaar, juf of tuinder, op een olieboorplatform werkt of aannemer bent. Op die plek kun je God dienen. Door je werk goed te doen. Door net zoals Jezus te zijn, vol liefde, geduld, met oog voor de mensen om je heen. Door je werk te doen met Jezus erbij. In afhankelijkheid van God. Maar ook door je identiteit niet te veel te laten bepalen door je werk. Misschien wordt wel het meest concreet als je je voorstelt dat Jezus erbij is op je werk. Dat hij meekijkt op je computerscherm, dat hij erbij zit in een overleg, dat hij naast je zit in de auto. Zoals Jezus bij Petrus in de boot zat toen hij een tweede poging deed om vis te vangen. En dat geldt niet alleen voor je werk. Stel je voor dat Jezus erbij is als je probeert je kind of tiener op te voeden. Als je chagrijnig bent en moe. Als je naar huis fietst van school en een rotdag hebt gehad. En dat is meer dan een gedachtespelletje. De ervaring van Jesaja en Petrus is dat God inderdaad dichtbij is. Dat hij je roept. Dat hij om je geeft. Ook al is hij zo groot en machtig en hoog verheven boven alles. Hij is erbij. Juist ook op de momenten dat je het zelf niet zo voelt. Hij roept je. Om dichtbij hem te blijven. Om al je sores bij hem te brengen.

Zonde en Godsvertrouwen
Broeders en zusters, soms is het zonde om het in het leven niet over een andere boeg te gooien. Zonde? Dat is voor velen een beladen, bekrompen woord van vroeger. Vroeger noemden we zovele zaken zonde. In bepaalde kringen was dat fietsen op zondag. Of zondags naar het voetballen. Zelfs kaarten werd zondig genoemd en het kaartspel zelf een duivels prentenboek. Ondanks ons katholiek-zijn blijven we een calvinistisch landje. Wat een ellende en angst heeft die manier van denken niet teweeggebracht. Geen wonder dat mensen soms allergisch zijn geworden voor dat woord zonde en dus ook voor de plek waar het werd gepredikt; de kerk en de kansel. Ze willen er niets meer van horen. En dat is jammer! Want nadenken over zonde hoort bij het volwassen worden. Alleen: dan moet je wel weten dat de Bijbel zonde anders ziet, anders bedoelt dan alle voorbeelden die ik zojuist gaf.
Zonde is letterlijk: je doel of je bestemming missen. Heb je het over zonde, denk dan aan een schutter. Je wilt je doel raken. Maar je weet ook dat er van alles kan gebeuren waardoor dat niet lukt. Zoals vandaag met windkracht 7. Of je hebt de pech, dat er een kleine afwijking in de pijl zit. Dingen waar je niet veel vat op hebt. Je kunt ook je doel missen buiten je schuld om. Maar soms kun je er wel wat aan doen: als je een borrel teveel op hebt, kun je er zeker van zijn dat schieten niet lukt. Als je niet focust, schiet je mis. Wij denken bij zonde vaak meteen aan wat je verkeerd doet. In de bijbel is dat woord breder: door allerlei oorzaken kan het niet goed gaan in het leven. Zonde is veelal: machteloosheid, onvermogen. De kern is: je bereikt je doel, je bestemming niet. Het gaat niet, het lukt niet.
Vissers op het meer van Genesareth zwoegen de hele nacht, maar vangen niets. Ze doen hun best, werken hard, maar het lukt niet. Die vissers laten zien hoe jouw leven kan zijn. Ze staan voor het gevoel: je doet je best, maar het lukt niet. Ik zwoeg, maar ik zie geen resultaat. Ik verzet bergen, maar ik voel: ik zit op een verkeerd spoor. Die vissers staan voor wat je kunt ervaren op je werk, in relaties of waar dan ook. En wat je kunt denken: het lukt niet, het klopt niet. Is dat alles wat er is? Dat laten de vissers zien. Maar Jezus die daar ook is en maakt iets anders duidelijk. Hij zit op het meer van Genesareth. Eigenlijk staat er: hij zit op de zee. De zee, dat zijn vaak in de Bijbel de doodlopende wegen die je in je leven kunt bewandelen. Onvermogen om wat niet lukt. De zee is verdriet, je gemis. Jezus zit op de zee. Laten we dat beeld eens vasthouden. Het symboliseert hetzelfde als lopen op het water. Dat betekent: je ontkomt in je leven niet aan alles waar die zee voor staat. Maar bovenal wil dat ‘zitten op de zee’ zeggen: er is iets dat sterker is dan doodlopende wegen, sterker dan angst, verdriet, sterker dan wat verkeerd gaat, sterker dan je doel missen, sterker dan de dood.
Daar vertelt Lucas over, als hij tientallen jaren na zijn leven over Jezus schrijft. Hij weet welke invloed van Jezus is uitgegaan, tijdens zijn leven, maar ook daarna. De kern van die zijn invloed was: Jezus heeft mensen Godsvertrouwen gegeven. Dat Godsvertrouwen van Jezus houdt dit in: Jij bent uniek. Jij mag je eigen weg door het leven gaan, al gooi je het over een andere boeg, al wijkt jouw weg af van die van anderen. Hoe jouw weg zal zijn, dat is heel persoonlijk. Een ander kan die niet bepalen voor jou. Je mag hopen dat je vertrouwen ontvangt om zoiets te doen en te durven. Dat doet Jezus. Hij geeft mensen - die merken dat ze op een dood spoor zitten - vertrouwen om het op een geheel andere manier te doen. ‘Gooi het over een andere boeg’, zegt Jezus, ‘Doe het anders, ga vandaag vissen en niet vannacht’. Die zeggen: ‘Vissen doe je s nachts. Dan vang je meest’. Dwars tegen wat het beste lijkt, klinkt hier: ‘gooi je netten uit, nu overdag, hier, op jouw manier’. Jezus is de stem van godsvertrouwen. Die stem klonk door zijn mond, 2000 jaar geleden. Die stem is niet verstomd. Die klinkt door het verhaal heen naar ons, naar jou, naar mij. ‘Zoek je eigen weg, al zeggen alle anderen: ‘doe het volgens onze regels, doe het niet overdag, maar s nachts’’. Je eigen weg is de weg naar je bestemming. Zonde is het als je je daarvan laat afleiden. Het is goed zo. Jezus zegt: ‘Stel het niet uit: doe het vandaag, gooi je netten uit’.
De vissers, die dat doen, merken het resultaat aan hoe groot de vangst dan is! Veel groter dan ze ooit hadden kunnen denken. Je zou zeggen: ze springen een gat in de lucht. Ja, maar ze zijn ook bang. Bang voor de eigen weg. Het nieuwe, het goede, het vruchtbare, jaagt ook angst aan. ‘Ga uit van mij’, zegt Petrus, ‘ik ben een zondig mens’. Hij heeft zijn netten op een ander moment uitgegooid. Hij heeft enorm veel gevangen en hij is bang. Hij zegt: ‘Ik schiet tekort, ik kan het niet, wat staat me voortaan te wachten? Ik voel me onzeker, is het wel goed wat ik doe? Is dit wel mijn bestemming of hadden al die anderen toch niet gelijk?’ Jezus antwoordt op dat gevoel met een zinnetje dat 365 keer in de bijbel schijnt voor te komen. ‘Wees niet bang’. Is het een wonder als een kind bang is? Is het een wonder als jij bang bent voor wat (be)dreigend is? Is het een wonder dat je bang kunt zijn voor wat er komt? Een wonder dat jij kunt twijfelen aan je beslissingen. Nee, natuurlijk niet, je kunt ten prooi zijn aan duizend angsten. ‘Ik ben voor bijna alles bang geweest’, dicht Vasalis. Wees niet bang, in die drie woorden, vat Jezus het godsvertrouwen samen. Wees niet bang, dat zegt: Ik ben met je, in wat lukt en mislukt, in wat voorspoedig gaat en in wat tegenzit, in leven en in sterven: wees niet bang, zo vat Jezus het godsvertrouwen samen. Dat godsvertrouwen kunnen we voortzetten, dat kunnen we doorgeven aan elkaar.
De Belofte: Vissers van Mensen
Dat hoor ik Jezus ook zeggen. ‘Wees niet bang, voortaan zul je vissers van mensen zijn’. Je kunt dat zou kunnen associëren met vangen, gevangen nemen, met bekeringsdrang en ga zo maar door bij krijgen. Maar Jezus bedoelt wat anders. Hij zegt letterlijk: ‘voortaan zul je mensen vangen tot leven’. Iemand schreef me deze week: ‘het gaat hier om opvangen, om ze bij het leven te brengen’. In de Joodse traditie zeggen ze: ‘een rechtvaardige is iemand met een hengel. Een hengel om iemand mee uit het water te vissen. Om elkaar op te vissen, op te vangen’. Wij zijn verlengstuk van Jezus om elkaar bij het leven te brengen. Om met woorden en daden duidelijk te maken: er is iets sterker dan de zee.
1e lezing: Jesaja 6, 1-2a. 3-8; 2e lezing: 1Kor. 15, 1-11; evangelie: Lucas 5, 1-11
Evangelietekst uit de Willibrordvertaling 1978:
Op zekere dag stond Jezus aan de oever van het meer van Gennesaret, terwijl de mensen op Hem aandrongen om het woord Gods te horen. Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten. Hij stapte in een van de boten, die van Simon en vroeg hem een eindje van wal te steken. Hij ging zitten en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk. Toen Hij zijn toespraak had geëindigd, zei Hij tot Simon: ‘Vaar nu naar het diepe en gooi uw netten uit voor de vangst.’ Simon antwoordde: ‘Meester, de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen, maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.’ Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten, dat deze dreigen te scheuren. Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot om hen te komen helpen. Toen die gekomen waren, vulden zij de beide boten tot zinkens toe. Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei: ‘Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.’ Ontzetting had zich meester gemaakt van hem en allen die bij hem waren vanwege de vangst die ze gedaan hadden; en zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die met Simon samenwerkten.