Naar aanleiding van het onderzoek naar seksisme in de kerk door Alien Boele, was de redactie nieuwsgierig naar de ervaringen van de oudste generatie vrouwelijke predikanten binnen het kerkgenootschap. Tjaard Barnard sprak met ds. Annegien de Jonge (90) over haar loopbaan en de uitdagingen die zij tegenkwam als vrouw in het ambt.
Jeugd en studie
Annegien de Jonge groeide op in Hoogeveen en werd gedoopt door ds. S.H. Spanjaard. Na hem stonden er in haar tijd alleen vrouwelijke predikanten in Hoogeveen, wat het voor haar minder bijzonder maakte. Als oorlogskind, met een vader die in Kamp Amersfoort en Buchenwald had gezeten, worstelde ze met grote levensvragen en de oorsprong van het kwaad. Dit motiveerde haar om theologie te gaan studeren. De studie was aanvankelijk lastig omdat ze HBS-B had gedaan en nog staatsexamen Grieks en Latijn moest afleggen, waarvoor ze bij de rector van het gymnasium in Groningen bijles kreeg.

Studietijd in Leiden
In 1953 begon ze haar studie in Leiden, waar professor Sirks hoogleraar van het Seminarium was. Hoewel hij geen problemen had met vrouwelijke studenten, vroeg hij bij de eerste kennismaking of ze niet liever maatschappelijk werkster wilde worden. De Jonge bleef echter vastbesloten om dominee te worden. Professor Sirks was een inspirerende leermeester; zijn opvolger Hoenderdaal zou later klagen over de "Sirksianen" die een kliek vormden binnen het Convent. Naast zijn academische rol was Hoenderdaal ook een betrokken pastor. Hij merkte op dat een medestudente niet goed in haar vel zat en wist haar gerust te stellen dat het liefdesverdriet betrof, wat De Jonge bijzonder vond gezien zijn opmerkzaamheid.
Tradities en ongelijkheid op het Seminarium
In die jaren werden niet alle vrouwelijke studenten toegelaten tot het Seminarium; er was een vergelijkend examen waarvoor alleen de beste kandidaten in aanmerking kwamen. Tijdens de wekelijkse seminariumavonden bij de hoogleraar thuis waren er vaste gebruiken. De positie van de studerende veranderde met de duur van de studie: heren hadden direct een fauteuil, terwijl dames op een bankje begonnen. Ook was het gebruikelijk dat de dames voor de thee zorgden tijdens de pauzes. Deze gang van zaken werd destijds als normaal beschouwd. Toen een van de seminaristen "moest trouwen", zag hij zich genoodzaakt het seminarium te verlaten, wat door de studenten als onzin werd ervaren, maar niemand durfde dit aan te kaarten.
Proponent in Gouda
Aan het einde van haar studietijd gaf De Jonge catechisatie in Gouda. De catechisanten waren zo tevreden dat ze een brief stuurden om haar te willen hebben toen ds. Pel van Lent vertrok. Ondanks dat de kerkenraad van tevoren had aangegeven geen proponent of vrouw te willen, werd zij in 1961 beroepen. Ze bleef haar hele werkzame leven in Gouda, waar ze erin slaagde doopsgezinden en vrijzinnige hervormden bij de gemeente te betrekken, wat later de Federatie vormde. Daarnaast was ze predikant in Schoonhoven en had ze enkele jaren Waddinxveen erbij.
In de omliggende kerken waren er nog geen vrouwelijke predikanten. Wanneer ze een orthodoxe collega tegenkwam die haar met "juffrouw" aansprak, plaagde ze hem graag door te antwoorden met "dag collega!". Ze herinnert zich een collega die klaagde over het maken van preken, waarop zij antwoordde: "ik weet het, ik schrijf ze ook!". Binnen haar eigen gemeente werd ze gewoon als predikant geaccepteerd. In Schoonhoven had ze al veel vrouwelijke voorgangers gehad.

Persoonlijke ervaringen en acceptatie
Tijdens een warme zomer kreeg ze commentaar van juffrouw Vogel, de secretaris van de kerkenraad in Schoonhoven, omdat ze besloot geen kousen te dragen, wat als "niet netjes" werd beschouwd. Ze werd echter niet anders behandeld als vrouw; ze kreeg soms complimenten over haar kleding. Een begrafenisondernemer merkte eens op hoe knap ze was. Ze trok zich hier weinig van aan en kleedde zich bij begrafenissen altijd klassiek zwart, in het begin zelfs met een hoedje. Later wees ze een jongere collega erop dat iets formelere kleding bij de rol zou passen.
Als vrouw had ze het voordeel dat vrouwen gemakkelijker met haar over moeilijke onderwerpen zoals incest spraken. Ze was ook vrijwilliger gezinsvoogdes bij Pro Juventute. Ze vergaderde echter liever met mannen, omdat dit kort en zakelijk tot besluiten leidde. Met vrouwen was er na afloop vaak nog veel overleg en gedoe.
Kerkelijke geschiedenis van Gouda
De tekst bevat ook uitgebreide historische informatie over religieuze gemeenschappen in Gouda, met name de Vrije Evangelische Gemeente (VEG) en de Joodse gemeenschap.
De Vrije Evangelische Gemeente (VEG) Gouda
De VEG in Gouda is ontstaan tussen 1890 en 1900 uit de Evangelisatiekring of stadsevangelisatie Jeruël. Deze werd gesticht door vijf jonge mannen die zich richtten op het bestrijden van de drankverslaving vanuit het evangelie. Ze organiseerden bidstonden, evangelisatie in armenwijken en startten een zondagsschool. Door groeiende activiteiten en de behoefte aan een bredere basis, ontstond contact met de stadsevangelisatie Jeruël uit Rotterdam. Op 18 december 1897 werd de Evangelisatie Jeruël officieel gesticht. Het werk richtte zich vooral op de achterbuurten van Gouda onder het motto "JEZUS ALLEEN".
In de jaren '20 werd een kerkzaal aan de Zeugstraat betrokken. Vanaf 1927 waren er contacten met andere VEG's, wat leidde tot de stichting van een VEG in Gouda in 1932. Kandidaat H.C. Leep werd de eerste predikant. Onder zijn leiding groeide de gemeente, ondanks de moeilijke oorlogsjaren. Na zijn vertrek in 1946 kwamen er diverse predikanten, en bloeide het verenigingsleven. Van 1948-1950 kerkte de gemeente op verschillende locaties in de stad.

De Joodse synagoge en de VEG
Het gebouw waarin de VEG nu gevestigd is, was oorspronkelijk een Joodse synagoge, gebouwd in 1827. De Joodse gemeenschap in Gouda kende een lange geschiedenis, met een schuilkerk in de 17e eeuw. Na de Bataafse Republiek in 1795 konden Joden vrij samenkomen en vestigden zich in de omgeving. De nieuwe synagoge werd ingewijd in 1827. In de jaren '30 en '40 werden veel Joden weggevoerd. In 1942 en 1943 werden bijna alle Joden weggevoerd, met weinig overlevenden. In 1950 waren er nog maar ongeveer 20 Joden in Gouda.
Het synagogegebouw werd op 21 juni 1950 verkocht aan de VEG. Het gebouw was zwaar beschadigd. Na veel inspanningen van gemeenteleden werd het in 1950 opgeknapt. In 1960 werd een orgel geplaatst en de achtergevel gewijzigd. In 2004 zijn de houten beschottingen en de gaskachel verwijderd.
Latere ontwikkelingen en predikanten
Na ds. Van Wijck (1950-1960), die veel mensen trok, volgden ds. M. Nijkamp (1960-1963) en ds. H.E. van de Bij (1963-1968). Daarna diende ds. Praas de gemeente van 1968-1973. Na diens vertrek werd ds. Leep, de eerste predikant, consulent en vervolgens bijna fulltime actief, waardoor het ledental weer toenam. Tot 1986 was ds. Leep actief. In 1990 overleed hij op 84-jarige leeftijd. In dat jaar kwam br. H.J. Varkevisser als pastoraal werker, die veel jongeren aantrok. Na zijn vertrek in 1998 en een jaar vacant te zijn geweest, nam ds. K. Kruithof in 1999 het beroep aan.
In 2004 werd het kerkgebouw gerenoveerd. Vanaf september 2008 is Paul van der Loo gemeentelijk werker. Sinds juli 2008 is ds. C. Boele verbonden als predikant aan de hervormde gemeente (wijk Oost) te Oud-Beijerland, na eerder de hervormde gemeente te Moerkapelle te hebben gediend.