De landgoederen waarop Elden in de negende eeuw werd gesticht, behoorden toe aan het klooster Werden bij Essen. Rond het begin van de veertiende eeuw werd er een kapel gebouwd. De streek werd echter regelmatig geteisterd door overstromingen, wat verklaart waarom de Bonifatiuskerk zich bevindt op een woerd (een verhoogd stuk land) ten westen van de Huissensedijk.
Na de Reformatie werd de kerk van Elden in gebruik genomen door de protestanten. De huidige kerk dateert grotendeels uit de negentiende eeuw en werd in 1866 aangepast naar een ontwerp van architect P.J.H. Hayward. Deze ingenieur, die jarenlang voor Rijkswaterstaat werkte, werd in maart 1865 gekozen tot gemeenteraadslid in Arnhem, maar bedankte een week later voor deze functie. Het rijk droeg 1.700 gulden bij aan de herbouw van de kerk. Hayward integreerde verschillende muurdelen van de oude kerk in het nieuwe ontwerp. Op 26 augustus 1866 kon de hervormde gemeente de nieuw gebouwde Bonifatiuskerk betrekken.

Architectuur en Interieur
De gotische kerktoren van de Bonifatiuskerk dateert deels uit de dertiende eeuw, met de derde geleding die in de vijftiende eeuw werd toegevoegd. De onderste geledingen van de huidige toren zijn 13e-eeuws, de derde geleding is 15e-eeuws. De buitenkant van de toren is wit gepleisterd en heeft een spits met een achtzijdige opbouw, bekroond met een smeedijzeren kruis en torenhaan. De wanden zijn wit gepleisterd en de toren heeft een spits die van een rechthoekige onderbouw na insnoering overgaat in een achtzijdige spits, bekroond door een smeedijzeren kruis met torenhaan. De spits is gedekt met leien (Maasdekking). De toren heeft in de tweede geleding aan de westzijde twee spitsboognissen met daarin rondboogopeningen. De derde geleding heeft aan de zuid-, noord- en westzijde twee spitsboognissen met daarin galmgaten afgesloten door segmentbogen. De derde geleding sluit onder de spits af met twee uitkragende rechthoekige lijsten.
Het zaalschip, dat breder is dan de toren, heeft een rechthoekige plattegrond en een zadeldak achter een topgevel aan de oostzijde. De nok van het zadeldak sluit aan op de lijsten van de toren bij de aanvang van de spits. Het muurwerk van dit schip is eveneens wit gepleisterd. De kerk heeft een gepleisterde plint, waarin op de plaatsen die beschadigd zijn oud muurwerk zichtbaar is met een groot formaat baksteen (maten 28-29 x 6,5-7 cm, 10 lagen 80 cm). Boven de plint bevindt zich een strook muurwerk van ca. 1 meter hoogte die naar voren springt. Deze strook is ter plekke van de vensters van de zijgevels opgetrokken tot de dorpels van deze vensters en afgedekt met een ijzeren plaat. In de lange zijgevels bevinden zich per gevel drie hoge spitsboogvensters met lekdorpels en ramen met ijzeren traceringen. Deze traceringen bestaan uit twee lancetten, elk weer door een vorktracering in tweeen gedeeld. Vijf horizontale roeden verdelen deze lancetten weer in 20-ruits ramen. In de top boven de lancetten bevindt zich een cirkel met daarin een vierpas. De zijgevels sluiten af met een gepleisterd schijnboogfries en een houten geprofileerde bakgoot. In de oostgevel is een deur geplaatst in een segmentboogopening, met een gepleisterde geprofileerde omlijsting. De dubbele opgeklampte deur heeft een getoogd 2-ruits bovenlicht. Boven de deur bevindt zich een spitsboogvenster van hetzelfde type als in de zijgevels met dezelfde tracering. Het venster is echter iets korter, waardoor er slechts plaats is voor een 16-ruits indeling. De tuitvormige topgevel heeft schouderstukken op een gepleisterde kraagsteen met kwartholle profilering. Vanuit de schouderstukken loopt een platte, naar voren springende, gepleisterde frieslijst langs de schuine gevelbeeindigingen door tot de hals van de gevel in de top. De topgevel heeft verder een grijze gepleisterde rechthoekige deklijst. Het dak van de kerk is gedekt met gesmoorde oud Hollandse pannen.

In het interieur van de kerk bevinden zich drie monumentale grafzerken uit 1643, 1623 en 1657. De eenvoudige eikenhouten preekstoel aan de westmuur van het schip, met houtsnijwerk en een lezenaar in dezelfde stijl als de kansel, evenals houtsnijwerk voorstellende een Geestesduif aan de onderzijde, is vermoedelijk ouder dan de huidige kerk uit 1866. Dit geldt waarschijnlijk ook voor de koperen doopbekken met deksel. Het eenklaviers pneumatische orgel werd op 10 december 1916 in gebruik genomen en is vervaardigd door de firma M. Maarschalkerweerd & Zn. te Utrecht. Op het orgelbalcon zijn nog de resten van de 19e-eeuwse banken aanwezig.
Historische Context en Ligging
De Bonifatiuskerk, gebouwd in 1866 naar een ontwerp van ir. Hayward, staat op de plaats van een oudere kruiskerk, gewijd aan de heilige Bonifatius. De kerk is georiënteerd en bevindt zich op een woerd, een verhoogd stuk land tegen de Huissensedijk, ten noorden van de kern van Elden en op korte afstand van het Gelredome. Deze strategische plaatsing op een woerd zorgde ervoor dat het gebouw ook tijdens natte periodes droog bleef staan. De Nederlands Hervormde kerk en toren worden beschouwd van architectuurhistorisch belang vanwege hun geschiedenis, de toegepaste architectuurstijlen met hun detaillering en materiaalgebruik, evenals enkele interieuronderdelen. De gebouwen vormen samen met de Huissensedijk en de beplanting een sterk ensemble, waarin de gotische toren een hoofdelement is. De zaalkerk markeert de overgang van neoclassicisme naar neogotiek; de vensters zijn reeds neogotisch, terwijl de rest van de kerk neoclassicitisch van opzet en detaillering is.
Voor de kerktoren ligt de grafkelder van de familie Van Voorst tot Voorst, die destijds eigenaar was van Westerveld en Oosterveld in Elden. Deze grafkelder is aangemerkt als een gemeentelijk monument. Rondom de kerk bevindt zich een kerkhof met oude grafzerken en de eerder genoemde grafkelder, omheind door een haagbeuk.

Eldense Geschiedenis in Bredere Context
De geschiedenis van Elden is nauw verweven met de bredere geschiedenis van de regio. De landgoederen waar Elden werd gesticht, waren in de negende eeuw in het bezit van het klooster Werden bij Essen. De streek werd regelmatig door overstromingen getroffen, wat de bouw van de kerk op een woerd verklaart. De huidige kerk, met zijn neoclassicitische en neogotische elementen, is een product van de negentiende-eeuwse architectuur, ontworpen door P.J.H. Hayward.
In bredere zin werd het gebied, zoals beschreven in historische contexten, gekenmerkt door de aanwezigheid van kloosters en de uitdagingen van waterbeheer. De ontwikkeling van Gelre tot een machtig graafschap was het resultaat van strategische huwelijken, vererving, landaankopen, oorlogen en het uitoefenen van koningsrechten, waaronder het innen van tol bij Lobith aan de Rijn. Het agrarische karakter van de Overbetuwe, met de nadruk op zelfvoorziening en de handel in landbouwproducten zoals tarwe en haver, vormde de economische basis. Het bestuur was in de vroege perioden sterk gericht op lokale orde, veiligheid en dijkbewaking, waarbij de ambtman en later de schout een centrale rol speelden.
Tijdens de achttiende eeuw was Arnhem een belangrijk centrum voor de provinciale adel, de 'jonkers', met instellingen als het Hof van Gelre. Reizigers beschreven hun ervaringen in de stad, waarbij ze bezienswaardigheden passeerden zoals het Hof van Gelre, herbergen zoals De Pauw, en gebieden waar tabak werd geteeld. De tabaksteelt kende rond 1740 een bloeiperiode in de omgeving van Arnhem, met karakteristieke tabaksschuren verspreid over de heuvels en in de dalen rondom de stad.

De geschiedenis van de regio is ook beïnvloed door grote gebeurtenissen zoals de Tweede Wereldoorlog, waarbij Arnhem een cruciale rol speelde tijdens Operatie Market Garden. De Slag om Arnhem en de gevolgen daarvan hebben een blijvende impact gehad op de stad en de omliggende gebieden.
Bronnen en Literatuur
- A. Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw. Met geschiedkundige aantekeningen, Arnhem 1907.
- M. Potjer, De Velperweg in kaart gebracht, 1600-1795. Eigenaren en eigenaardigheden, Utrecht/Westervoort 2008.
- Werkgroep Historie Angerenstein, Angerenstein. Tabaksteelt in Arnhem.
- F. Klep, âDe economische en sociale ontwikkeling 1550-1700â, in: F. Klep, âEconomische en sociale ontwikkelingâ, in: F. Keverling Buisman (red.), Arnhem van 1700 tot 1900, Utrecht 2009.
- H.K. Roessingh, Inlandse tabak. Expansie en contractie van een handelsgewas in de 17e en 18e eeuw in Nederland, Wageningen 1976.
- V. Frequin, Petersberg. Het ontstaan van de Arnhemse buurt âOnder de Lindenâ.
- Chr. van Bemmel, âLogementen op en rond de Korenmarkt in Arnhemâ in: Arnhems Historisch Tijdschrift 34 (2014-4).
- J.G.A. van Hogerlinden, âArnhem in 1856 (slot)â, in: Arnhemsche Courant, 3-12-1921.
- J.A.E. Kuys, âDe financiële instellingen van het hertogdom Gelre. Een inventariserend overzichtâ, in: F. Keverling Buisman, O. Moorman van Kappen en F.W.J. Scholten (red.), Van hertogdom Gelre tot provincie Gelderland. Hoofdstukken uit de geschiedenis van Bestuur en Bestuursinrichting van Gelderland 1339-1989, Nijmegen 1990.
- F. Keverling Buisman, âDe bestuurlijke organisatie van het gewest Gelre (1543-1795/1798)â, in: F. Keverling Buisman, O. Moorman van Kappen en F.W.J. Scholten (red.), Van hertogdom Gelre tot provincie Gelderland. Hoofdstukken uit de geschiedenis van Bestuur en Bestuursinrichting van Gelderland 1339-1989, Nijmegen 1990.
- C. Hilberdink, Gelreâs hof. Van paardestal tot Huis der Provincie, Zutphen 1983.
- T. Burgers, Watermonumenten. Beken, bruggen, dijken en gemalen in Arnhem, Utrecht 2010.
- Th.H. von der Dunk, âViervant in Gelderland: de opkomst van een Arnhems geslacht van bouwmeesters in de achttiende eeuwâ, in: BMGelre 88 (1997).
- J.W. Gensel, âBeschrijving der Stadt Arnhem, behelzende haar begin, opkomst en lotgevallen, alsmede de voornaamste gebouwen van kerken, cloosters, poorten en andere gestichten; mit egte bijlaage. Meegedeeld en becommentarieerd door J.J.S. Baron Sloetâ, in: BMGelre 14 (1911).
- J.G.A. van Hogerlinden, âDe Rijnkadeâ, in: Arnhemsche Courant, 24 december 1925.
- C.J.M. Schulte-van Wersch, âViervantâ, in: J. Vredenberg (red.), Architecten in Arnhem, Oosterbeek en Velp. Ontwerpers van gebouwen, stedelijke ruimte en landschap tot 1965, Utrecht 2019.
- T. Seebach, De Arnhemse Rijnoevers. Wonen, werken en recreatie aan de rivier, Utrecht 2014.
- J.W. Staats Evers, Kroniek van Arnhem 1233-1789. Meerendeels uit officeele bescheiden bijeenverzameld, Arnhem 1876.
- Busch. Een geschiedenis van het Drielse veer en die van de pachters Busch, Den Burg 2022.
- R.C.M. Wientjes, Een heerlijkheid in de bocht. Elden met Rijn- en Griftdijk, 1748.
tags: #protestantse #kerk #elden