De Franse Psalmberijmingen van Marot en Calvijn

De impact van de Psalmen van Marot op de gehele protestantse wereld van calvinistische signatuur is zo aanzienlijk dat deze op zichzelf reeds een uitvoerige behandeling verdient. Door het raadplegen van Parijse en Weense handschriften, hun vergelijking met de oudste drukken, en een voortdurend onderzoek van literaire en theologische bronnen, is het mogelijk enkele onjuistheden in de literatuur over Marot te rectificeren en het dichterbeeld aan te vullen. De psalmen nemen in het leven van Marot een grotere plaats in dan hun bescheiden plaats in zijn oeuvre zou doen vermoeden.

Clément Marot en zijn Psalmen

Reeds in 1533 bracht Marot een berijming van Psalm 6 uit, mogelijk tijdens een herstelperiode na een zware ziekte. Marot was destijds kamerdienaar van koning Frans I, maar behield een band met Margaretha van Navarra, die hij eerder had gediend. Het hofleven van de prinses, een toegewijd propagandiste van de Reformatie, had invloed op Marots religieuze opvattingen. Zijn gezindheid had hem al tweemaal in de gevangenis doen belanden (februari 1526 en oktober 1527). Toen in 1534 de spanningen tussen katholieken en hervormingsgezinden oplaaiden en anti-katholieke pamfletten in het paleis werden aangetroffen, werd Marot mede verdacht.

In het Parijse Manuscrit Gueffier (Ms. fr. 2336) bevinden zich, naast andere teksten, Marots psalm 3. Hoewel dit manuscript ook stukken uit 1542 bevat, kan deze psalm waarschijnlijk uit 1535 dateren. Toen hij zich ook hier niet veilig voelde, reisde hij via Venetië en Lyon - waar hij zijn "dwalingen" openlijk moest afzweren - terug naar Parijs. In de jaren daarna bleef Marot werken aan zijn Trente Psaulmes, waarbij hij voortdurend kleine veranderingen aanbracht, zoals blijkt uit de oudste druk (Parijs, Roffet, begin 1542 - het privilege dateert van 30 november 1541).

Niet alleen zijn psalmen bezorgden hem opnieuw de vijandschap van de Sorbonne, maar ook de publicatie van zijn Sermon du bon pasteur et du mauvais, een ondubbelzinnig reformatorisch geschrift, en zijn Enfer, een satire tegen zijn vroegere rechters. Toen in augustus 1542 strenge maatregelen tegen de 'lutheranen' werden afgekondigd, achtte Marot het raadzaam te vluchten. In november kwam hij aan in Genève, waar Calvijn hem met vreugde ontving en hem opdroeg het Psalter te voltooien. Omdat hij zich in het strenge klimaat dat de Raad had gecreëerd niet op zijn gemak voelde, of wellicht als persona non grata vanwege zijn 'moeurs trop peu chrétiennes' (volgens De Bèze) min of meer gedwongen werd, heeft hij slechts 19 nieuwe psalmen vervaardigd alvorens te gaan zwerven.

illustratie van Clément Marot, mogelijk een portret of een manuscriptpagina met zijn gedichten

Tekstoverlevering en redacties van Marots psalmen

Sinds de studie van Ph. Aug. Becker uit 1921 is het eigenlijk niet meer nodig te betogen dat Douen zich in één opzicht principieel heeft vergist, namelijk ten aanzien van de tekstoverlevering van de Aulcuns Pseaulmes van 1539, de Antwerpse druk van 1541, het Straatsburgse gezangboek (het zogenaamde pseudo-romeinse) La manyere de faire prieres, en de Geneefse Forme des prieres, beide uit 1542. Deze uitgaven van Marots psalmen kwamen tot stand buiten medeweten van de dichter zelf. Douen meende dat de tekst van deze edities corrupt was: "(Les Psaumes de Marot) n'allèrent point directement de Paris à Strasbourg, mais en passant par Anvers, où ils subirent des retouches."

Becker rekende grondig met deze voorstelling af door ook de beide Weense handschriften (Cod. Vind. 3525 en 2644) in zijn onderzoek te betrekken. Tot op de dag van vandaag blijft Douen voor sommigen echter de enige autoriteit. Had Becker ook de Parijse manuscripten gekend, die in 1924 door Gastoué werden aangewezen (Parijs, Bibl. Nat. ms fr. 2337 en 2336, Bibl. de l'Arsenal, ms. 3632), dan zou wellicht een meer genuanceerd beeld zijn ontstaan. De auteur heeft alle manuscripten en de oudste drukken met elkaar kunnen vergelijken.

De belangrijkste manuscripten en vroege drukken:

  • Parijs, Bibl. Nat. Ms. Fonds Rothschild 2946 (Ms. Gueffier)
  • Parijs, Bibl. Nat. Ms. fr. 2337
  • Parijs, Bibl. Nat. Ms. fr. 2336
  • Parijs, Bibl. de l'Arsenal. Ms. 3632
  • Wenen, Österr. Nationalbibl., Cod. Vindob. 3525
  • Wenen, Österr. Nationalbibl., Cod. Vindob. 2644
  • Aulcuns Pseaulmes et cantiques mys en chant, Straatsburg 1539 (Aulc.)
  • Antwerpse druk van 1541 (Anv.)
  • Editie-Roffet van 1541/2 (G)

Met recht mag worden aangenomen dat Ms. fr. 2337 onder de doorhalingen in een aantal psalmen de oudst bekende tekst bevat. De gecorrigeerde tekst van Ms. fr. 2336 vertegenwoordigt een tweede revisie. Of de talrijke veranderingen in de psalmen alle van Marot zelf zijn, valt niet met zekerheid te zeggen. De cursieve tekst heeft Ms. fr. 2336 gemeen met de editie-Roffet (G), de gespatieerde regel is een specifieke lezing van Ms. fr. 2337. Ter vergelijking is ook de tekst van de Antwerpse druk (Anv.) opgenomen.

Codex Vindobonensis 2644, Ms. Arsenal 3632 en de editie-Roffet 1541/2 vormen één tekstgroep, met geringe onderlinge verschillen. Deze verschillen zijn echter voldoende om te veronderstellen dat de volgorde waarin de manuscripten zijn ontstaan, aanleiding geeft tot deze groepering.

In 1543 verschijnt de definitieve uitgave. Er bestaat een getuigenis dat Marot zelf heeft meegewerkt aan de verspreiding van zijn eerste dertigtal psalmen via handschriftelijke kopieën: "et pour ce que d'iceulx il a baillé quelques doubles à ses amys". Mocht men desondanks aan de authenticiteit van de onder 1. en 2. genoemde teksten twijfelen, dan is er het onomstotelijke bewijs dat Marot zelf aanreikt in zijn Epistre de Frippelippes (ca. 1537), waarin de dichter zichzelf citeert met woorden uit psalm 9. Natuurlijk citeerde Marot naar de psalmversie die op dat moment beschikbaar was: die van Ms. fr. 2337.

Pas nu, door de tekstvergelijking, is het mogelijk de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van de psalmen aan de hand van de varianten te bestuderen. Een aantal wijzigingen liggen op esthetisch vlak (stilistisch-grammaticaal en verstechnisch) en kunnen een indruk geven van Marots ontwikkeling als taalkunstenaar. Andere wijzigingen zijn mogelijk toe te schrijven aan een gewijzigd inzicht in de exegese van de betreffende tekst.

Invloeden op Marots Psalmberijming

Er bestaan twee tegengestelde meningen over de oorsprong van Marots werk. Becker beschouwt Marots werk als de vrucht van de samenwerking tussen Renaissance (Humanisme) en Reformatie. Gastoué ziet Marot daarentegen als het eindpunt van een lange keten van psalmberijmingen in de volkstaal, die teruggaat tot de 12e/13e eeuw.

Zelfs als Gastoué gelijk heeft, blijft de vraag naar de oorsprong van de vorm, het chanson, open. In de middeleeuwen (van de 12e tot het eerste kwart van de 16e eeuw) is er in Frankrijk tevergeefs gezocht naar een psalm in chansonvorm. Het antwoord lijkt te liggen in Straatsburg. De hervormingsgezinden in Parijs waren goed op de hoogte van wat er in de Elzas gebeurde. Tijdens de vervolgingen tussen 1520 en 1530 zochten velen daar hun toevlucht. Jacques Lefèvre d'Étaples, Gérard Roussel en anderen waren gasten van de Straatsburgse reformatoren. Zij ervoeren daar de kracht van het psalmgezang van de gemeente en zagen hoe de Straatsburgse psalmberijmers met eenvoudige middelen de proza-psalmtekst voor het volk zingbaar maakten.

Men prees hun trouw aan de bijbeltekst. Deze nauwe aansluiting bij de bijbel kan als Straatsburgse invloed worden gezien. Maar Straatsburg leerde Marot ook de vorm. De overeenkomst tussen de 114e en 115e psalm van Matthias Greiter en die van Marot is te treffend om toeval te zijn. Greiter, Strassburg 1541:

Str. 114:
Es sind doch selig alle die
An dem versäumen nicht das Wort
Und bleiben fest bei Gott allein
Und halten treulich seinen Hort.

Marot, Ms. fr. 2337:

Ps. 114, Str. 1:
Heureux qui garde en toute foi
La loy de Dieu et son commandement
Et suit les traces de son prophète
En son vivant et après mort.

De gelijkenis in de bouw van de strofe, tot in het metrum van de beide korte versregels (3 en 6), is opvallend. Niet alleen de uiterlijke structuur, maar ook de inwendige sluit zich aan bij de strofe van Greiter. Voor psalm 115 gebruikt Marot, wat overigens zeldzaam is bij hem, dezelfde strofevorm als voor psalm 114, waarbij hij in het voetspoor van Greiter treedt.

Marot werd echter geen slaafs navolger van de Duitse psalmen. Zodra hij de verwantschap met het volkslied, of het chanson, had opgemerkt, werd dit overbodig.

De Bijbeltekst als Bron

Een berijmer van psalmen gaat uit van de bijbeltekst. Plattard meende in 1912 dat Marot vertaalde uit een Latijnse tekst. Later verwees Margarethe Förster naar Vatable, maar gebruikte Calvijns Latijnse en Franse prozavertalingen van de Psalmen als vergelijkingsmateriaal. Het ligt echter meer voor de hand aan te nemen dat Marot is uitgegaan van een psaltertekst in de volkstaal. De meest voor de hand liggende was Olivetans bijbelvertaling uit 1535 en latere jaren.

Becker bagatelliseerde in 1921 en 1926 Olivetans aandeel in Marots psalmen. Mlle. Leblanc betrok deze bijbel weliswaar opnieuw in haar onderzoek, maar refereerde zich uitsluitend aan de definitieve Marot-tekst van 1543. Een onderzoek heeft uitgewezen dat de wijzigingen die Marot in de loop der jaren aanbracht, mogelijk verband houden met de revisie van Olivetans bijbel in 1540. In 1541 heeft Marot psalm 1 zo grondig omgewerkt dat van de 40 versregels slechts 5 ongewijzigd bleven. In 1543 verwierp Marot het 'Craignez' in IV, 1 van Roffet om terug te keren naar het 'Tremblez' van Ms. fr. 2337.

Hoewel het aantal ontleningen aan Olivetan per psalm verschilt, mag worden aangenomen dat de dichter deze bijbeltekst als basis voor zijn lied heeft gebruikt. De formulering "au plus près de la vérité Ebraicque" (zo dicht mogelijk bij de Hebreeuwse waarheid) vinden we opnieuw in Ms. fr. 2337. Dit suggereert dat Marot tussen 1533 en 1535 ontdekte dat deze formule de meest 'wetenschappelijke' was. Dit betekent niet dat Marot Hebreeuws kende, maar wel dat die aanduiding populair was onder bijbelfilologen.

Verrassend was de ontdekking van Ph. Aug. Becker in 1921: Martin Bucers commentaar op de psalmen, verschenen in 1529. Becker stelt dat Bucers streven was de psalm te vatten naar zijn eigen zin en met zijn bijzondere gevoelswaarde, waarbij hij de allegorische en mystieke uitleg vermeed. De psalmen werden zo begrepen zoals de zanger ze op het moment van neerschrijven ervoer, met aandacht voor de historische context en de eigenheid van de affecten.

Deze kenmerken zijn ook van toepassing op Marots berijming. De gehele opzet en uitwerking is Buceriaans. De dichter streeft ernaar een samenhangend lied te vervaardigen, waarbij de psalm zijn springende, analytische karakter verliest. Marot brengt verbindingen tussen de gedachten tot stand, wat de algemene verstaanbaarheid ten goede komt. Ook Marots keuze van de strofe kan samenhangen met zijn opvatting omtrent het 'Stimmungsgehalt' (gevoelswaarde) van de psalm. Van Bucer leerde hij ook de gevoelstoon van bepaalde wendingen, zoals de ironische vraag in psalm 9, strofe VI en het antwoord daarop.

François Vatable, de beroemde hebraïst, die Frans I aan zijn Collegium Trilingue had weten te verbinden, wordt vaak genoemd als bron van Marots werk. Op gezag van Étienne Pasquier meende men dat Marot veel, zo niet alles, aan Vatable te danken had. Het is echter onwaarschijnlijk dat de dichter zo'n innig persoonlijk contact had met de geleerde gedurende de jaren dat hij aan zijn psalmberijming werkte. Wel mag men concluderen dat Marot de beschikking heeft gehad over Vatable's aantekeningen bij de psalmtekst, die echter, zoals Becker constateerde, voor een goed deel teruggaan op andere bronnen.

Anders staat het met de Paraphrases in Franse vertaling van de Leuvense hebraïst Johannes Campensis. Uit een onderzoek van 15 psalmen is gebleken dat Marot voor zijn oudste psalmen dit werk heeft geraadpleegd, hetzij voor een betere, hetzij voor een zinverwante vertaling.

Deze voorbeelden tonen aan hoe Marot bij het berijmen van de oudtestamentische psalmen te werk ging: uitgaande van de bijbeltekst van Olivetan, die hij nauwkeurig volgde en waaruit hij elementen ongewijzigd of variërend overnam, integreerde hij in zijn psalm de totaalopvatting van Bucer, tekstvarianten van Vatable en vertalingen van Campensis. De drang naar verstaanbaarheid, die zich onder andere uit in de overvloed van gepaarde synoniemen, is kenmerkend.

Calvijn en het Geneefse Psalter

Johannes Calvijn (1509-1564) was de initiator van de psalmberijming die bekend zou worden als het Geneefse Psalter. Van 1539, het jaar waarin de eerste uitgave met psalmberijmingen verscheen, tot de voltooiing van het Geneefse Psalter in 1562, was Calvijn betrokken bij de voortgang van dit werk.

Calvijns opvattingen over kerkmuziek

Calvijns opvattingen over kerkelijke muziek zijn terug te vinden in zijn oeuvre, met name in de voorrede die hij schreef voor La forme des prieres et chantz ecclesiastiques (1542). Calvijns uitgangspunt was dat in de gemeente geen beter repertoire gezongen kon worden dan de psalmen, omdat deze door de Heilige Geest zijn geïnspireerd. Hoewel er ook gezangen aan het Geneefse Psalter werden toegevoegd, was Calvijns voorkeur voor de psalmen spreekwoordelijk.

Calvijn was ervan overtuigd dat muziek een grote invloed heeft op de mens. Hij vergeleek de werking van een gezongen tekst met die van een trechter: de melodie intensiveert de werking van de tekst. Deze grote werking wilde hij inzetten voor goede teksten, de psalmen. Daarnaast geloofde hij dat muziek in het algemeen een mens kan inspireren tot het aanroepen en prijzen van God. Als enige van de reformatoren maakte hij onderscheid tussen wereldlijke en kerkelijke muziek.

De totstandkoming van het Geneefse Psalter

De eerste editie van wat later het Geneefse Psalter zou worden, verscheen in 1539 in Straatsburg: Aulcuns Pseaulmes et cantiques mys en chant. Deze eerste psalmen waren deels door Calvijn zelf, deels door Clément Marot berijmd. In 1541 keerde Calvijn terug naar Genève, waar hij een kerkorde ontwierp die de invoering van gemeentezang voorzag. Om dit te bereiken, werden eerst kinderen in het zingen onderwezen.

Een jaar later, in 1542, verscheen de eerste Geneefse editie met psalmen en gezangen van Marot en Calvijn: La Forme des Prieres et chantz ecclesiastiques. Dit psalmboek begon met een uitvoerige voorrede, die in 1543 werd uitgebreid en voltooid. Het duurde twintig jaar om de psalmberijming te voltooien. Van de edities na 1542 is die van 1551 de bekendste.

Marot verliet Genève eind 1543 om onbekende redenen. Théodore de Bèze (1519-1605) nam zijn plaats in als dichter. Hij was humanist en dichter, en sinds 1558 leider van de door hem opgerichte Academie te Genève.

afbeelding van het Geneefse Psalter of een pagina met muzieknotatie

Melodieën en Componisten

De melodieën bij de berijmingen in Genève werden gecomponeerd door Loys Bourgeois (ca. 1510-ca. 1560), Guillaume Franc (ca. 1505-1570) en 'Maitre Pierre' (vermoedelijk Pierre Davantès, ca. 1525-1561). Een bijzonder kenmerk van het Geneefse Psalter is het grote aantal verschillende melodieën (125 op het totaal van 150 psalmen en de Lofzang van Simeon), wat te wijten is aan de veelheid aan strofevormen en versstructuren.

De meest bekende melodie is van Straatsburgse herkomst, gecomponeerd door Matthias Greiter (ca. 1495-1550) voor de Duitse berijming van Psalm 119. Calvijn koos deze melodie voor psalm 36. Guillaume Franc componeerde waarschijnlijk de nieuwe melodieën in de editie van 1542. Na zijn vertrek werd hij opgevolgd door Bourgeois, die vierstemmige zettingen bij de psalmen componeerde voor huiselijk gebruik.

Bourgeois is ook de componist van de melodieën bij de berijmingen van Théodore de Bèze. De eerste neerslag van het werk van Bourgeois en De Bèze is de uitgave van 1551 met 83 psalmen, waaronder 34 nieuwe psalmen. Bourgeois verbeterde fouten in de notatie en reduceerde het aantal notenwaarden tot twee, maar bracht ook wijzigingen aan in enkele melodieën. Omdat hij de lokale overheid hierin niet had geraadpleegd, werd hij gevangen gezet en op voorspraak van Calvijn weer vrijgelaten.

In 1562 verscheen de editie met de resterende psalmen, waardoor alle 150 psalmen in berijmde vorm beschikbaar waren.

Herkomst van de Melodieën

Over de herkomst van de Geneefse melodieën is veel gepubliceerd. Velen meenden dat ze teruggaan op wereldlijke voorbeelden, met name chansons. Emmanuel Haein en Pierre Pidoux hebben echter aangetoond dat een aantal melodieën een hymne- of sequensmelodie als voorbeeld heeft gehad. Dit blijkt uit vergelijkend onderzoek en werd ook door Bourgeois meegedeeld in zijn Avertissement uit 1551.

Naast melodieën die op een voorbeeld teruggaan, zijn er ook originele scheppingen. Ontlening aan het Gregoriaans is niet uitgesloten; de overeenkomsten berusten waarschijnlijk op het feit dat het gehoor van de componisten mede door het Gregoriaans was gevormd.

De keuze van een modus (kerktoonsoort) was bij een aantal melodieën ingegeven door de tekst. In de eerste editie van 1539 zijn de melodieën genoteerd in brevis, semibrevis en slotlonga, met slechts drie melodieën met gepuncteerde ritmen. De notatie wordt gekenmerkt door een c-sleutel op de derde of vierde lijn, gescheiden regels en soms een extra streep na de vierde noot in langere regels.

In de Geneefse editie van 1542 treffen we een andere notatie aan, beheerst door semibrevis en minima, met rusten aan het einde van de regels. Het mensuurteken voor het tempus imperfectum diminutum geeft aan dat de melodieën gedacht zijn in de tactus minor, met een tempo van ca. 72 BPM. Dit beeld bleef behouden in latere edities tot 1562.

Men hechtte aan een nauwkeurige uitvoering van tactus en rusten, wat blijkt uit de notatie in meerstemmige zettingen en uit het feit dat soms bewust werd afgeweken van de semibrevis-rust wanneer de tekst daarom vroeg.

Gebruik in de Kerkdienst

In de kerkdiensten te Genève klonk eenstemmige gemeentezang. Meerstemmige muziek belemmert volgens Calvijn de verstaanbaarheid van de tekst. De Geneefse melodieën hebben echter veel componisten geïnspireerd tot het schrijven van meerstemmige composities, die echter niet tot de kerkmuziek in de strikte zin behoren.

Aanvankelijk werd het gebruik van de psalmen volgens een rooster bekendgemaakt. Uit het overzicht in de eerste complete editie van 1562 blijkt dat alle 150 psalmen in een half jaar werden gezongen, verdeeld over drie kerkdiensten per week. Er is een voorkeur te zien voor boetepsalmen op woensdag en lofpsalmen op zondag.

Nederlandstalige Psalmberijmingen

De eerste Nederlandstalige psalmberijming waarvan het liturgisch gebruik vaststaat, is die van Jan Utenhove (1516-1566). Op zijn vlucht voor de Inquisitie kwam hij in aanraking met de psalmen, gemeentezang en het kerklied in Straatsburg, Zürich en Genève. In 1549 vestigde Utenhove zich in Londen, waar hij zich inzette voor het vormen van een Nederlandse gemeente. In 1551 verschenen de eerste tien berijmde psalmen van zijn hand, bestemd voor gebruik in de kerkdiensten van deze gemeente.

Begin 1558 werd dit boekje herdrukt en werd psalm 119 toegevoegd. De editie van 1557 bevatte ook de Bedezang voor de Predicatie, berijmd door Utenhove. Utenhove maakte echter voortdurend veranderingen in zijn berijmingen, wat de reden was dat zijn psalmen niet lang in gebruik bleven. Al op 8 februari 1571 nam de kerkenraad van Londen het besluit om deze berijming te vervangen door die van Petrus Datheen (1566).

Petrus Datheen

Petrus Datheen (1530/1532-1588) was eveneens lid van de Nederlandse gemeente te Londen. In 1562 werd hij predikant te Frankenthal, waar hij werkte aan een psalmberijming waarvan de eerste druk in 1566 verscheen. Zijn berijming was populair, getuige de vijf drukken uit 1566.

De voorrede van Datheens bundel is deels door hemzelf geschreven, deels een vertaling van Calvijns voorrede op de Geneefse edities van 1542 en 1543. Datheens berijming volgt grotendeels die van Marot en Beza op de melodieën van het Geneefse Psalter.

De psalmberijming van Petrus Datheen is een vertaling van de oude Franse psalmberijming uit de 16e eeuw. Het Franse origineel, dat werd gebruikt voor de berijmingen van Marot en Beza, vormde de basis voor Datheens werk. De melodieën van het Geneefse Psalter werden behouden. Het verschil tussen de Franse en Nederlandse berijmingen is vaak minimaal, waardoor de psalmen parallel gezongen kunnen worden.

Hoewel het in Nederland gebruikelijk is om de psalmen te zien als rechtstreeks door de Heilige Geest geïnspireerde bijbeltaal in zangvorm, is de situatie in Frankrijk anders. Daar zingen meer vrijzinnigen de psalmen, omdat deze volgens hen meer spreken over God als Schepper en minder direct Christus en Zijn Heilswerk bezingen. De rechtzinnigen in Frankrijk geven de voorkeur aan evangelische gezangen vanwege het directe christocentrische element.

Het calvinisme heeft zijn sporen in de muziekgeschiedenis nagelaten. De metrische psalmteksten boden de vertalers de mogelijkheid om een muzikale zetting toe te voegen, wat leidde tot een zoektocht naar geschikte melodieën. In de Nederlanden kende het protestantisme een grote weerklank, en al in 1540 verscheen in Antwerpen een volledige bundel van psalmen onder de titel Souterliedekens, uitgegeven door Symon Cock, die ook bekende wereldlijke melodieën gebruikte.

Jan Utenhove was de eerste die een Nederlandstalige vertaling bezorgde van het Calvijns psalter met behoud van de oorspronkelijke melodieën. Petrus Dathenus’ berijming, gebaseerd op dit psalter, werd vrijwel onmiddellijk ingevoerd in de gereformeerde kerken in de Nederlanden en daarbuiten. De eerste uitgave van zijn vertaling verscheen in 1566. De psalmen van Datheen bleven in gebruik tot 1773.

De universiteitsbibliotheek van Gent bezit bijzondere exemplaren van Datheens psalmuitgaven. De editie van 1574 is aangevuld met een catechismus en gebeden. De editie van 1579 is nog rijker en bevat ook een kalender. Deze uitgaven zijn gedrukt door Andries Verschout, een Nederlandse drukker die samenwerkte met Christoffel Plantijn.

een afbeelding van een oude psalmbundel, bijvoorbeeld het Geneefse Psalter of een Nederlandstalige berijming

tags: #psalmen #calvijn #frans