Het voorgaan in kerkdiensten, en met name het verzorgen van de preek, is een kerntaak binnen het ambt van predikant. Het is een wezenlijke concretisering van de roeping tot diener van het goddelijk Woord. De prediking, het gesproken woord (viva vox), vormt het hart van de godsdienstige samenkomst van de christelijke gemeente. De preek zelf is het product van deze dienstbaarheid: de preek die gehouden en gehoord wordt. In de liturgie en prediking komen voor predikanten alle aspecten van hun dienstwerk samen: Godswoord en mensenwoord, Bijbel en actualiteit, kerk en wereld, leer en leven, pastoraat en vieren.
De voorbereiding van een preek is een intensief creatief proces. Het begint vaak op maandag met het kiezen van de Schriftlezing, gevolgd door lezen, bidden en luisteren. Soms komen ideeën direct, soms later. De tweede helft van de week is gewijd aan verdieping, met aandacht voor exegese, grondtekst, commentaren en homiletisch materiaal. Het zien van een preekstructuur, zowel in gedachten als op papier, helpt bij het proces. Ondanks jarenlange ervaring blijft het schrijven van een preek spannend; na de aanhef moet de verkondiging van het Woord van God komen. Een ideaalbeeld van eerlijk luisteren naar de Bijbel, zonder stoffige preken maar met de Bijbelse boodschap in de taal van nu, vormt hierbij een inspiratiebron. Het schaven aan de preek gaat door tot zondagmorgen, met de vraag of de stem van de Here gehoord wordt, of Jezus Christus verkondigd wordt, of bij de tekst wordt gebleven en of het evangelie centraal staat.
De bodem van elke preek is continue aandacht voor het eigen geestelijk leven en de bronnen van inspiratie, zoals sporten en stille tijd. Dagelijks wordt er 1 tot 2 uur aan de preek gewerkt. Op donderdag mediteert men over de link van de tekst met het eigen verhaal, de verhalen uit het pastoraat en het narratief van de tijd. Daarna wordt een vorm gekozen: verhalend, beeldend of een betoog. Op zaterdag wordt de preek met een frisse blik bekeken op structuur en samenhang. Op zondag kan er nog een laatste inzicht komen. De preek is pas echt af als hij gehouden is, binnen de context van de liturgie, wanneer blijkt of de Geest erin komt en er iets gebeurt.
De preekvoorbereiding kan ook beginnen met het zorgvuldig lezen van de oerteksten van de Schrift in hun eigen taal, woordje voor woordje wegen en vertalen. Dit vereist het tussen haakjes zetten van eigen overtuigingen om verrast te worden door de tekst. Vervolgens wordt er omheen gelezen, met behulp van concordanties om verwijzingen en tussen de regels door te ontdekken. Een waardevol onderdeel is het gezamenlijk lezen met een groep uit de gemeente op woensdag, waarbij verse vertalingen worden gedeeld en vragen worden gesteld. Dit levert nieuwe perspectieven op en brengt worstelingen en weerstanden aan het licht. Na dit uur rijpt de preek toe naar zondag, waarbij de werelden van de Bijbeltekst en de context waarin wij leven samenkomen. Een korte aankondiging in een digitale nieuwsbrief geeft op vrijdag een voorproefje. De preek wordt vervolgens 'aus einem Guss' geschreven. Op zondagochtend wordt gebeden dat de prediker niet te veel de Stem voor de voeten zal lopen en dat de Geest zal waaien.

Predikanten investeren veel tijd en energie in de wekelijkse kerkdiensten. Het voorgaan wordt beschouwd als een kerntaak en een wezenlijke concretisering van hun roeping. De veranderende context van de kerk in onze cultuur en samenleving stelt hoge eisen aan de liturgische en homiletische competenties van predikanten. Dit gesprek is gevoelig en leidt tot onderzoek naar de prediking binnen de Protestantse Kerk (PKN).
De eerste fase van dit onderzoek richt zich op de prediking van beginnende predikanten (4 tot 7 jaar ervaring) in de PKN. Er is een 'quickscan' uitgevoerd waarbij 145 predikanten materiaal hebben geleverd van een 'good practice' kerkdienst, samen met een ingevulde vragenlijst over hun preekvoorbereiding en inschatting van de geloofsmatige context van hun gemeente. 60 predikanten participeerden aan dit onderzoek.
De uitkomsten van de eerste fase typeren de inzet van predikers bij de voorbereiding van kerkdiensten en preken. Er is een diversiteit aan gemeenschappen ontstaan met eigen dynamiek en voorgangers, waaronder kerkelijk werkers en pioniers, die theologisch en arbeidsrechtelijk een andere positie innemen dan predikanten. Dit vraagt om een verdere doordenking en bijstelling van de visie op het ambt.
Ambtsdiscussie en de Rol van Kerkelijk Werkers
De discussie rond het ambt van predikant en het beroep van kerkelijk werker heeft een lange voorgeschiedenis binnen de Protestantse Kerk. De directe aanleiding is tweeledig: de positie van pioniers in groeiende gemeenschappen en de situatie van kerkelijk werkers, vaak werkzaam in kleine gemeenten. Er is nagedacht over de mogelijkheid voor kerkelijk werkers om, onder voorwaarden, te preken en de sacramenten te bedienen.
Verschillende rapporten hebben de positie van kerkelijk werkers en het predikantschap belicht. In 2005 verscheen het rapport 'Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon', dat vooral focuste op de opleiding van predikanten. In 2006 volgde 'Pastor in beweging', dat de financiële situatie van kleine gemeenten en de positie van kerkelijk werkers (hbo-theologen) aankaartte. Het idee om het predikantschap open te stellen voor hbo-theologen stuitte op weerstand.
Als reactie hierop verscheen in 2007 het rapport 'Werken in de wijngaard', dat de positie van predikanten en de visie van de commissie hierop weergaf. Dit leidde tot de instelling van een stuurgroep ambtsvisie. In 2008 presenteerde deze stuurgroep het rapport 'De wissel voorbij, het spoor en de bielzen', met uitdagingen en kernbeslissingen over onder andere de positie van hbo-theologen. Kerkelijk werkers kregen een plek als adviseur, maar niet in het ambt van Woord en sacrament.
In 2009 werden de hoofdlijnen van beleid voorgelegd in het rapport 'De hand aan de ploeg'. Hierin werd gesteld dat kerkelijk werkers met een afgeronde hbo-opleiding theologie in de bediening gesteld konden worden, maar niet in het ambt en zonder preekconsent. Wel konden zij, na een traject van geschiktheidbeoordeling en bijscholing, toegelaten worden tot het ambt van predikant, onder supervisie van een mentor.
In 2010 werd de discussie opnieuw opgepakt met de 'Voortgangsrapportage inzake Plan van aanpak implementatie en uitvoering van synodale besluitvorming met betrekking tot het rapport ‘De hand aan de ploeg’'. In 2011 lagen er twee rapporten op tafel: een over de positie van de hbo-theoloog/kerkelijk werker en een over loopbaanontwikkeling en differentiatie van het predikantschap. Het rapport over de hbo-theoloog werd aanvaard, waardoor kerkelijk werkers die minimaal 12 uur per week in dienst waren, bevestigd konden worden in het ambt van ouderling of diaken met een specifieke taak. Gemeenten in 'bijzondere situaties' konden kerkelijk werkers met een preekconsent in het ambt van ouderling bevestigen. De nota over loopbaanontwikkeling haalde het niet, en er werd een motie ingediend om een duidelijke ambtstheologie te formuleren.
Vanaf 2012 volgde een periode van verdere bezinning op de ambtsvisie, met het schrijven van brieven en het voeren van discussies. In 2014 werd het beleidstraject 'Kerk2025: waar een Woord is, is een weg' gestart, waarin het gesprek over het ambt centraal stond. Dit leidde tot voorstellen zoals de mogelijkheid voor predikanten en gemeenten om na 12 jaar, met wederzijds goedvinden, afscheid van elkaar te nemen. In 2018 werd het rapport 'Tijdelijke aanstellingen voor predikantswerkzaamheden' aanvaard.
In 2019 spitste de discussie zich toe op het ambt en de opleiding van voorgangers in nieuwe vormen van kerk-zijn. Een werkgroep ging aan de slag met vragen rond opleiding, ambt, werkveld en bevoegdheden. In 2020 werd de visienota 'van U is de toekomst' aanvaard. In 2021 werd het rapport 'Geroepen en gezonden' besproken, dat een nieuwe visie op het ambt bood. Er werd gevraagd om verdere uitwerking en onderzoek naar de situatie van kerkelijk werkers.
In 2023 werd het rapport 'Werkers aan het mozaïek van kerkplekken' aangenomen, wat de weg opende voor kerkelijk werkers om onder voorwaarden bevestigd te worden als dienaar des Woords. Ook werd het profiel 'kerkelijk specialist' ontwikkeld. In 2023 werden de beroepsprofielen van predikant en 'pastor' verder uitgewerkt. In 2024 werd een definitief en integraal rapport, 'Ruimte voor Woord en Geest', gepresenteerd, waarin de profielen van predikant, pastor en kerkelijk werker worden beschreven en voorstellen worden gedaan voor samenwerking, beroepbaarheid en rechtspositie.
Hoe bestaat het: over schepping en evolutie (archiefbeeld 01-04-2009)
Het Lezen van Preken en de Dialoog met de Gemeente
Er is een discussie gaande over de manier waarop predikanten preken: lezen zij voor uitgeschreven preken, of spreken zij meer vrijuit? Prof. G. Wisse merkte ironisch op dat lezen geen preken is, omdat de directe aanspraak op de hoorder ontbreekt. Voorgelezen preken spreken doorgaans minder aan, tenzij de inhoud en compositie uitzonderlijk goed zijn. Een prediker die leest, laat het contact maken grotendeels aan de hoorder over.
Tijdens cursussen van Areopagus blijkt dat predikanten vaak moeite hebben om los te komen van hun papier, vanuit een oprechte vrees om afgeleid te worden of 'freewheelen'. Dit is echter niet altijd het geval; dezelfde predikanten kunnen vaak wel los van papier spreken tijdens bijvoorbeeld catechese.
J. Thomas, refererend aan E. Altmanns 'Die Predigt als Kontaktgeschehen', stelt dat bij de preek de volgorde omgekeerd is aan die van het schrijven: de spreker begint met schrijven. Dit leidt tot een zekere abstrahering van het te spreken woord, waarbij woorden en zinnen ruimtelijk naast elkaar komen te staan in plaats van temporeel kort na elkaar gesproken te worden. De dynamiek van het schrijven is anders dan die van het spreken. Schrijven biedt de mogelijkheid tot herlezen en wijzigen, terwijl het gesproken woord moeilijk herhaald of gecorrigeerd kan worden.
Altmann bepleit een schrijven van de preek waarbij de inhoud slechts in grote lijnen wordt vastgelegd, om open te blijven naar de ontmoeting met de gemeente. De creatieve invloed van deze ontmoeting moet optimaal benut worden. Een voorlopige notatie maakt het mogelijk om, de grote lijnen volgend, in levend contact met de hoorders te ontdekken in welke woorden de gedachten het best tot uitdrukking komen. Vrije rede in de preek wordt gezien als de vorm van christelijke verkondiging, waarbij een inhoudelijk voorbereid stuk Schrift wordt aangepast aan de omstandigheden van ruimte, tijd en gemeente.
Er is een observatie dat dominees in 'zwaardere' kerken preken bijna volledig uit het hoofd doen, terwijl dominees in 'lichtere' kerken vaker een blaadje omdraaien. De vraag is of dit te maken heeft met aangeleerde preekstijlen tijdens de opleiding, of met een verschil in verwachting van de ingeving van de Heilige Geest versus grondige voorbereiding.
Er is geen waardeoordeel te verbinden aan preken uit het hoofd of van papier; beide kunnen uit het hart komen en een grondige voorbereiding hebben gehad. Het idee dat 'uit het hoofd' gelijk staat aan 'uit de Geest' is niet correct; de Geest kan ook werkzaam zijn bij het uitschrijven van de preek. Improviseren of onvoorbereid preken is niet in overeenstemming met de waardigheid van de heilige bediening. Het uitschrijven van de gehele preek wordt algemeen aanbevolen om redenen van duidelijkheid, bondigheid, nabijheid tot de Bijbeltekst, evenwichtige behandeling van onderdelen, en betere taal en stijl. Ook al wordt de preek uitgeschreven, het is belangrijk dat het geen 'aflezen' wordt, maar dat de prediker met de gemeente 'in gesprek' kan raken.
Een preek kan inhoudelijk nog zo goed zijn, maar moet wel bij de hoorders 'landen'. Een preek dient aansprekend en direct te zijn, maar een vlot of vroom praatje zonder Bijbelse diepgang geeft geen geestelijke voeding. De Bijbel schrijft geen bindende methode voor; het belangrijkste is dat Gods Woord werkelijk aan het woord komt en dat de Heilige Geest erin meekomt. Elke rechtgeaarde prediker bereidt zich biddend en studerend voor.
De kerkorde regelt wie bevoegd is om voor te gaan in kerkdiensten. Predikanten van de PKN en van kerken waarmee de PKN bijzondere betrekkingen onderhoudt, zijn primair bevoegd. Deze bevoegdheid kan ruim worden uitgelegd, inclusief kerken die lid zijn van de Raad van Kerken, kerken uit de Nederlandse reformatie en migrantenkerken.
Naast predikanten kan ook aan anderen een preekconsent worden verleend. Dit omvat echter niet de bediening van doop en avondmaal, het afnemen van belijdenis, de bevestiging van ambtsdragers, het leiden van trouwdiensten en het uitspreken van de zegen. Dit consent is onder andere bedoeld voor theologiestudenten op weg naar het predikantschap, en afgestudeerden die geen predikant worden.
Kerkelijk Werkers en Preekbevoegdheid
Kerkelijk werkers vormen een aparte categorie. Hoewel het een wijdverbreid misverstand is dat alle kerkelijk werkers preekbevoegdheid bezitten, is het mogelijk om een preekconsent aan te vragen. Dit vereist een door de kerk erkende opleiding, inschrijving in het landelijk register, en aanvullende homiletische en liturgische vorming.
De kerkenraad kan een preekconsent aanvragen voor een kerkelijk werker indien er onvoldoende mogelijkheden zijn om op andere wijze in het voorgaan in kerkdiensten te voorzien. Het consent wordt verleend ten behoeve van de gemeente die moeilijk voorgangers kan vinden.
In uitzonderlijke gevallen kan een kerkelijk werker met preekconsent, die als ouderling-kerkelijk werker is bevestigd, de bevoegdheid ontvangen om de ambtelijke werkzaamheden van een predikant te verrichten, inclusief de bediening van de sacramenten en huwelijksbevestiging. Dit is alleen mogelijk als de gemeente zelfs geen parttime predikant kan betalen en samenwerking met een buurgemeente niet mogelijk is.
In 'noodgevallen', wanneer geen bevoegde voorganger beschikbaar is, kan de kerkdienst geleid worden door een ambtsdrager van de gemeente of door een of meer door de kerkenraad aangewezen leden. Dit kan betekenen dat een ouderling een preek leest, of een ander gemeentelid een woord uit het hart spreekt.
In bijzondere kerkdiensten kan een kerkenraad besluiten een niet-bevoegde voorganger uit te nodigen, zoals een jeugdwerker, zendingsarbeider of diaconaal werker. Dit mag echter niet misbruikt worden om een gewone dienst de aanduiding 'bijzondere kerkdienst' te geven.
De permanente educatie, een verplicht element van de dienstbetrekking voor kerkelijke werkers, is ook van toepassing op degenen met een parttime aanstelling. De invulling hiervan omvat persoonlijke coaching door een mentor en het volgen van primaire nascholing. Voortgezette nascholing is eveneens van toepassing.
Wat betreft preekconsent en sacramentsbediening, er zijn specifieke procedures en voorwaarden. Een preekconsent is niet eeuwigdurend en geldt alleen voor de gemeente of regio waarvoor het is verleend. Het verlenen van sacramentenbevoegdheid aan kerkelijk werkers is zeer uitzonderlijk.
De Generale Synode heeft uitgangspunten aangenomen in het rapport 'Geroepen en gezonden', die kerkelijk werkers de gelegenheid bieden om een jaar extra studie te volgen en zo bevoegdheden te verkrijgen voor preken en sacramentenbediening. Dit proces is nog in ontwikkeling.
