De evangeliën vertellen over verschillende gebeurtenissen in het leven van Jezus, waaronder de verheerlijking op de berg en de genezing van een jongen met een demonische aandoening. Deze gebeurtenissen tonen de goddelijke macht van Jezus en de uitdagingen van het geloof.
De Verheerlijking op de Berg
Jezus kondigde aan dat sommigen van zijn discipelen het Koninkrijk Gods met kracht zouden zien komen. Na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee naar een hoge berg. Daar werd Hij voor hun ogen van gedaante veranderd. Zijn klederen werden stralend wit, zo wit als geen mens ze op aarde kon maken. Verschijnselen van Elia en Mozes verschenen en spraken met Jezus. Petrus, overdonderd door de gebeurtenis, stelde voor om drie tenten te maken voor hen. Hij wist niet wat hij zei, omdat hij en de anderen zeer bevreesd waren. Een wolk overschaduwde hen en een stem uit de wolk sprak: "Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem!" Nadat de wolk was verdwenen, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen. Bij het afdalen van de berg gebood Jezus hen om niemand te vertellen wat zij hadden gezien, totdat de Zoon des mensen uit de doden zou zijn opgestaan. De discipelen hielden dit woord bij zich en vroegen zich af wat het opstaan uit de doden betekende. Ze vroegen Jezus ook waarom de schriftgeleerden leerden dat Elia eerst moest komen. Jezus verklaarde dat Elia inderdaad gekomen was en dat men met hem had gedaan wat men wilde, zoals geschreven stond.

De Genezing van de Maanzieke Knaap
Toen Jezus bij de discipelen kwam, zag Hij een grote schare rondom hen en schriftgeleerden die met hen twistten. De menigte was verbaasd toen zij Jezus zagen en begroetten Hem. Jezus vroeg de schriftgeleerden waarom zij met de discipelen twistten. Een man uit de menigte antwoordde dat hij zijn zoon had gebracht, die een stomme geest had. Overal waar de geest hem aangreep, scheurde hij hem, liet hem schuimen, met zijn tanden knarsen en verdorden. Hij had de discipelen gevraagd de geest uit te drijven, maar zij konden dat niet. Jezus antwoordde: "O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn? Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij." Toen de jongen Jezus zag, scheurde de geest hem terstond. Hij viel op de aarde, wentelde zich en schuimde. Jezus vroeg de vader hoe lang dit al aan de gang was. De vader antwoordde dat het vanaf zijn kindsheid was. Hij vertelde dat de geest de jongen menigmaal in het vuur en in het water had geworpen om hem te verderven, en smeekte Jezus om hulp met innerlijke ontferming, als Hij iets kon doen. Jezus zei: "Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft." De vader riep met tranen: "Ik geloof, Heere! Kom mijn ongelovigheid te hulp." Jezus, ziende dat de schare toeliep, bestrafte de onreine geest en beval hem uit het kind te gaan en niet meer terug te komen. De geest ging onder luid geschreeuw en hevige scheuringen uit. Het kind leek als dood, zodat velen dachten dat hij gestorven was. Jezus pakte hem bij de hand, richtte hem op, en hij stond op.

Nadat Jezus met het kind in huis was gegaan, vroegen de discipelen Hem alleen: "Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?" Jezus antwoordde: "Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten."
Verdere Leringen en Waarschuwingen
Op weg door Galilea onderwees Jezus Zijn discipelen. Hij kondigde aan dat de Zoon des mensen overgeleverd zou worden, gedood, en op de derde dag zou opstaan. De discipelen begrepen dit woord niet en vreesden Hem te vragen. In Kapérnaüm ontstond er een discussie onder hen over wie van hen de meeste zou zijn. Jezus riep de twaalf discipelen en leerde hen dat wie de eerste wil zijn, de laatste van allen en aller dienaar moet zijn. Hij nam een kindeken, stelde het midden onder hen, omvatte het en zei dat wie een van zulke kinderkens in Zijn Naam ontvangt, Hem ontvangt; en wie Hem ontvangt, ontvangt Hem die Hem gezonden heeft.
Johannes meldde dat zij iemand hadden gezien die demonen uitwierp in Jezus' Naam, en dat zij hem hadden verboden dit te doen omdat hij hen niet volgde. Jezus zei dat zij hem niet moesten verbieden, want niemand die een wonder doet in Zijn Naam, zou spoedig kwaad van Hem kunnen spreken. Hij voegde eraan toe dat wie niet tegen hen is, voor hen is. Hij benadrukte dat wie een beker water geeft in Zijn Naam, zijn loon niet zal verliezen. Maar wie een van de kleinen die in Hem geloven, ergert, voor hem zou het beter zijn dat een molensteen om zijn hals werd gedaan en hij in de zee werd geworpen.
Jezus waarschuwde verder: "En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur; Waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt." Dit werd herhaald voor de voet en het oog, met de nadruk op het belang van het binnengaan in het Koninkrijk Gods, zelfs met verlies van ledematen, boven de eeuwige verdoemenis.
Hij sprak ook over het zout: "Want eenieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander."
Ten slotte herhaalde Jezus de aankondiging dat sommigen die daar stonden, de dood niet zouden smaken totdat zij het Koninkrijk Gods met kracht hadden zien komen.
Profetische Uitleg uit Daniël
Een passage uit het boek Daniël, die deels in de tekst van de evangeliën lijkt te zijn geïntegreerd, biedt een profetische context. Deze passage spreekt over een tijd van grote benauwdheid, de verlossing van Gods volk, de opstanding der doden, en de verheerlijking van de leraren die velen rechtvaardigen. De engel beveelt Daniël om de woorden te verzegelen tot de tijd van het einde, wanneer velen de teksten zullen naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigen. De passage beschrijft ook de tijd van de verwoestende gruwel en de duur van 1290 en 1335 dagen. Het eindigt met de belofte dat Daniël zal rusten en opstaan in zijn lot aan het einde der dagen.

tags: #statenvertaling #schuimend #zee