Het Verschil Tussen Belijdenis en Geloofsbelijdenis

Inleiding tot Geloofsarticulatie

Het begrijpen van de relatie tussen belijdenis en geloofsbelijdenis is essentieel binnen de theologische en praktische theologie van het christendom. Deze termen, hoewel verwant, kennen subtiele maar belangrijke verschillen in hun betekenis en toepassing.

Schema dat de relatie tussen doop, belijdenis en avondmaal visualiseert, met opties voor zowel volwassendoop als kinderdoop.

De Weg naar het Avondmaal: Van Doop tot Belijdenis

De volgorde van religieuze stappen begint vaak met de doop. Voor personen die als kind zijn gedoopt, is de gebruikelijke sequentie: belijdenis, gevolgd door het recht om deel te nemen aan het Heilig Avondmaal. Indien men niet als kind is gedoopt, luidt de volgorde: belijdenis, doop en vervolgens avondmaal.

Een levend lid van de Kerk wordt men door een waarachtig geloof. Treedt men uit de wereld tot de Kerk toe, dan zal er de begeerte ontstaan om ook het zichtbare teken van het lidmaatschap van de Kerk te ontvangen. In de Vroege Kerk werd het al spoedig de gewoonte dat men in principe minimaal drie jaar catechetisch onderwijs moest volgen voordat men kon worden gedoopt. Grondige kennis van de Bijbelse waarheid die gepaard ging met de keuze zich van de wereld en haar begeerlijkheden af te keren was nodig om gedoopt te worden. Daarop was het dooponderwijs gericht. Het ontvangen van de doop gaf dan direct ook het recht om het tweede sacrament, namelijk dat van het avondmaal te gebruiken.

Kinderdoop en de Rol van Belijdenis

Voor hen die als kind zijn gedoopt, rijst de vraag of zij bij het bereiken van de volwassenheid automatisch het recht ontvangen om aan het avondmaal deel te nemen. De katholieke kerk kent hiervoor de confirmatie of vormsel, een sacrament dat de genade van de doop vervolmaakt. Vereisten voor het vormsel in de Rooms-Katholieke Kerk omvatten onder meer een doop, het belijden van het geloof met de apostolische geloofsbelijdenis, een staat van genade, de intentie om het sacrament te ontvangen, en de bereidheid om de rol van leerling en getuige van Christus op zich te nemen.

De Kerk van de Reformatie heeft het vormsel als sacrament afgewezen, omdat de doop als teken van opname in de gemeente van Christus geen aanvulling of vervolmaking behoeft. Echter, het is van belang dat degenen die als kind gedoopt zijn, de inhoud van de Bijbelse leer van zaligheid kennen en welbewust leren beamen dat zij het teken van de doop ontvingen. De klassieke doopsformulieren spreken over de leer van het Oude en Nieuwe Testament, wat verwijst naar de leer van de christelijke kerk in haar gereformeerde of hervormde gestalte. De gereformeerde belijdenisgeschriften zijn een nadere ontvouwing van de Twaalf Artikelen. Wie als volwassene wordt gedoopt, betuigt met die leer zijn instemming.

Soms wordt gesteld dat het 'ja-woord' van ouders bij de kinderdoop wordt overgenomen bij het doen van belijdenis door de gedoopte. Deze benaming wordt als minder gelukkig beschouwd, aangezien ouders levenslang verplicht blijven hun kinderen in gebed op te dragen en over de eeuwige dingen te spreken.

Belijdenis van het geloof op volwassen leeftijd is noodzakelijk om degenen die als kind zijn gedoopt, toegang te verlenen tot het avondmaal. Dit is de historische achtergrond van het doen van belijdenis; het is meer dan het beamen van de doop, het is een toegang vragen tot het avondmaal. Ouders die 'ja' zeggen bij de doop van hun kind, bidden vaak dat hun kind later het avondmaal mag gebruiken. Sommige ouders vinden het vanzelfsprekend dat hun kinderen aan het avondmaal gaan, zonder stil te staan bij de noodzaak van wedergeboorte en een levend geloof. Helaas denken velen zelfs helemaal niet na over het verband tussen de kinderdoop en het avondmaal.

De Betekenis van de Doop en Geloofsbelijdenis

De doop is het teken van inplanting en lidmaatschap van de christelijke kerk. Daarom worden niet alleen volwassenen die het christelijk geloof belijden gedoopt, maar ook kinderen van christenouders, omdat men gelooft dat ook zij lidmaat van de Kerk van Christus zijn. Bij het opgroeien is het de vraag of kinderen kenmerken van geloof en bekering vertonen, aangezien de doop bedoeld is ter versterking daarvan.

Calvijn stelde dat degenen die door deelgenootschap aan de sacramenten God in Christus als de God van zaligheid belijden, als leden van de Kerk erkend moeten worden. Dit leidde ertoe dat sommige puriteinen degenen die wel gedoopt waren maar niet aan het avondmaal deelnamen, als 'onvolledige' leden van de Kerk beschouwden. In de Schotse presbyteriaanse kerken maakt men onderscheid tussen 'adherents' (aanhangers) en 'members in full communion' (leden in volle gemeenschap), waarbij de laatsten avondmaalgangers zijn. In deze kerken geeft de kerkenraad, na onderzoek, toestemming aan hen die een kerkelijk recht begeren om tot het avondmaal toe te treden, om belijdend lid te worden. Er zijn daar geen belijdenisdiensten zoals in Nederland; de eerste avondmaalsgang maakt iemand tot een belijdend lid.

Het gebruik van het avondmaal is de door Christus ingestelde weg om het geloof telkens weer te belijden. Het avondmaal is, net als de doop, bedoeld ter versterking van het geloof. Het is echter ook een belijdenis. Wie aan het avondmaal deelneemt, belijdt dat hij Christus toebehoort, ondanks strijd en aanvechting. Dit betekent niet dat elke avondmaalganger Christus werkelijk toebehoort, of dat onder degenen die niet aan het avondmaal gaan geen ware kinderen van God kunnen zijn. De Bijbelse norm is echter dat alleen kinderen van God aan het avondmaal mogen gaan, en dat alle kinderen van God - behalve zij die de volwassenheid nog niet hebben bereikt - eraan behoren te gaan.

De puriteinen en mannen van de Nadere Reformatie benadrukten het belang van grondige catechese. Zij wensten dat degenen die toegang tot het avondmaal ontvingen, de Bijbelse leer niet alleen grondig kenden, maar ook van harte beleden en dat deze leer gepaard ging met een godzalige levenswandel. Het feit dat degenen die het kerkelijk recht om het avondmaal te ontvangen zichzelf moeten beproeven, doet niets af aan de noodzaak van een eerlijk, liefdevol maar toch grondig ambtelijk onderzoek.

De levenswandel is uiterlijk zichtbaar en de boom wordt aan zijn vruchten gekend. Helaas wordt in de rechterflank van de gereformeerde gezindte het kerkelijk recht om aan het avondmaal te gaan soms gegeven aan hen die dit recht niet toekomt. De Bijbel wijst erop dat vrouwen en meisjes eerbaar gekleed moeten gaan, iets wat in de gereformeerde gezindte vaak niet het geval is.

Helaas laten velen in de gereformeerde gezindte in hun leven zien dat zij Christus niet toebehoren en de waarde van hun doop niet kennen. Er zijn jongeren die de ernst van de zonde hebben leren kennen en Christus hun hart hebben gegeven, en die daarom tot Gods eer willen leven. Afgaande op de vruchten vormen zij echter vaak een minderheid. Er zijn gelukkig ook kerkenraden die ernst maken met het toetsen van de levenswandel van degenen die belijdenis van het geloof willen afleggen, terwijl anderen tevreden zijn met het trouw bezoeken van de diensten, soms zelfs slechts één keer per zondag.

Het Toetsen van Levend Geloof

Het toetsen van levend geloof is minder eenvoudig dan het toetsen van de levenswandel. In de Angelsaksische wereld werd in congregationalistische en baptistische kringen vaak een bekeringsgetuigenis gevraagd. Presbyterianen benadrukten een hartelijk belijden van de bijbelse waarheid van de Drie-enige God als God van zaligheid en Jezus Christus als volkomen Zaligmaker.

De tegenstelling tussen belijdenis van de leer of van het geloof is bijbels en kerkhistorisch een onjuiste tegenstelling. De Bijbelse leer gaat over de boodschap van zaligheid. De vraag is of men die boodschap van harte bijvalt en daaruit leeft. Een kerkenraad moet naar de kennis van die boodschap vragen en wat deze betekent voor de persoon in kwestie. Het gevaar bestaat dat een kerkenraad meent met onfeilbare zekerheid te kunnen vaststellen of iemand genade bezit. Mensen die belijdenis wensen te doen, mogen wel de gelegenheid krijgen om op een aannemingsavond iets uit hun leven te vertellen.

Het onderscheid tussen een kerkelijk en een goddelijk recht op het avondmaal moet worden onderstreept. Een kerkenraad verleent het eerste, God het tweede. Waar een bekeringsgetuigenis als uitgangspunt werd gesteld, werd dit onderscheid vaak weinig benadrukt. Een parallel kan getrokken worden met het onderzoek naar toelating van theologiestudenten tot de dienst van het Woord. Ook daar mag een kerkelijke vergadering niet beoordelen of iemand een goddelijk recht heeft om het Woord te verkondigen; dat recht geeft alleen God Zelf.

Catechese en de Overdracht van Geloof

Catechese is allereerst onderricht in de geloofsleer, met de nadruk op de boodschap van de Bijbel en het vergroten van Bijbelkennis. Het doel is dat catechisanten ware belijders van Christus worden. Hoewel geloof als geloofsleer kan worden overgedragen, geldt dit niet voor geloof als vertrouwen. De Heilige Geest maakt iemand tot een ware belijder.

De vraag welke kinderen gedoopt mogen worden, hangt af van de interpretatie van 'kinderen van gelovige ouders'. De dooppraktijk is ruimer geweest dan de avondmaalspraktijk. De kerken die uit de Afscheiding en Doleantie voortkwamen, volgen niet altijd de Dordtse Kerkorde. In de kring van de afgescheiden kerken wordt verwacht dat iedereen die als kind is gedoopt, ergens tussen het 18e en 25e levensjaar belijdenis doet.

Historische Geloofsbelijdenissen

De Apostolische Geloofsbelijdenis, ook wel de Twaalf Artikelen van het geloof genoemd, wordt waarschijnlijk al rond 100-200 na Christus gevormd en beschrijft de kern van het christelijk geloof. Deze belijdenis is trinitarisch opgebouwd, beginnend met het geloof in God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. God wordt vooral handelend voorgesteld. De tekst begint niet bij geloofsgebruiken, maar bij God zelf.

De oorsprong van de Apostolische Geloofsbelijdenis is onderwerp van discussie onder onderzoekers. De traditionele theorie stelt dat de belijdenis oorspronkelijk in het Grieks was opgesteld en al vroeg in het Latijn werd vertaald. Het woord 'katholiek' in de belijdenis kan verwarring veroorzaken met 'rooms-katholiek', en kan beter worden weergegeven met 'algemene' of 'wereldwijde'.

De Apostolische Geloofsbelijdenis wordt regelmatig voorgelezen of gezongen in de kerkdienst. In de vroegste kerk ging aan de doop van volwassen bekeerlingen een lange voorbereiding vooraf, die werd afgesloten met een inwijding in de geloofsbelijdenis. In latere eeuwen, met de opkomst van de kinderdoop, werden de ouders geacht de geloofsbelijdenis te kennen en te beamen.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis

De Nederlandse Geloofsbelijdenis (Confessio Belgica) werd opgesteld door Guido de Bres in 1561. Het geschrift was bedoeld om gereformeerde protestanten te verdedigen tegen beschuldigingen van ketterij en oproer. De Bres maakte gebruik van de Franse belijdenis naar een ontwerp van Calvijn (Confessio Gallicana). De Nederlandse Geloofsbelijdenis neemt een eigen positie in ten opzichte van de wederdopers en de rooms-getrouwen.

De opzet van de Nederlandse Geloofsbelijdenis begint met een uiteenzetting over God, de bronnen van Godskennis, en een klassiek-gereformeerde interpretatie van de weg van het heil: schepping, val, verkiezing, verlossing, Christus, rechtvaardiging, heiliging, kerk, sacramenten, de relatie kerk-overheid en de laatste dingen. Opmerkelijk is de uitvoerige uiteenzetting over de positie van de overheid in relatie tot de kerk (artikel 36).

De Nederlandse Geloofsbelijdenis bracht helaas geen vrede, maar leidde tot nog heftigere onderdrukking. Sinds 1563 vond deze belijdenis feitelijk kerkelijke erkenning en vormde samen met de Heidelbergse Catechismus de confessionele grondslag van de kerk. De synode van Dordrecht (1618-1619) stelde de Franse en Nederlandse tekst vast.

Geloofsbelijdenis: Een Persoonlijke en Gemeenschappelijke Verklaring

Belijdenis doen is het uitspreken dat men in God gelooft, en dit openbaar doen in de kerk. Het is vergelijkbaar met een huwelijk: de relatie wordt niet geheim gehouden, maar mag iedereen weten. Met de belijdenis bevestigt men de doop, waarin God heeft gezegd: 'Jij bent mijn kind, ik hou van je!' Door belijdenis te doen, zegt men openbaar 'ja' tegen Hem.

Er is een verschil tussen het belijden van de leer van de kerk en het belijden van een persoonlijk geloof. Beide zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. De leer die naar de godzaligheid is, kan niet worden beleden zonder persoonlijk geloof en hartelijke betrokkenheid op de God van dat Woord. Omgekeerd draait het bij belijdenis doen primair om het belijden van de Heere Jezus, en van daaruit mag men zeggen: Hij is ook mijn Heer.

Het is niet de bedoeling om in een belijdenisdienst uitgebreid persoonlijke verhalen te vertellen. Het 'ja-woord' is voldoende. Wie tot geloof komt, wordt klein en mag zich voegen in de kerk van alle tijden en plaatsen, instemmend met het aloude geloof dat verwoord is in belijdenisgeschriften. Persoonlijk geloof is essentieel, maar belijdenis doen is niet louter iets persoonlijks; men staat er niet alleen in, maar als deel van een belijdende gemeente.

Leeftijd en Voorwaarden voor Belijdenis

De vraag naar de juiste leeftijd voor belijdenis is minder belangrijk dan de vraag wat de Heere van je vraagt. Men moet tot 'het verstand gekomen zijn', wat betekent dat men verantwoordelijkheid gaat dragen voor Gods beloften. De leeftijd hiervoor kan variëren; in de tijd van Calvijn lag deze lager dan tegenwoordig. Het gebruik van één belijdenisdienst per jaar is relatief nieuw.

Hoewel er een leeftijdseis kan zijn, is de geloofseis het belangrijkst. Zonder persoonlijk geloof kan belijdenis niet plaatsvinden. Als men de leeftijd heeft bereikt maar nog geen duidelijkheid heeft over het persoonlijk geloof, is uitstel niet de oplossing. Het is dan zaak de Heere meer te zoeken. Te lang uitstel kan gevaarlijk zijn.

Apostolische Geloofsbelijdenis versus Geloofsbelijdenis van Nicea

Geloofsbelijdenissen door de Eeuwen Heen

Door de eeuwen heen zijn er verschillende geloofsbelijdenissen ontstaan om de eenheid van het geloof te bewaren en te verduidelijken. De Apostolische Geloofsbelijdenis werd in 325 na Christus geformuleerd tijdens het Concilie van Nicea. De Geloofsbelijdenis van Athanasius, hoewel waarschijnlijk niet door Athanasius zelf geschreven, is een andere bekende belijdenis die de triniteit benadrukt.

Ook in het Nieuwe Testament zelf zijn geloofsbelijdenissen te vinden, zoals in 1 Korintiërs 15:1-8, Filippenzen 2:6-11 en Kolossenzen 1:15-23. Deze teksten geven kernachtig weer wie de drie-enige God is en wat het wonder van het Evangelie inhoudt.

Illustratie van de Drie-eenheid (Vader, Zoon, Heilige Geest) in een traditionele artistieke stijl.

De Geloofsbelijdenis van Athanasius: Een Diepere Analyse

De Geloofsbelijdenis van Athanasius benadrukt de noodzaak om het katholieke geloof volledig en ongeschonden te bewaren voor eeuwig behoud. Centraal staat de aanbidding van één God in de Drie-eenheid en de Drie-eenheid in de eenheid, zonder de Personen te vermengen of het Wezen te delen. De tekst beschrijft de gelijkheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in eeuwigheid, heerlijkheid en majesteit, terwijl ze toch onderscheiden personen zijn.

Verder wordt de menswording van Jezus Christus benadrukt: Hij is ten volle God en ten volle mens, één Christus door de eenheid van zijn Persoon. De belijdenis beschrijft zijn lijden, dood, opstanding en hemelvaart, en de wederkomst om de levenden en doden te oordelen. Het geloof in de opstanding van het lichaam en het eeuwige leven is hierin eveneens verankerd.

De Rol van de Geloofsbelijdenis in de Kerk

Geloofsbelijdenissen dienen om te voorkomen dat iedereen zijn eigen religie ontwikkelt. Ze bieden een gemeenschappelijke basis en een houvast voor het geloof. De Apostolische Geloofsbelijdenis, met zijn twaalf artikelen, vat de kern van het christelijk geloof samen en wordt in veel kerken gebruikt. Het is belangrijk te realiseren dat deze belijdenis niet door de apostelen zelf is geschreven, maar de kern van hun prediking weerspiegelt.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis, opgesteld in een tijd van vervolging, is een getuigenis dat door martelaarschap is gehard. Het fundament van het geloof wordt gelegd in de schepping, het onderhoud en de regering van de wereld door God, zoals geopenbaard in de Heilige Schrift (Oude en Nieuwe Testament). De Schrift wordt beschouwd als de enige en onfeilbare regel voor het geloof.

De Drie-eenheid en de Werkingen van God

De kern van het geloof ligt in de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. De Vader is de oorzaak en oorsprong, de Zoon is het Woord en de wijsheid, en de Heilige Geest is de eeuwige kracht. Deze drie personen zijn één God, met onderscheiden eigenschappen maar zonder deling of vermenging.

De bijzondere ambten en werkingen van de drie personen zijn duidelijk: de Vader is onze Schepper, de Zoon onze Zaligmaker en Verlosser, en de Heilige Geest onze Heiligmaker. De leer van de Drie-eenheid, hoewel het menselijk verstand te boven gaand, wordt geloofd op grond van het Woord.

De Menswording en Verlossing

Jezus Christus wordt belijden als de eniggeboren Zoon van God, van eeuwigheid geboren en één van wezen met de Vader. Hij is niet gemaakt of geschapen, maar mede-eeuwig en het uitgedrukte beeld van de zelfstandigheid van de Vader. Hij is de Zoon van God niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid.

De Heilige Geest gaat van eeuwigheid van de Vader en de Zoon uit. God heeft alle dingen geschapen door zijn Woord, dat is door zijn Zoon, en onderhoudt en regeert ze overeenkomstig zijn wil. Zelfs de duivelen en boze geesten zijn door hun eigen slechtheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis.

God bestuurt en regeert alle dingen zo, dat niets zonder zijn beschikking gebeurt, hoewel Hij niet de auteur van de zonde is. Deze leer biedt troost, omdat niets bij toeval kan overkomen, maar alles door de beschikking van de hemelse Vader geschiedt.

tags: #verschil #tussen #belijdenis #en #belijdenis