Het piëtisme was een belangrijke stroming die aan het einde van de 17e eeuw en in het begin van de 18e eeuw opkwam binnen het lutheranisme. Deze beweging uitte kritiek op de gevestigde leer van de Lutherse Kerk, die volgens de piëtisten te veel beïnvloed was geraakt door de wetenschap en daardoor te ver af kwam te staan van de kern van het christendom.
De naam "piëtisme" is afgeleid van het Latijnse woord pietas, wat "vroomheid" of "diepe toewijding aan God" betekent. De grondlegger van deze stroming was de Duitser Philipp Jakob Spener. In 1675 publiceerde hij zijn invloedrijke werk Ernste Fragen über die rechte Gestalt der wahren christlichen Kirche (Ernstige Wensen voor een Hervorming van de Ware Evangelische Kerk), waarin hij concrete voorstellen deed voor de hervorming van het lutheranisme.
Spener bepleitte een aantal kernpunten: hij wilde dat gelovigen de Bijbel grondiger en gezamenlijk zouden bestuderen, dat iedere christen een actieve rol in de kerk zou krijgen, en dat het christendom in de praktijk van het dagelijks leven toegepast moest worden. Daarnaast benadrukte hij het belang van de vriendelijke bekeringsweg voor ongelovigen.
Het boek van Spener riep veel weerstand op in Duitsland. Veel lutherse predikanten en theologen voelden zich persoonlijk aangevallen en wezen zijn ideeën af. Desondanks ontving Spener ook veel positieve reacties, en een deel van de lutheranen omarmde zijn voorstellen. Na de dood van Spener nam August Hermann Francke de leidende rol binnen de piëtistische beweging op zich.
Kernpunten van het Piëtisme
De piëtisten hechtten een centrale waarde aan de Bijbel. Zij vonden dat de Bijbel binnen de kerkelijke praktijk naar de achtergrond was verschoven, ten gunste van de studie van geloofsformules en de machtspositie van orthodox-lutherse predikanten. Toen de wetenschap kritiek begon te uiten op religie, probeerden sommigen de religie wetenschappelijker te maken, een benadering die de piëtisten afwezen.
De piëtistische visie op geloof en leven werd vaak geïllustreerd met symbolische beelden. Een populair piëtistisch schilderij uit 1866 toonde twee wegen: de brede, gemakkelijke weg vol plezier die leidt tot destructie, en de smalle, moeilijkere weg van het piëtisme, die gekenmerkt werd door hard werken en leven volgens de Bijbel.
De kernprincipes van het piëtisme omvatten:
- Individuele opvatting van het geloof: Iedere gelovige moest een vroom leven leiden in overeenstemming met de Bijbel.
- Praktische toepassing van het christendom: Een heilig leven bestond niet enkel uit geloofsbelijdenissen, maar ook uit de concrete toepassing van christelijke principes.
- Afkeer van wereldse zaken: Piëtisten keerden zich af van uiterlijkheden, pracht en praal, en wereldse vermaken zoals theaters.
- Centrale rol voor Bijbelstudie en gebed: Het gezamenlijk en grondig bestuderen van de Bijbel werd gezien als de basis voor geloof en leven.
De piëtisten verlangden naar een vernieuwde, zuivere kerk. Het woord "piëtisme" werd oorspronkelijk door tegenstanders gebruikt als een spottende benaming, maar de piëtisten omarmden het later als een erenaam.
Een veelgehoorde kritiek op het piëtisme was dat de aanhangers zich te veel met hun eigen innerlijke geloofsleven bezighielden en zich terugtrokken uit de maatschappij, waardoor ze hun maatschappelijke verantwoordelijkheid zouden verwaarlozen.
De Lutherse Kerk en de Reformatie
Binnen het christelijk geloof bestaan diverse stromingen, met verschillen die variëren van klein tot scherp en duidelijk. Nieuwe richtingen ontstonden vaak niet uit de wens om een nieuwe stroming te starten, maar omdat er geen andere weg meer mogelijk leek.
Maarten Luther, geboren in 1483 in Eisleben, Duitsland, wordt beschouwd als de grondlegger van het lutheranisme. Tegen de wens van zijn vader in, die hem jurist wilde zien, trad Luther in 1506 toe tot een Augustijner klooster. De Augustijnen baseerden hun leven en denken sterk op de leer van Augustinus.
Volgens de overlevering spijkerde Luther op 31 oktober 1517 zijn 95 stellingen op de deur van de slotkerk in Wittenberg. Met deze stellingen kaartte hij diverse misstanden aan in de kerk van die tijd, waaronder de beruchte aflaathandel, waarbij gelovigen met geld een "entreebewijs" voor de hemel konden verkrijgen.
Luther benadrukte herhaaldelijk dat de bijbelse boodschap draait om de genade van God door Jezus Christus. Hij stelde dat gelovigen zich niet hoeven in te spannen om zichzelf te redden, aangezien niemand zelf tot God kan opklimmen. De "rechtvaardiging door geloof" werd het centrale principe van zijn leer.
De ideeën van Luther leidden tot een grote hervorming van de kerk in West-Europa. Het conflict met de gevestigde kerkleiding werd zo groot dat er nieuwe, protestantse kerken ontstonden die zich losmaakten van het gezag van de paus in Rome.
Het Lutheranisme in Nederland
Het lutheranisme is een stroming binnen het protestantse christendom, voortkomend uit het werk en de leer van Maarten Luther. Wereldwijd zijn er ongeveer 80 miljoen lutheranen. In Duitsland vormt het de op één na grootste denominatie, met aanzienlijke gemeenschappen in Scandinavië en de Verenigde Staten.
In Denemarken, Noorwegen, Finland en IJsland is het lutheranisme de staatsreligie. In Nederland vormen de Evangelisch-Lutherse gemeenten met ongeveer 12.000 leden een kleine groep binnen het christendom.
De oorsprong van de Evangelisch-Lutherse Kerk in Nederland wordt teruggevoerd op het werk van Maarten Luther in de 16e eeuw. Na de Reformatie, hoewel de Nederduitse Gereformeerde Kerk door de calvinistische overheid werd bevoordeeld, ontstonden er ook lutherse gemeenten.
Het oudste bewaarde lutherse doopregister in Nederland werd in 1586 in Middelburg geopend, na de toestroom van vluchtelingen uit Antwerpen, dat in 1585 door de Spanjaarden was ingenomen. Veel Lutheranen vestigden zich in verschillende delen van de Verenigde Provincies, waaronder Middelburg, Rotterdam, Leiden, Haarlem en Amsterdam.
De lutherse gemeenschap in Zeeland werd verder versterkt door de immigratie van Lutheranen uit Oostenrijk in 1731, nadat de aartsbisschop van Salzburg religieuze dissidenten uit zijn aartsbisdom had verdreven. Een deel van hen vestigde zich in Groede, waar in 1742 een luthers kerkgebouw werd opgericht.
In Woerden ontstond een lutherse gemeente rond het werk van Jan de Bakker, de eerste protestantse martelaar in de noordelijke Nederlanden. Na zijn dood ontwikkelde zich een protestantse gemeente naar de Augsburgse Confessie, officieel gesticht in 1564. De Petruskerk bleef tot 1593 in lutherse handen, evenals de Grote of Sint Galluskerk in Bodegraven.
In 1791 splitste zich een orthodoxe groep af van de Amsterdamse lutherse gemeente, die de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk ofwel het "Oude Licht" vormde. In 1863 kwamen het "Oude" en het "Nieuwe Licht" tot een Permanente Commissie van Verbroedering.
In 1987 ontstond de Oud-Evangelisch-Lutherse kerk in Nederland, vanuit een behoefte aan een bijbelgetrouwe lutherse kerk vanwege een als te vrijzinnig ervaren koers binnen de Evangelisch-Lutherse Kerk. Bezwaren betroffen onder andere de openstelling voor praktiserende homoseksuelen in het ambt en steun voor anti-euthanasie en anti-abortus standpunten.
Op 1 mei 2004 ging de Evangelisch-Lutherse Kerk op in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), met destijds ongeveer 14.000 aanhangers. De deelname aan deze kerkfusie betekende de aanvaarding van de Leuenberger Konkordie en de Barmer Thesen als belijdenisgeschriften binnen de PKN.
Historische Ontwikkelingen en Liturgie
De lutherse kerk kent in het algemeen twee sacramenten: de doop en het Heilig Avondmaal, aangevuld met de, aan de lutherse leer aangepaste, biecht.
Maarten Luther, die in 1517 zijn 95 stellingen publiceerde, legde de basis voor de Reformatie. Hij benadrukte het belang van de preek en het zingen van de gemeente, waarbij het lied werd gezien als een geloofsbelijdenis en een commentaar op bijbelteksten. De samenstelling van een gezangboek en het behoud van veel van Luthers hymnen waren hierbij essentieel.
De lutherse liturgie wortelt in de vroeg-kerkelijke traditie en kent vaste onderdelen zoals het Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus en Agnus Dei. Deze structuur, die al lang voor de Reformatie bestond, is in de lutherse traditie grotendeels behouden.
Tijdens de viering van het Heilig Avondmaal komen de vaste elementen van het ordinarium terug. Het Kyrie eleison roept God aan voor de noden van de wereld en belijdt tegelijkertijd Christus als Heer. De gebedsgroet, "De Heer zij met u - en met uw geest", markeert de wederkerigheid in de liturgie.
De Bijbel staat centraal in de liturgie, met lezingen uit het Oude Testament, de Gradualepsalm, de Epistellezing en de Evangelielezing. Het Halleluja voor de Evangelielezing benadrukt het geloof dat Christus zelf spreekt in de bijbelse woorden. Na de Evangelielezing volgt de Geloofsbelijdenis (Credo) en de preek.
Tijdens het Heilig Avondmaal worden het Sanctus, Benedictus en Agnus Dei opnieuw gebruikt. De lutherse opvatting over het Heilig Avondmaal, geworteld in de Augsburgse Confessie, benadrukt de ware aanwezigheid van Christus' lichaam en bloed in brood en wijn. De confessie verzet zich tegen de transsubstantiatie van de rooms-katholieke leer en tegen de opvatting van "sacramentarisen" die de afwezigheid van Christus' lichaam leren.
De lutheranen maken onderscheid tussen het uitleggen en preken van de inzettingswoorden en het consecreren van brood en wijn. Ze beschouwen de calvinistische viering van het Avondmaal als onvolledig omdat het woord niet bij het element wordt gevoegd.
Het zelden vieren van het Heilig Avondmaal wordt gezien als een beroving van de gelovige van de gave van het sacrament. De Antwerpse Agenda, opgesteld na de Antwerpse Confessie, beschrijft de praktijk van de eredienst en de bediening van de sacramenten, met als doel de eenheid te dienen en willekeur te voorkomen.
De Antwerpse Agenda beschrijft de viering van het Heilig Avondmaal na de preek, waarbij de dienaar de tafel voorbereidt en de hosties en wijn worden klaargelegd. Mannen en vrouwen gaan gescheiden aan tafel. De predikant herhaalt de oproep tot zondebelijdenis en herinnert eraan dat men niet alleen brood en wijn ontvangt, maar ook Christus' lichaam en bloed, wat leidt tot zondenvergeving en versterking van het geloof.
De verbondsgedachte speelt een belangrijke rol. Zoals het Oude Testament het verbond tussen God en Israël beschrijft, zo worden gelovigen door de doop ingelijfd in het verbond met God, en door het Heilig Avondmaal wordt dit verbond telkens vernieuwd.
Na de val van Antwerpen in 1585 trokken veel lutheranen naar het noorden, waar ze te maken kregen met religieuze beperkingen. De beroepsartikelen en kerkelijke ordonnantie van 1597 bevatten bepalingen over boetepredicaties, absolutie en de bediening van het Heilig Avondmaal. Het Avondmaal werd op de eerste zondag van de maand en op feestdagen uitgedeeld, met voorafgaande oproepen tot deelname en gelegenheid tot persoonlijke biecht.
De strijd tussen lutheranen en calvinisten over de omnipraesentie (alomtegenwoordigheid) van Christus' lichaam was fel, met name in het begin van de 17e eeuw in Amsterdam. Calvijnse predikanten zoals Plancius bekritiseerden de lutherse opvatting dat Christus' lichaam na de hemelvaart alomtegenwoordig is, omdat dit in hun ogen de ware menswording, kruisiging en wederkomst loochende. De lutheranen verdedigden hun positie, waarbij de Hamburger theoloog Philipp Nicolai een belangrijke rol speelde in het verdedigen van de lutherse leer.
Nicolai betoogde dat de hemel, aarde en hel niet als gescheiden locaties moeten worden gezien, maar als bestaand binnen Gods hand. Christus is naar zijn goddelijke aard alomtegenwoordig. De kritiek van Plancius op de lutherse opvatting werd door Nicolai ironisch beantwoord, waarbij hij de calvinistische visie op een "verre, hoge hemel" bekritiseerde.
Door het geschrift van Nicolai kwamen de lutheranen in Amsterdam in de problemen, wat leidde tot inbeslagname van boeken en het verbod op samenkomsten. De lutheranen zochten steun bij de Raad van Hamburg, Duitse vorsten en de koning van Denemarken.
