Zang dank mijn Heiland voor uw lijden

Oorsprong en tekst

Het lied "Zang dank mijn Heiland voor uw lijden", oorspronkelijk getiteld "Jesu, meines Lebens Leben", is een vertaling van een Duits geestelijk lied. De originele tekst werd geschreven door Ernst Christoph Homburg (1607-1681) en verscheen voor het eerst in zijn bundel "E.C. Homburgs Geistlicher Lieder Erster Theil", uitgegeven in Naumburg in 1659. In deze bundel werd de eerste strofe afgedrukt met een melodie van Werner Fabricius (1633-1679).

De tekst van Homburg vertoont verwantschap met eerdere gezangen uit die tijd. De eerste strofe, met de uitdrukking "Jesu, meines Lebens Leben", lijkt te zijn geïnspireerd door een gezang van Johann Rist uit 1642. Ook de uitdrukking "meines Todes Tod" komt voor in eerdere werken, zoals een gezang van Simon Dach uit 1648. Homburg heeft dus bestaande religieuze uitdrukkingen samengevoegd tot een nieuw, krachtig geheel.

De structuur van Homburgs lied is opvallend consequent. Met uitzondering van de laatste strofe, bestaan alle strofen uit drie delen: het eerste deel beschrijft het lijden van Christus, het tweede deel legt de betekenis van dit lijden voor de gelovige uit, en het derde deel vormt het vaste refrein: "Tausend, tausendmal sey dir, / Liebster Jesu, Danck dafür." Deze strofenstructuur wordt wel in verband gebracht met een gebedenboek van Johann Arndt uit 1612, "Paradiesgärtlein", hoewel Arndts tekst in de wij-vorm is geschreven, terwijl Homburg de ik-vorm hanteert.

Het lied is in de loop der tijd breed verspreid geraakt en ook in Nederland bekend geworden. Een vroege Nederlandse vertaling verscheen in 1773 in de bundel "Lofzangen en geestelijke liederen der verenigde evangelische broedergemeente". Latere vertalingen volgden, waaronder die van Emanuel Weisz (1830-1908) in vier strofen. Deze vertaling verscheen onder andere in de bundel van Johannes de Heer (1905) en later in de "Hervormde Bundel 1938". De tekst van Weisz, waarin de relatie tussen Jezus en de individuele gelovige centraal staat, maakt gebruik van de ik-vorm: "Jezus, leven van mijn leven, / Jezus, dood van mijnen dood."

Een latere vertaling, door Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995), telt zes strofen en neemt de wij-vorm over uit de Lutherse bundel van 1955. Schulte Nordholts vertaling verscheen voor het eerst in de "Honderdnegentien gezangen van de Gereformeerde Kerken in Nederland" (1965). Hij behield de kenmerkende strofenstructuur van Homburg, waarbij de woorden "Gij" en "U" in het eerste deel van de strofen voorkomen, "wij" en "ons" in het tweede deel, en het refrein luidt: "Duizend, duizendmaal, o Heer, / zij U daarvoor dank en eer."

Schulte Nordholt merkte op dat het refrein met "duizend, duizendmaal" hem persoonlijk wat veel was, maar liet zich overtuigen door de commissie om de oorspronkelijke "extase" van Homburg te behouden. Een opvallende uitzondering in zijn vertaling is de laatste regel, waar hij terugkeert naar de ik-vorm.

illustratie van een hand die een oud liedboek vasthoudt

Inhoud en betekenis

Het lied kan beschouwd worden als een uitgebreid dankgebed, waarin de gelovige reflecteert op het lijden en sterven van Jezus Christus en de betekenis daarvan voor het eigen leven.

Deel per deel analyse

Eerste strofe: Algemene karakterisering van het lijden

De eerste strofe geeft een algemene beschrijving van het lijden van Jezus. Hij gaf zichzelf voor de gelovigen en moest sterven om hen te bevrijden. Dit resoneert met de Bijbelse tekst Galaten 2:20: "Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven."

Strofen 2-5: Verwijzingen naar het lijdensverhaal

De daaropvolgende strofen verwijzen specifiek naar het lijdensverhaal, met name zoals beschreven in het Evangelie volgens Matteüs:

  • Strofe 2 memoreert de vernederingen die Jezus onderging, zoals beschreven in Matteüs 26:67.
  • Strofe 3 herinnert aan de kruisiging en Jezus' verlatenheid aan het kruis (Matteüs 27:46-50).
  • Strofe 4 bevat de regel "Als een worm zijt Gij vertreden", die doet denken aan Psalm 22:7: "Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht."
  • Strofe 5 verwijst in de eerste twee regels naar Matteüs 27:29-31, de passage over de doornenkroon en de rietstok die Jezus kreeg aangereikt. Regel 3, "bij de moordenaars gerekend", refereert aan Matteüs 27:38, waar Jezus tussen twee misdadigers werd gekruisigd.

Laatste strofe: Samenvatting en dankbaarheid

De laatste strofe neemt de algemene toon van de eerste strofe weer op en vat de betekenis van Jezus' lijden samen in dankbare bewoordingen.

Jan Willem Schulte Nordholt concludeerde dat het lied, hoewel niet altijd zeer oorspronkelijk, een "waardige oprechtheid" bezit en "goed opgebouwd" is, met een subtiele overgang van lijden naar verlossing in elke strofe.

illustratie van de kruisiging van Jezus

Melodie

De melodie van het lied verscheen voor het eerst in 1661 in de bundel "Voll-ständiges Gesang-Buch / in welchem nicht allein di gewohnliche alte Kirchen-Lider / sondern auch vihl neue / nüzliche Gesänge / auf mancherlei Fälle zu befinden". De melodie werd destijds afgedrukt met een discantus en een bassus, wat de basis vormde voor de harmonisatie.

De componist van de melodie was Wolfgang Wessnitzer (1629-1697), een organist uit Celle. Hoewel zijn naam niet expliciet in de bundel werd vermeld, is bekend dat hij de melodieën voor deze uitgave heeft geredigeerd. De melodie is geschreven in de Barvorm (A-A-B), waarbij de eerste twee regels (1-2 en 3-4) de Stollen of Aufgesang vormen, en de laatste regels (5-8) de Abgesang.

De melodie kenmerkt zich door een overwegend gelijkmatig verloop, met kwartnoten en enkele halve noten. Een bijzondere nadruk krijgt het woord "dank" door een gepuncteerde kwartnoot gevolgd door een achtste noot aan het einde. De melodie is rustig van aard, met stapsgewijze bewegingen en toonherhalingen aan het begin van diverse regels.

Een specifieke eigenschap is dat regel 1 en 3 slechts een kwart beslaan, terwijl regel 2 en 4 aan het einde moduleren naar de dominant. Dit is opmerkelijk voor die periode, aangezien modulaties in Barvorm-melodieën vaker in de Abgesang plaatsvonden.

Regel 5 bereikt de sext en regel 6 het octaaf van de tonica, wat het woord "bevrijden" extra glans verleent. Regel 6 is een herhaling van regel 2, maar dan een kwart hoger. Een andere bijzonderheid is dat regel 5 eindigt op de subdominant g', wat mogelijk heeft geleid tot variaties op de melodie. Zo werd regel 5 aangepast, en ook regel 6 en 8 kenden wijzigingen, waarbij de gepuncteerde kwart aan het einde van regel 8 verviel. Deze "verbasteringen" werden populair via de bundels "Oude en Nieuwe Zangen" van Maria van Woensel Kooy en de "Hervormde Bundel 1938".

Dietrich Buxtehude componeerde een cantate op de tekst van dit lied, waarbij hij gebruik maakte van een steeds herhalende baslijn (passacaglia).

Ik wil zingen van mijn Heiland - Christelijk Waddinxveens Mannenkoor De Gouwestem

Liedbundel vermeldingen

Het lied is te vinden in de volgende veelgebruikte liedbundels:

  • Gereformeerd Kerkboek, Gezang 89
  • Op Toonhoogte, 2015, gezang 119

Mogelijk staat het ook in andere liedbundels.

tags: #you #tube #zang #dank #mijn #heiland