De Geneefse Psalmen: Een Historische Ontwikkeling van Kerkmuziek

Inleiding tot de Geneefse Psalmen

De Geneefse psalmen vertegenwoordigen een monumentale bijdrage aan de kerkmuziek, voortgekomen uit de Reformatie in de 16e eeuw. Deze berijmingen van de 150 psalmen werden gecreëerd met het doel de gemeentezang in de kerken te bevorderen. De verzameling van deze 150 psalmen staat bekend als de Geneefse psalter, waarbij 'psalter' verwijst naar het complete werk.

Vóór de Reformatie was het gebruikelijk dat psalmen in kerkdiensten voornamelijk door een koor werden gezongen. De veranderingen die met de Reformatie gepaard gingen, brachten hierin een significante verschuiving teweeg.

Het zingen van psalmen in de eredienst heeft een lange traditie, die ook in het hedendaagse kerkelijk Nederland nog springlevend is. Veel kerkgangers zingen nog steeds de psalmen, al dan niet in ritmische varianten. De traditie van psalmen zingen, die meer dan 400 jaar oud is, heeft nog niets aan kracht ingeboet.

Johannes Calvijn, een sleutelfiguur in de Reformatie, wordt gezien als de initiator van het zingen van berijmde psalmen in de eredienst. Hoewel de hedendaagse Nederlandse berijmingen uit 1773 mogelijk niet meer direct lijken op de oorspronkelijke versies van Calvijn, zijn de melodieën vaak ongewijzigd gebleven. Het 'Geneefse Psalter' verwijst naar de 150 psalmmelodieën, waarvan het grootste deel in Genève is ontstaan. Calvijn, Genève en de psalmen zijn daardoor onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Het beeld van Calvijn als een muziekliefhebber wordt soms genuanceerd. In tegenstelling tot Maarten Luther, die bekend stond om zijn liefde voor muziek en zijn bijdragen aan kerkmuziek, wordt Calvijn soms afgeschilderd als een meer terughoudende figuur. Dit beeld is echter te eenzijdig. Hoewel Calvijn minder toestond in de eredienst dan Luther, had hij daar specifieke redenen voor die niets te maken hadden met een gebrek aan kunstzinnigheid. Luther kende muziek uit eigen ervaring met zingen, spelen en componeren, terwijl Calvijn de muziek meer van 'horen zeggen' kende.

Calvijn speelde vooral een belangrijke organisatorische rol in het tot stand komen van de berijming en toonzetting van de psalmen. Dit artikel beoogt een historisch-bezinnende oriëntatie op dit onderwerp te bieden.

Historische Ontwikkeling van de Liturgie bij Calvijn

De Vroege Jaren en de Invloed van Straatsburg en Bazel

Om de ontwikkeling van Calvijns visie op liturgie en psalmen zingen te begrijpen, is het essentieel om eerst te kijken naar de liturgische praktijken waarmee hij in aanraking kwam tijdens zijn bekering tot de Reformatie. Ook is een kort historisch overzicht van de daaropvolgende ontwikkelingen relevant.

Na zijn vlucht uit Parijs reisde Calvijn via Straatsburg en Bazel naar Genève. Bij zijn aankomst in Straatsburg in 1534 maakte hij kennis met de liturgie van de Duitstalige gemeente. Deze liturgie was gebaseerd op de vroegchristelijke traditie, met een grote nadruk op zowel de prediking als het heilig avondmaal, en bood ruimte voor gemeentezang.

In 1535 kwam Calvijn in Bazel in aanraking met een totaal andere liturgische vorm, waarin de prediking centraal stond. De viering van het heilig avondmaal kon hieraan toegevoegd worden, maar de rol van de gemeente was minimaal en gemeentezang was nauwelijks aanwezig.

In juli 1536 arriveerde Calvijn in Genève. Hoewel hij oorspronkelijk van plan was er slechts kort te verblijven, bleef hij er na aandringen van Guillaume Farel. Farel had voor de gemeente in Genève een orde van dienst opgesteld die sterk leek op de liturgie in Bazel, met een zeer beperkte rol voor de gemeente en zonder gemeentezang. De nadruk lag hier volledig op de Woordbediening, geleid vanaf de kansel.

Calvijns Verblijf in Straatsburg en de Ontwikkeling van Gemeentezang

Calvijn sloot zich aanvankelijk aan bij de bestaande situatie in Genève, hoewel deze hem niet beviel. Het beperkte aandeel van de gemeente was voor hem een belangrijke reden om de liturgie te willen verbeteren. Helaas kreeg Calvijn niet veel tijd om zijn ideeën te realiseren; in april 1538 werd hij uit de stad gezet.

Na omzwervingen kwam hij opnieuw terecht in Straatsburg, waar hij predikant werd van de Franse vluchtelingengemeente. In Straatsburg maakte Calvijn kennis met de Lutherse praktijk van gemeentezang en de Duitse bewerkingen van psalmen door Maarten Luther en anderen. Dit gebruik nam Calvijn over in zijn eigen gemeente, waarvoor hij onder meer gebruik maakte van berijmingen van de Franse dichter Clément Marot.

In 1539 gaf Calvijn een eerste psalmbundel uit, getiteld Aulcuns Pseaulmes et cantiques mys en chant. Deze bundel bevatte 22 psalmen en gezangen, waaronder de Tien Geboden, de Lofzang van Simeon en de apostolische geloofsbelijdenis. Van de psalmen 25 en 46 is vastgesteld dat de berijmingen van Calvijns hand waren, terwijl dertien psalmen van Clément Marot afkomstig waren.

De gemeente in Straatsburg was waarschijnlijk een van de eerste die gemeentezang in de volkstaal invoerde, vermoedelijk geleid door een voorzanger. De cantores (leiders van de gemeentezang), Matthias Greiter en Wolfgang Dachstein, waren verantwoordelijk voor de berijmingen en melodieën. Matthias Greiter componeerde bijvoorbeeld de melodie voor psalm 68.

Toen Calvijn in 1538 opnieuw in Straatsburg arriveerde, trof hij deze situatie aan. Zijn eigen nieuwe gemeente, bestaande uit Franse vluchtelingen, bevond zich in een volstrekt lege situatie. Calvijn moest alles vanaf de grond opbouwen, inclusief de liturgie. Een van zijn eerste activiteiten was het ontwikkelen van materiaal voor de gemeentezang. Slechts enkele weken na aanvang van zijn werk als predikant zongen de Franse vluchtelingen al liederen in hun eigen taal. Dit illustreert hoe belangrijk Calvijn het zingen tijdens de dienst achtte.

De Herkomst van het Materiaal en de Ontwikkeling in Genève

Terugkeer naar Genève en de Samenwerking met Marot

In 1541 werd Calvijn dringend verzocht terug te keren naar Genève. Na enige aarzeling keerde hij op 13 september van dat jaar terug in de stad en hervatte zijn werk, waarbij zijn eerste preek over hetzelfde Bijbelgedeelte ging als drie jaar eerder.

Bij zijn terugkeer werd er tijdens de kerkdiensten nog steeds niet gezongen. Calvijn bracht hier, net als in Straatsburg, snel verandering in. Hij nam zijn eigen bundel uit Straatsburg mee, maar streefde naar een complete psalmberijming. Hiervoor haalde hij Clément Marot naar Genève, die in november 1542 arriveerde.

Helaas bleef de productiviteit van Marot beperkt tot 49 liederen. Na zijn dood in 1544 bleef Calvijn achter met een onvoltooide bundel. In oktober 1548 kwam Théodore de Bèze naar Genève. De gemeentezang die hij daar hoorde, maakte diepe indruk op hem, en geïnspireerd begon hij zelf psalmen te berijmen. Dit leidde uiteindelijk tot verdere samenwerking met Calvijn. In 1562 waren alle 150 psalmen berijmd.

De Componisten en de Melodieën van het Geneefse Psalter

Voor een goede gemeentezang is een passende melodie essentieel. In Straatsburg gebruikte Calvijn bestaande melodieën, terwijl hij in Genève componisten als Gérard Franc, Louis Bourgeois en Pierre Dagues opdracht gaf melodieën te componeren.

Over het ontstaan van deze melodieën bestaan verschillende theorieën:

  • De Contrafactentheorie: Deze visie stelt dat componisten hun materiaal ontleenden aan populaire volksliedjes uit die tijd. De melodieën van het Geneefse liedboek zouden dan bewerkingen zijn van volksliedjes. Deze opvatting ontstond al in de 16e eeuw als onderdeel van antiprotestantse propaganda, maar is inmiddels achterhaald.
  • Nieuwe Compositie en Invloed van Gregoriaans: Een andere opvatting gaat ervan uit dat sommige psalmmelodieën afkomstig zijn van het Gregoriaans en Latijnse hymnen, terwijl een groot aantal melodieën nieuw gecomponeerd is.

De eerste visie, die stelde dat de melodieën gebaseerd waren op volksliedjes, is volledig achterhaald. Voor de melodieën van het Geneefse psalter werd niet geput uit de wereldlijke bron van troubadours en minstrelen. Componisten gebruikten onder andere melodieën uit de rijke traditie van de kerkmuziek en componeerden daarnaast nieuwe melodieën.

Er zijn diverse argumenten die de tweede visie ondersteunen:

  • De psalmen zijn, net als het Gregoriaans en de Latijnse hymnen, bedoeld voor eenstemmig gebruik.
  • Sommige psalmmelodieën zijn duidelijk afgeleid van het Gregoriaans, zoals psalm 80 (bewerking van 'Victimae Paschali Laudes') en psalm 141 (verwantschap met 'Conditor alme siderum').
  • De psalmen missen de kenmerken van bewerkte volksliedjes, zoals dansritmes, snelle versieringen of expressieve toonsafstanden. Ze bezitten 'Poids et Majesté', gewicht en majesteit.
  • Het toonmateriaal van de psalmen is gebaseerd op de kerktoonsoorten (dorisch, frygisch etc.), net als het Gregoriaans en de Latijnse hymnen. Dit wijst op een bewuste keuze om de band met het verleden te behouden.
  • De Geneefse psalmen worden beschouwd als echte kunstwerken.
  • Calvijn wilde in zijn melodiekeuze vasthouden aan de synagogale zang, waarvan elementen terug te vinden zijn in het Gregoriaans.

Het is belangrijk op te merken dat de melodieën van het Geneefse psalter niet, zoals soms in Nederland wordt gedacht, gebaseerd zijn op volksliedjes uit die tijd. Dit misverstand ontstaat soms door verwarring met de Souterliedekens, waar dit wel het geval was.

De Visie van Calvijn op Kerkmuziek en Gemeentezang

Calvijn was vrij duidelijk over zijn visie op kerkmuziek. In een artikel over de organisatie van de eredienst schreef hij: "Voor de opbouw van de gemeente is het een zeer dienstige zaak enkele psalmen te zingen bij wijze van openbare gebeden, waardoor men zijn lofverheffingen zingt, opdat de harten van allen mogen worden bewogen en aangespoord om soortgelijke gebeden te maken en dergelijke lofprijzingen en dankzeggingen met eenzelfde toewijding tot God te richten."

Hij benadrukte de tweeledige aard van muziek: woord (inhoud) en gezang (melodie). Hoewel slechte teksten de zeden kunnen verstoren, wordt het hart door muziek veel sterker geraakt en dringen de woorden dieper door. Daarom zijn liederen nodig die niet alleen eerlijk, maar ook heilig zijn, en die ons aansporen God te bidden, te loven en Zijn werken te overdenken.

Gemeentezang en muziek tijdens de eredienst hadden volgens Calvijn de volgende doelen:

  1. De opbouw van de gemeente.
  2. Openbaar gebed.
  3. Lofprijzing en dankzegging tot God.

Calvijn kende een grote waarde toe aan de combinatie van tekst en melodie. Een gezongen tekst wordt beter onthouden en heeft meer uitwerking. Cruciaal was dat de inhoud strookte met Gods Woord. Calvijn gebruikte voornamelijk het Oude Testament, en met name de psalmen, als bron voor liederen. Hij stelde dat de psalmen van David, die door de Heilige Geest waren gedicteerd, de meest geschikte liederen waren om te zingen, omdat ze ons ervan verzekeren dat God Zelf de woorden in onze mond legt.

De belangrijkste redenen voor Calvijns voorkeur voor het zingen van de psalmen waren:

  • Liederen moeten zo getrouw mogelijk het Woord van God doorgeven.
  • De psalmen zijn hier het meest geschikt voor en houden de band met de kerk van het Oude Testament vast.
  • Het geloof van de kerk der eeuwen moet erin doorklinken.

Dit betekent niet dat Calvijn uitsluitend psalmen wilde zingen. Wel hechtte hij eraan dat de tekst van het lied direct uit de Bijbel genomen was of daarop gegrond moest zijn. Andere Bijbelgedeelten waren dus ook geschikt voor gemeentezang.

De Praktijk van het Zingen in de Eredienst

De praktijk van het zingen in de eredienst kende specifieke kenmerken. Het zingen gebeurde a capella, en het orgel werd uit de kerk geweerd. Calvijn was van mening dat meerstemmigheid de verstaanbaarheid van de tekst kon belemmeren. Daarom werd er in Genève overwegend eenstemmig gezongen.

Meerstemmige muziek, hoewel niet in de eredienst zelf, heeft wel veel componisten geïnspireerd tot het schrijven van composities gebaseerd op de Geneefse melodieën. Deze composities behoren echter niet tot de kerkmuziek in de strikte zin van het woord.

Aanvankelijk werd het gebruik van de psalmen in Genève volgens een rooster bekendgemaakt, zowel bij de ingang van de kerken als later in de psalmboeken. Uit het overzicht in de eerste complete editie van 1562 blijkt dat alle 150 psalmen in een half jaar werden gezongen, verdeeld over drie kerkdiensten per week: twee op zondag en één op woensdag. Er was een voorkeur voor boetepsalmen op woensdag en lofpsalmen op zondag.

De Geneefse Psalmen in Nederland

Vroege Nederlandse Berijmingen

Al vóór de Reformatie bestonden er Nederlandstalige berijmingen van de psalmen. Een voorbeeld hiervan is "Die Delftsche Souter" uit 1480 (waarbij 'souter' een oud woord is voor psalter, het geheel van de 150 psalmen).

In 1540 verscheen een bundel psalmberijmingen op melodieën van bekende volksliedjes, waarschijnlijk van de hand van Willem van Zuylen van Nijevelt. In 1565 publiceerde Lukas d'Heere een bundel met circa 50 psalmberijmingen. Johannes Wtenhove van Ghendt bracht in 1566 De Psalmen Davidis in Nederlandischen Sangrijme uit in Londen.

In 1580 verscheen een complete vertaling van Filips van Marnix van Sint-Aldegonde. De psalmberijmingen van Petrus Datheen zijn een vertaling van de Franse psalmberijmingen van Clément Marot en Théodore de Bèze. Datheen zelf omschreef zijn berijming als "met grooten haast gemaakt en hem schier als een ontijdige geboorte afgedrongen".

Datheens psalmen werden al gezongen bij de grote hagenpreek van 23 juli 1566 bij Gent en verkregen sindsdien een snel groeiende populariteit. Van 1566 tot 1773 vormde de psalmberijming van Datheen de belangrijkste psalmberijming in Nederland. Vanwege de stijl en de niet-melodieuze vorm stond Datheens berijming al vanaf het begin onder kritiek. Desondanks duurde het tot 1773 voordat een nieuwe berijming, de zogenaamde staatsberijming, werd ingevoerd.

De Staatsberijming van 1773 en Latere Ontwikkelingen

In de 18e eeuw groeide de weerstand tegen de verouderde berijming van Datheen. Na enig tumult werd in 1773 een nieuwe berijming ingevoerd, tot stand gekomen door Johannes Eusebius Voet, het dichtersgezelschap Laus Deo Salus Populo en Hendrik Ghysen. Tegelijkertijd was de gewoonte ingeslopen om de psalmen uiterst langzaam op noten van gelijke lengte te zingen (iso-ritmisch zingen). In sommige streken werden hierop geïmproviseerde versieringen gezongen, de zogenaamde draai-ommetjes.

Met de nieuwe berijmingen wilde men deze gewoonten tegengaan. De weerstand hiertegen is het onderwerp van de roman Het psalmenoproer van Maarten 't Hart.

Pas in 1938 kwam er verandering met de invoering van de Psalmen- en Gezangenbundel van de Nederlandse Hervormde Kerk. Echter, de berijmingen uit 1773 hielden geen rekening met de ritmiek van de Geneefse psalmen, wat leidde tot de behoefte aan nieuwe berijmingen.

In 1968 kwam een nieuwe berijming gereed door een collectief van dichters, waaronder Martinus Nijhoff, Willem Barnard en Ad den Besten. Deze vertaling werd opgenomen in het Liedboek voor de Kerken, dat in 1973 werd uitgegeven en in het grootste deel van de protestantse kerken in Nederland wordt gebruikt.

Hedendaagse Initiatieven en Nieuwe Berijmingen

In de afgelopen decennia zijn er diverse initiatieven geweest om de psalmen in eigentijdse taal toegankelijk te maken:

  • De Nieuwe Psalmberijming (DNP): Een initiatief van Stichting Dicht bij de Bijbel, tot stand gekomen in 2021 in hedendaags Nederlands, vanuit de grondtaal, met betrokkenheid van neerlandici en theologen.
  • Klassiek Eigentijdse Psalmberijming: Ontwikkeld door dichters en musici uit de gereformeerde gezindte, vanuit de overtuiging dat deze gemeenschap behoefte heeft aan een nieuwe psalmberijming. Veel kerken binnen de gereformeerde gezindte gebruiken nog steeds de berijmingen uit 1773.
  • Psalmen voor Nu: Een berijming op muziek die doet denken aan popmuziek.
  • Herziening van 1773: Diverse projecten, zoals de herziening door dr. E. Hofman, beogen de taal van de berijming uit 1773 te moderniseren.
  • Levensliederen: Een collectie van psalmen met een moderne insteek.

Deze nieuwe berijmingen worden in verschillende kerkverbanden gebruikt, waaronder de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK), de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV), de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) en de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Echter, niet alle initiatieven zijn kerkelijk getoetst of door een synode vrijgegeven.

De diversiteit aan gebruikte berijmingen leidt tot discussies binnen kerkelijke gemeenten over de eenheid en de te hanteren liturgische normen. Sommigen zien dit als een "brevet van onvermogen", terwijl anderen de ruimte voor nieuwe berijmingen waarderen vanwege de toegankelijkheid en verstaanbaarheid, vooral voor jongere generaties.

De Melodieën van het Geneefse Psalter: Kenmerken en Herkomst

De melodieën van het Geneefse psalter vertonen een opvallend homogene verzameling. Ze hebben een omvang van hooguit één octaaf, met uitzondering van enkele melodieën. Er zijn 124 melodieën voor de 150 psalmen, waarbij sommige melodieën meerdere keren voorkomen.

Herkomst van de Melodieën:

Hoewel lange tijd werd aangenomen dat de melodieën teruggingen op wereldlijke voorbeelden, met name chansonmelodieën, is dit door recenter onderzoek achterhaald. Onderzoekers als Emmanuel Haein en Pierre Pidoux hebben aangetoond dat een aantal melodieën een hymne- of sequensmelodie als voorbeeld had. Soms werden hele melodieën overgenomen, soms slechts melodiefragmenten.

Enkele bekende voorbeelden zijn:

  • Melodie van psalm 80, teruggaande op de paassequentie Victimae Paschali Laudes.
  • Melodie van psalm 141, verwant aan de hymne Creator Alme Siderum.

Naast melodieën die op bestaande voorbeelden zijn gebaseerd, zijn er ook originele composities. Overeenkomsten tussen psalmmelodieën en fragmenten uit het Gregoriaans berusten waarschijnlijk op het feit dat de componisten, gevormd door het Gregoriaans, onbewust citeerden.

De Rol van de Kerktoonsoorten en Notatie

De keuze van een modus, vaak 'kerktoonsoort' genoemd, was bij sommige melodieën ingegeven door de tekst. De componisten maakten gebruik van de kerktoonsoorten, wat wijst op een bewuste keuze om de band met het verleden te behouden.

De notatie van de melodieën evolueerde door de jaren heen. De eerste uitgave van 1539 gebruikte notenwaarden als brevis en semibrevis, met verticale strepen om regels te scheiden. De uitgave van 1542 introduceerde semibrevis en minima, met rusten aan het einde van de regels en een mensuurteken voor het tempus imperfectum diminutum, wat duidt op een tempo van ongeveer MM 72.

Dit beeld van de notatie bleef bewaard in latere Geneefse psalmboeken tot 1562. Er werd aandacht besteed aan een nauwkeurige uitvoering van tactus en rusten, soms zelfs afwijkend van de standaardnotatie wanneer de tekst daarom vroeg.

Internationale Verspreiding en Invloed

Het Geneefse psalter verspreidde zich voornamelijk binnen de calvinistisch georiënteerde kerken. In Duitsland wordt het complete Geneefse psalter gebruikt door de Evangelisch Reformierte Kirche en is het opgenomen in het Liedboek voor de Kerken. Enkele Geneefse psalmen zijn ook terug te vinden in het algemene liedboek van de protestantse kerken in Duitsland, het Evangelisches Gesangbuch.

Oorspronkelijk gebruikte men in Duitsland de in 1573 gepubliceerde vertaling van Ambrosius Lobwasser. Een opmerkelijk liedboek is de in 1582 gepubliceerde bundel Psalmen Davids in allerlei Teutsche Gesangreimen van de katholieke priester Caspar Ulenberg. De melodieën in deze psalter zijn direct uit het Geneefse psalter overgenomen of bewerkingen daarvan.

De Geneefse psalmen hebben ook componisten buiten de eredienst geïnspireerd. Bekend zijn de vierstemmige koorzettingen en motetten van Claude Goudimel, evenals composities van Claude Lejeune, Clément Janequin en Paschal de l'Estocart. Jan Pieterszoon Sweelinck schreef orgelvariaties en meerstemmige psalmmotetten, en Anthonie van Noordt componeerde orgelcomposities over deze melodieën.

Orlando di Lasso maakte samen met zijn zoon Rodolpho driestemmige bewerkingen van de psalmen van Caspar Ulenberg. De tot de islam bekeerde Pool Wojciech Bobowski paste enkele psalmen aan het Turkse muzieksysteem aan.

schematische weergave van de ontwikkeling van de Geneefse psalmen door de eeuwen heen

De Geneefse Psalmen in het Oud-Katholiek Gezangboek

Het Oud-Katholiek Gezangboek (1990) bevat diverse melodieën die ontleend zijn aan het zogenaamde Geneefse Psalter. Dit betreft bewerkte teksten van de Psalmen, die in het Oud-Katholiek Kerkboek (1993) in onberijmde versie voorkomen, of liederen waarvan de melodie aan het Geneefse Psalter is ontleend.

illustratie van een oude muziekschrift met psalmmelodieën

De Betekenis van de Geneefse Psalmen voor de Hedendaagse Kerk

De Geneefse psalmen blijven een levende traditie. Verschillende initiatieven, zoals De Nieuwe Psalmberijming (DNP), streven ernaar de psalmen in eigentijdse taal toegankelijk te maken voor nieuwe generaties. Deze projecten benadrukken het belang van het behoud van de psalmen als een rijke bron van geloof en aanbidding.

Het zingen van psalmen verbindt gelovigen met een eeuwenoude traditie en biedt een manier om uitdrukking te geven aan de hoogten en diepten van het geloofsleven.

tags: #zending #gkv #geneefse #meldoien #psalmen