Inleiding
Dit document bevat een analyse van verschillende cantates van Johann Sebastian Bach, met specifieke aandacht voor BWV 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9. De cantates zijn gecomponeerd in de periode 1724-1740 en zijn gebaseerd op koraalteksten van diverse auteurs, waaronder Martin Luther, Paul Speratus en Caspar Neumann. De teksten behandelen thema's als Gods afkeer van de mens, de troost en steun in tijden van nood, de betekenis van de doop, de angst voor de dood en de zekerheid van Gods trouw.

Analyse van de Cantates
BWV 2 - Ach Gott, vom Himmel sieh darein
Deze koraalcantate werd door Bach gecomponeerd in 1724 voor de tweede zondag na Trinitatis. De tekst is gebaseerd op Martin Luthers versie van psalm 12, waarin de klacht wordt weergegeven over het afkeren van de mens van God.
Het openingskoor heeft de klassieke vorm van een cantus-firmusmotet. De hoofdmelodie wordt in lange notenwaarden gezongen door de altstem, terwijl de overige drie koorstemmen na elkaar inzetten met dezelfde melodie in kortere notenwaarden. De instrumenten uit het orkest spelen de koorstemmen letterlijk mee (colla parte), met uitzondering van de baspartij, die, los van de koorbassen, een zelfstandige basso continuopartij heeft.
In het tenorrecitatief worden twee tekstgedeelten die uit het koraal afkomstig zijn aangegeven met ‘adagio’. In tegenstelling tot de gebruikelijke losse begeleidingsakkoorden laat Bach hier de instrumentale baslijn in een eigen ritme meelopen (arioso).
In de altaria ‘Tilg, o Gott, die Lehren’ maakt Bach gebruik van de ‘moderne’ concertante stijl. De soloviool beweegt zich in een virtuoze lijn, afwisselend alleen of samen met de altsolist. In het middendeel ‘trotz dem der uns will meiden’ citeert de altstem een fragment uit de derde strofe van de koraalmelodie.
Het basrecitatief is een ‘recitativo accompagnato’, begeleid door het strijkorkest. Opvallend is de tegenstelling in de tekst van het eerste en tweede gedeelte. Muzikaal maakt Bach gebruik van het arioso bij het tweede gedeelte (‘Darum spricht Gott: ..’). Hierdoor wordt het tekstcontrast (‘angstlich Klagen’, ’Kreuz und Not’ aan de ene kant, en ‘heller Sonnenschein’ en ‘mein heilsam Wort’ aan de andere) ook muzikaal uitgedrukt.
De laatste aria ‘durchs Feuer wird das Silber rein’ is voor tenor en strijkorkest met hobo. De opbouw van de muzikale zinnen is zeer regelmatig: telkens groepen van vier of twee maten die een eenheid vormen. Het middendeel van de aria (‘Drum soll ein Christ...’), waarin de solist enkel wordt begeleid door het continuo, eindigt in een adagiotempo, om extra betekenis te geven aan: ‘in Kreuz und Not geduldig sein’.
BWV 3 - Ach Gott, wie manches Herzeleid
Deze koraalcantate is gecomponeerd voor de 2e zondag na Epifanie. De tekst heeft weinig relatie met het evangelie voor deze zondag, namelijk de bruiloft te Kana. Als uitgangspunt nam Bach het lied ‘Jesu dulcis memoria’ van Martin Moller uit 1587, waarin Jezus wordt bezongen als troost en steun in tijden van nood.
Het openingskoor is een indrukwekkend voorbeeld van een klaaglied. De twee hobo’s hebben hierin een belangrijk aandeel; het strijkorkest begeleidt hen en speelt mee met de koorpartijen. Bach gebruikt ter verduidelijking van het klagend karakter de volgende twee compositietechnieken: in het hoofdthema komt een dalende chromatische (met halve toonsafstanden) reeks naar voren. In de koorpartij is dit te horen op de volgende tekstdelen: ‘Ach Gott, wie manches Herzeleid’. Ten tweede komt in de eerste vioolpartij de zogenoemde Seufzer-figuur voor: een dalend tweetoonsfiguur, waarvan de eerste toon een dissonant en de tweede de oplossing vormt.
De cantus-firmus, op de melodie van ‘O Jesu Christ, meins Lebens Licht’, wordt door de bassen gezongen, met ondersteuning van de trombone.
Aan het eerste recitatief nemen alle vier de solostemmen deel; de afzonderlijke solo-fragmenten worden gescheiden door een vierstemmige koraalfrase van het koor. Het continuo (cello en orgel) maakt met een kort motief de verbinding tussen deze gedeelten.
In de hierop volgende bas-aria maakt Bach weer volop gebruik van de chromatiek. In de, slechts door continuo begeleide, solopartij treffen we grote contrasten aan in de tekst: ‘Höllenangst und Pein’ tegenover ‘Freudenhimmel’, en ‘Schmerzen’ tegenover ‘leichter Nebel’. Worden de eerste uitgedrukt met chromatiek en één noot per lettergreep of woord (syllabisch), in de positieve contrasten gebruikt Bach meer melodische frasen en meerdere noten per lettergreep (melismatisch).
Het tenorrecitatief bezingt de liefde tot en het vertrouwen in Jezus. De volgende aria in de vorm van een duet voor sopraan en alt wordt begeleid door continuo. De solostemmen vinden hun evenknie in violen en hobo’s, die de inleiding voor hun rekening nemen. Opvallend bij het begin van deze inleiding is het complementaire ritme van beide orkestgroepen: afwisselend speelt bij een lange noot van de ene, de andere kortere noten. Het lamento-karakter uit de eerste cantatedelen heeft plaatsgemaakt voor het opgewekte ‘will ich in Freudigkeit zu meinem Jesu singen’. Het contrast in deze da capo-aria (A-B-A-vorm) vormt de tekst in het B-gedeelte: ‘mein Kreuz hilft Jesu tragen’. Hierin herkennen we de Seufzer-figuren uit het openingsdeel.
BWV 5 - Wo soll ich fliehen hin
De cantate uit 1724 is gebaseerd op een kerklied uit 1630 van Johann Heermann. De oorspronkelijke melodie en tekst gebruikte Bach in het openingskoor en in het slotkoraal. In de tussenliggende cantatedelen zijn de tekststrofen voor de cantate bewerkt.
Het openingskoor heeft de bekende opbouw waarbij de koraalmelodie wordt gezongen door de sopranen, versterkt door de trompet. De overige koorstemmen ondersteunen deze hoofdstem met beweeglijkere stemmen. Tussen de koorgedeelten speelt het orkest motieven, die voortkomen uit deze begeleidende koorstemmen. Het gemeenschappelijke kenmerk van koraalmelodie en begeleidende stemmen is de eenvoudige stijgende opeenvolging van tonen, alsook de omkering hiervan (dalend).
Dan volgt het basrecitatief waarbij de tekst wordt ondersteund met losse akkoorden van het basso continuo (cello, bas en orgel).
In de tenoraria valt de vloeiende melodie van de soloviool op. Een doorlopende stroom van zestiende noten verbeeldt hier de goddelijke bron. Als de tenor deze loopjes overneemt is zijn tekst ‘ergiesse’ en ‘Strömen’.
In de as van deze cantate staat het altrecitatief. Zoals gebruikelijk ook nu begeleid met de akkoorden van het continuo. Maar uitzonderlijk is nu dat de koraalmelodie hierboven wordt gespeeld door de hobo. Hiermee slaat de toon van de cantate om van zonden en bloed, naar troost en bescherming door de heiland.
Als spiegelbeeld van de eerste drie delen volgt hierna een aria. Met als tempoaanduiding ‘vivace’ (levendig) begeleiden strijkers, hobo en een virtuoze trompetpartij de bassolist.
BWV 6 - Bleib bei uns, denn es will Abend werden
De tekst uit het openingsdeel is uit het Lukasevangelie voor de tweede paasdag genomen, waarin de twee mannen op weg naar Emmaüs Jezus tegenkomen. In de tekst staat het licht als symbool voor het christelijk geloof. In de cantate gebruikte Bach twee koraalmelodieën: in deel drie de Duitse versie van ‘Vespera iam venit’ uit 1579 van Philipp Melanchton, en in het slotdeel een strofe uit het Lutherlied ‘Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort’.
In het openingsdeel is het orkest in drie lagen geïnstrumenteerd: drie hobo’s beginnen met het thema dat later door het koor wordt gebruikt. De violen begeleiden dit, en het continuo (fagot, cello, contrabas en orgel) zorgen voor het harmonisch fundament. Na het in gedragen tempo in driekwartsmaat volgt een sneller (andante) gedeelte. De koorstemmen zetten na elkaar in waarbij steeds één stem ‘bleib bei uns’ in lange notenwaarden zingt.
De blazers en de strijkers vormen nu één groep. Als afsluiting zingen alle stemmen unisono ‘bleib bei uns’. Hierna keert het driedelige, langzame begin terug.
De alt-aria wordt ingeleid door de hobo da caccia met een thema waarin het ‘hochgelobter’ letterlijk is gecomponeerd door een stijgende melodie aan het begin. In de altlijn daalt de melodie bij het ‘niederlegen’. Ook het woord ‘Finsternis’ krijgt een passende uitdrukking als gevolg van de dalende lijn in lange notenwaarden.
Het aansluitende koraal gebruikt Bach later in de zogenaamde Schübler-koralen (BWV 649) voor orgel. De rustige sopraanmelodie wordt nu virtuoos omspeeld door de violoncello piccolo. Hierna volgt een kort basrecitatief.
Het thema voor de volgende aria heeft een motief dat een kruis voorstelt: als men de eerste twee noten zou verbinden met een lijn (diagonaal stijgend), en hetzelfde doet met de derde en vierde (diagonaal dalend), en men legt deze over elkaar, dan ontstaat er een kruis.
BWV 7 - Christ unser Herr zum Jordan kam
De koraaltekst van deze in 1724 gecomponeerde cantate is van de hand van Martin Luther, die dit dooplied schreef in 1541. De cantus firmus (de koraalmelodie in lange notenwaarden) in het openingskoor wordt gezongen door de tenoren. De bezetting van het orkest in dit eerste deel is als volgt: het strijkorkest, de continuogroep (orgel, fagot, cello en contrabas), 2 hobo’s d’amore en soloviool.
Opvallend is dat de golvende beweging van het continuo in de eerste twee maten, gedurende het gehele deel wel in een of andere orkestgroep opduikt. Deze beweging kan in verband worden gebracht met het golvende doopwater van de rivier de Jordaan.
Deel twee is een basaria waarin de solist wordt begeleid door de basso-continuo (cello en orgel), die het gieten van het doopwater verklankt door snelle dalende notenreeksen.
In recitatief 3 heeft Bach, zoals gebruikelijk, noten geschreven die zo dicht mogelijk bij de tekst staan: de hoge noot bij “von hohem Himmelsthron”, en de laagste noten bij “in niedriger Gestalt gekommen”.
Hierna volgt een tenoraria in een gigue-dansritme. Naast de al eerder genoemde melodische verwijzingen naar de tekst, laat Bach hier de akkoorden (harmonie) verwijzen naar de tekst: onder het woord “Zweifel” klinken akkoorden die die twijfel uitdrukken (“damit wir ohne Zweifel glauben”). Twee violen zijn naast de tenor de solisten in deze aria.
Deel 5 is een recitatief voor bassolist en strijkorkest, en begint met losse begeleidingsakkoorden, maar als de woorden van Jezus uitgesproken worden, wordt er in een doorgaand tempo (andante) gespeeld.
Daarna volgt de altaria, waarin het strijkorkest en de hobo’s pas in de vijfde maat inzetten met een motief dat een aantal maal zal terugkeren. De cantate besluit traditiegetrouw met een koraal voor koor en orkest. De tekst is onveranderd overgenomen van Martin Luther.
De cantate is gecomponeerd voor 24 juni 1724, waarop het feest van Johannes de Doper werd gevierd. Deze cantate is gebaseerd op Martin Luthers dooplied uit 1541. De tekst vinden we letterlijk terug in de koordelen 1 en 7. De tussenliggende tekstdelen zijn enigszins bewerkt.
In het openingsdeel ligt de koraalmelodie in lange notenwaarden (cantus firmus) in de tenorpartij. De orkestpartijen hebben een zelfstandige thematiek die in de 12 openingsmaten wordt weergegeven. Naast het strijkorkest en het basso continuo spelen 2 hobo d’amore en een soloviool mee. Door dit samenspel lijkt dit op een deel van een vioolconcert. De vioolpartij kun je ook horen als de golven van de Jordaan rivier. Als contrast met deze bewegende solopartij staan hier sterk ritmische openingsmaten tegenover.
De eerste aria is voor bas en continuo. De solist kan zowel voor de stem van Jezus als die van Johannes staan en roept ons op om de betekenis van de doop te onderkennen. De snelle, dalende continuo-loopjes beelden het gieten van het doopwater uit.
De tweede aria is voor twee soloviolen, continuo en tenor heeft het karakter van een gigue-dans. Snelle trioolfiguren in een driedelige maat. De vorm van deze aria is duidelijk in drie delen opgebouwd. Samen met de drie hoofdrollen (2 violen en tenor), 3/4 maat en de triolen lijkt dit allemaal wel zeer op het onderstrepen van de Drie-eenheid, waar in de tekst sprake van is.
Recitatief nr. 5 begint met begeleiding van losse strijkersakkoorden en vanaf de tekst ‘geht hin in alle Welt’ gaan de strijkers mee in de melodie van de solist om de boodschap van de tekst als het ware muzikaal te versterken.
De volgende aria is bijzonder van opzet. Geen inleidend orkestspel, maar juist andersom. Eerst vier maten alt-solo en daarna 4 maten orkest.
BWV 8 - Liebster Gott, wenn werd ich sterben
Bach componeerde deze koraalcantate voor de 16e zondag na Trinitatis in 1724. (Tweede Fassung in 1740 met gewijzigde instrumentatie, waarschijnlijk als gevolg van beschikbaarheid van andere instrumentalisten). De teksten van het eerste en laatste cantatedeel zijn letterlijk uit het gelijknamige kerklied van Caspar Neumann (voor 1697). De overige delen zijn bewerkingen van deze liedtekst.
In het openingskoor wordt het uur van de dood voor ogen gesteld. De twee hobo’s onderstrepen de bange vraag naar het uur van de dood. De overige instrumenten geven op natuurlijke wijze de klank van doodsklokken weer: de violen met demper en de lage tonen kort gespeeld, de dwarsfluit met repeterende extreem hoge noten. De normaal gesproken doorgaande steunende basso continuopartij is ditmaal erg sober: twee noten per maat, gescheiden door een rust. De koraalmelodie wordt voorgedragen door de sopranen.
Het eerste aria-recitatief-paar onderstreept de angst voor de dood. Het volgende paar (deel 4 en 5) geeft uitdrukking aan de troost en aan de zekerheid van Gods trouw.
De tenoraria gaat met de pizzicato continuo-noten door met de doodsklokken uit deel 1. In de tenormelodie laat Bach het laatste uur (‘wenn meine letzte Stunde klingt’) klinken als korte nootjes, gescheiden door een rust, alsof de tijd wegtikt. Dezelfde sfeer wordt in het volgende altrecitatief uitgebeeld door strijkorkest dat akkoorden speelt die veel onrust uitdrukken. Er wordt als het ware steeds weer naar een volgend akkoord gevraagd.
De toon in de basaria verandert naar majeur en opgewektheid. De maatsoort (12/8) is het ritme van de vrolijke giguedans.
BWV 9 - Es ist das Heil uns kommen her
Aan deze koraalcantate ligt een kerkliedtekst van Paul Speratus uit 1523 ten grondslag. Bach maakt in het openingskoor en het slotkoraal hiervan letterlijk gebruik. De oorspronkelijk uit 14 strofen bestaande liedtekst is door een ons onbekende tekstdichter omgevormd tot de 7 cantatedelen.
In het openingskoor bevindt de koraalmelodie zich in lange notenwaarden in de sopraanpartij. De overige drie koorstemmen zetten na elkaar op imiterende wijze in. De koordelen worden afgewisseld met instrumentale tussenspelen, waarbij de dwarsfluit en de hobo d’amore een solorol vervullen. Het strijkorkest en de basso-continuogroep spelen overwegend een begeleidende partij. De eerste vioolpartij soleert af en toe mee met de blazers.
Opvallend in deze cantate is dat Bach de drie recitatieven laat zingen door de basstem. Dit vergroot de samenhang van deze recitatieven, en er is bijna sprake van een soort doorlopende preek, onderbroken door twee aria’s.
In de eerste aria, voor tenor, soloviool en basso continuo, horen we de tekst op plastische wijze door Bach weergegeven in de muziek. Golvende, dalende triolenfiguren trekken ons mee de afgrond in.
De tweede aria daarentegen is rustig van aard. De fluit en hobo vormen een instrumentaal duet waarnaast de sopraan en alt het vocale duet zingen. In beide duo’s volgen de stemmen elkaar als in een canon. In deze vorm bevestigt de tweede stem als het ware de eerste.
Ds. Gert Hutten over Verandering en Verzoening
Zo verandert God jou
Ds. Gert Hutten benadrukt dat de tijd dringt en de wereld wakkerheid vraagt. Veel mensen verlangen naar een ander en heiliger leven, maar zoeken vaak naar een snelle oplossing. Groei en verandering kosten echter tijd en beginnen met een vernieuwing van denken en anders leren kijken naar het leven. Verandering heeft ook veel te maken met doen.
Hutten stelt dat we het veranderingsproces niet zelf hoeven te doen. God stuurt zijn Zoon en zijn Geest. Hij breekt onze kleine wereld open en verandert ons, zodat we steeds meer worden zoals we bedoeld zijn.
Het Bloed van Christus
In de context van de lijdenstijd wordt het gebroken lichaam van Christus en zijn vergoten bloed herdacht, met name tijdens het avondmaal. Hutten verwijst naar Leviticus 16:14, 19, waar de Hogepriester op Grote Verzoendag bloed sprenkelde op de verzoeningsplaat en voor het altaar.
Jezus is het ultieme offer en de ultieme hogepriester. Zijn bloed vloeide zevenmaal:
- Zijn zweet werd bloed (hematridosis) in Getsemane, onder extreme emotionele druk, veroorzaakt door de beker vol Gods toorn en de zonden van de wereld.
- Bij Kajafas, waar hij geslagen en gestompt werd, wat de valse aanklacht en de straf die hij op zich nam symboliseert.
- Bij Pilatus, waar hij gegeseld werd en zijn striemen genezing brachten, om de pijn en geseling die ons soms treft, te overwinnen.
- Met een doornenkroon, die de vloek van de ongehoorzaamheid symboliseert, waardoor Christus ons van de vloek van de wet verlost door zelf een vloek te worden.
- Met lange spijkers door zijn handen en voeten, wat de verzoening met God symboliseert.
- Een soldaat stak een speer in zijn zij, waaruit bloed en water kwam, wat de geboorte van nieuw leven symboliseert.
Hutten benadrukt dat zonder bloed geen vergeving mogelijk is (Hebreeën 9:22), en dat het bloed van Christus het bloed van het nieuwe verbond is, vergoten tot vergeving van zonden (Matteus 26:27-28). Door zijn bloed zijn we verlost en zijn onze zonden vergeven (Efeziërs 1:7).
Het bloed van Christus reinigt ons geweten van daden die tot de dood leiden en heiligt ons voor de dienst aan God (Hebreeën 9:14). God wil niet dat negatieve herinneringen ons blijven belasten. Door het bloed van Christus is er vergeving.
Jezus heeft de dood overwonnen en wil leven brengen. Geloven is niet ‘misschien’, maar zekerheid van genezing door Jezus.
Christus verlost ons van de vloek. Hij wil niet dat wij ons hele leven slachtoffer blijven; daarom werd hij zelf slachtoffer. Hij wil heersen.
Door zijn dood en opstanding ontstaat er nieuw leven. Als we het offer van Jezus begrijpen, worden we als het ware uit hem geboren.