De Gereformeerde Kerk in Harlingen: Van Afscheiding tot Moderne Gemeente

De Afscheiding in Harlingen: De Eerste Stappen (1835-1838)

De geschiedenis van de Christelijk Afgescheidene Gemeente in Harlingen begint in 1835. Ds. H. de Cock, predikant uit Ulrum en woonachtig in Smilde, bezocht Harlingen op 1 december 1835. In een particuliere woning sprak hij voor een groep Afgescheidenen en bewerkstelligde hij dat een deel van de hervormde gemeente zich afscheidde. Ondanks deze gebeurtenissen leidde dit in eerste instantie nog niet tot de oprichting van een formele Christelijk Afgescheidene Gemeente in Harlingen. De Afgescheidenen uit Harlingen kerkten tot 1838 bij de nabijgelegen gemeente van Sexbierum, die op dezelfde dag door ds. De Cock was geïnstitueerd, of in zogenaamde 'afzonderlijke bijeenkomsten'.

De autoriteiten, waaronder de burgemeesters van Friesland (grietmannen genaamd), hadden de opdracht gekregen om 'ongeoorloofde godsdienstige bijeenkomsten' met meer dan twintig toehoorders te voorkomen. Deze bepaling was vastgelegd in een oude Napoleontische wet, en overtredingen konden optreden van de 'sterke arm' tot gevolg hebben.

Vroege Bijeenkomsten en Overheidsingrijpen

De eerste Harlingers die zich in 1835 afscheidden, deden dit op initiatief van ds. H. Op zondagochtend 20 maart 1836 ondernam veldwachter Daniel Hollinga actie nadat hij had gehoord van een Afgescheiden godsdienstoefening in de woning van schuitmakersknecht Douwe Jans van der Zee in de Grettingsbuurt in Almenum. Bij zijn bezoek bleken er echter slechts negentien mensen aanwezig te zijn, wat de bijeenkomst legaal maakte. Panbakkersknecht Jurjen Haitsma, die zich 'ouderling' noemde, leidde het 'grote gebed', terwijl slager Jan Wiersma een preek voorlas.

Na de middag bezocht Hollinga de woning van Van der Zee opnieuw. Ditmaal trof hij 'ene grote menigte' Harlingers aan die voor de deur samengestroomd waren. De mensen joelden en sommigen drongen de woning binnen. Veldwachter Hollinga constateerde dat er in de kamer ongeveer achttien personen naar een preek luisterden, terwijl er in de rest van de woning minstens veertig mensen aanwezig waren en het buiten zwart zag van de mensen. Een week later, op 27 maart, onderzochten de commissaris van politie, de stadsmajoor en enkele dienders opnieuw de situatie in de Grettingsbuurt. Spekslager Jan Durks Wiersma las een preek over de lijdensgeschiedenis voor een gehoor van dertig personen. Na een vermanende toespraak van de commissaris beloofden de aanwezigen niet meer op deze manier samen te komen. Van der Zee beloofde zijn huis niet meer voor dergelijke bijeenkomsten open te stellen, en ouderling Jurjen Haitsma beloofde geen bijeenkomsten meer in Almenum te organiseren, maar wel elders, vermoedelijk in Harlingen. Wethouder M. Donia identificeerde Haitsma als de 'voornaamste Leider der vergaderingen die onder Almenum hebben plaatsgehad'.

Op 22 april 1836 werd in de woning van smidsbaas Minne B. van Smeden, bij de Franekerpoort te Harlingen, een 'ongeoorloofde godsdienstige samenkomst' gehouden. De commissaris van politie en gerechtsdienaar Wybrandus de Wit spoedden zich ter plaatse. Ze troffen vierentwintig mensen aan die luisterden naar schipper Pieter Bovenberg uit Smilde, die 'zonder iets voor zich te hebben' achter een tafel preekte, 'wat gepaard ging met veel gebaardenspel'. De autoriteiten beschouwden de preek als 'woorden zonder samenhang' en bevalen de aanwezigen uiteen te gaan.

Oude straatbeelden van Harlingen met focus op de Grettingsbuurt en omgeving van de Franekerpoort

De Vorming van de Gemeente en Interne Strijd

Hoewel Harlingen en Sexbierum na de instituering van Sexbierum door ds. De Cock op 1 december 1835 samen één gemeente vormden, werd op 4 december 1835 in Harlingen een verklaring van Afscheiding opgesteld en door veertien personen ondertekend, waarschijnlijk op initiatief van ds. De Cock zelf.

Ds. S. van Velzen, predikant van de Friese Afgescheiden gemeenten, ging geregeld voor in de diensten die in Harlingen in de woning van Afgescheidenen werden gehouden. Op 2 februari 1836 doopte hij zes kinderen, wat duidde op groei van de gemeente.

Begin 1838 waren in Harlingen één ouderling en één diaken in functie, die samen de kerkenraad vormden. Hoewel de notulen uit deze beginjaren ontbreken, is dit bekend uit het jaarverslag van ds. S. van Velzen in het notulenboek van de provinciale vergadering. Spekslager Jan Durks Wiersma was als diaken benoemd, maar werd door ouderling Jurjen Haitsma als ongeschikt beschouwd vanwege zijn 'zeer verkeerde levenspraktijk'. Desondanks bleef hij in functie.

De provinciale vergadering onderzocht de situatie en oordeelde dat Haitsma diende af te treden vanwege 'diep gewortelde onenigheden' binnen de gemeente. Echter, kort daarna zette ds. R.W. Duin, de opvolger van ds. Van Velzen, ouderling Haitsma en diaken Wiersma zonder onderzoek af en liet een nieuwe kerkenraad kiezen. De classis bleef echter beiden als officiële kerkenraad erkennen, waardoor ze in functie bleven, hoewel Wiersma Haitsma niet erkende.

In de zomer van 1839 probeerde Haitsma als ouderling de dienst te leiden, maar werd tegengehouden door kerkgangers, waaronder diaken Wiersma, die zijn taak zou overnemen. Ds. Van Velzen, die zich nog steeds als predikant in algemene dienst in Friesland beschouwde, erkende Haitsma als ouderling en schreef hem en de gemeente een brief. Hij sprak Haitsma moed in en drong aan op voortzetting van zijn ambt. In de brief aan de gemeenteleden sprak hij over de onenigheid als 'de werken van Satan' en maande hij tot eenheid.

Op 1 januari 1840 verklaarde de provinciale vergadering de afzetting van Haitsma en Wiersma door ds. Duin als 'geheel onwettig en strijdig met Gods Woord'. De vrede leek hersteld binnen de kerkenraad.

Ds. T.F. de Haan was van 1839 tot 1842 ook Afgescheiden predikant in algemene dienst in Friesland. Ds. Duin werd in 1840 geschorst vanwege zijn minachting voor kerkelijke regels. Sommige gemeenteleden die hem steunden, volgden hem in zijn kerkelijke weg. Anderen, die tegen het vragen van overheidserkenning en vrijheid van godsdienstoefening waren, lieten zich rond 1842 uitschrijven.

In 1842 laaide de ruzie in de kerkenraad weer op toen nieuwe ambtsdragers gekozen moesten worden. Haitsma weigerde de 'kerkelijke boeken' aan de nieuwe ambtsdragers te overhandigen en hield dit vol tot zijn dood in 1847, waarna hij enkele jaren buiten het gemeentelijk leven stond.

Erkenning en de Vestiging van een Kerkgebouw

In 1842 vroeg de gemeente van Harlingen, zoals eerder vermeld, erkenning van de overheid, maar kreeg deze toen niet. Een tweede verzoek, ondertekend door zeventien gemeenteleden, was wel succesvol, en op 19 oktober 1844 verkreeg de gemeente koninklijke erkenning. Hierbij moest ook de locatie van het kerkgebouw worden opgegeven. Dit was het aangekochte Mennisten Weeshuis aan 'het oosteind van de Zoutsloot' (nu William Boothstraat).

Op 20 november 1844 werd het kerkgebouw in gebruik genomen onder leiding van ds. J. Huiskes van Oudega bij Drachten. Uit deze kerk groeide later de Oosterkerk. In 1844 werd het Mennisten Weeshuis aan de Zoutsloot door de Afgescheidenen gekocht en als kerk ingericht. Later werd ook de buitenkant van de kerk aangepast.

Schematische weergave van de locatie van het Mennisten Weeshuis aan de Zoutsloot in Harlingen

De Eerste Predikanten en Uitdagingen

Op 5 oktober 1845 deed ds. R.P. Medema van Meppel intrede als de eerste predikant in Harlingen. Hij beschreef zichzelf in zijn aannamebrief als een 'gebroken bak en op zig zelven een ellendige rietstaf' en hoopte dat de gemeente geen spijt zou krijgen van zijn beroeping, noch hij spijt zou krijgen van zijn komst naar Harlingen.

Tijdens de eerste kerkenraad las ds. Medema een lasterbrief aan de classis voor. De kerkenraad besloot de ondertekenaars te bezoeken in de hoop op verzoening. Korte tijd later stapten echter twee van de vier kerkenraadsleden op vanwege onenigheid met de prediking van ds. Medema. Dit leidde waarschijnlijk tot problemen met de betaling van zijn traktement. In augustus 1846 preekte hij afscheid en nam een beroep aan naar Stadskanaal.

Zijn opvolger, ds. S.M. Flesch uit Baambrugge, stond eveneens minder dan een jaar in Harlingen. Op 20 juni 1848 deed hij intrede, maar zonder bevestiging. De provinciale vergadering keurde dit af.

Zeven jaar duurde het voordat de volgende predikant intrede deed in Harlingen. Op 23 maart 1856 werd ds. A.S. Entingh van Niezijl bevestigd. Hoewel hij een beroep van Oldehove bedankte en er in 1857 een christelijke school werd gesticht en dertien gemeenteleden belijdenis deden (de gemeente telde toen 118 belijdende leden), preekte hij op 26 september 1858 afscheid om naar Amsterdam te vertrekken.

Op 10 april 1859 deed ds. J. Nentjes van Urk intrede. Onder zijn leiding werd op 11 september 1861 de Christelijk Afgescheidene Gemeente in Arum geïnstitueerd. Na drie jaar keerde hij echter terug naar Urk.

Ds. N.H. Dosker uit Almkerk bleef langer in Harlingen. Op 6 juli 1862 deed hij intrede, met een jaartraktement van fl. 1000, zonder huur- of gaskosten. Onder zijn leiding kende de gemeente groei en bloei. In 1863 moest de kerk voor fl. 2.000 worden vergroot, waarbij het geld grotendeels door de gemeente zelf werd opgebracht. In 1869 vertrok ds. Dosker.

Fusie en Verdere Ontwikkeling

Ondertussen waren er onderhandelingen gaande tussen de landelijke synode van de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Algemeene Vergadering van de Gereformeerde Kerk onder het Kruis. Dit laatste kerkgenootschap was na 1838 ontstaan uit onvrede over het vragen van overheidserkenning en het afwijken van de Dordtse Kerkorde van 1618-1619. Uiteindelijk leidde dit in 1869 tot een hereniging onder de naam 'Christelijke Gereformeerde Kerk'. De gemeente van Harlingen sloot zich hierbij aan en ging verder als Christelijke Gereformeerde Gemeente te Harlingen.

Enkele maanden na deze gebeurtenis deed ds. H. H. Middel uit Middelburg op 12 oktober 1856 intrede, bevestigd door zijn zoon, ds. I. Middel van Zutphen.

Na het vertrek van ds. Boersma werd een beroep uitgebracht op ds. W. Wiersma, die eerder hulpdiensten had verricht in Assen.

De Bazuin, een blad dat ten voordele van de Theologische School te Kampen werd uitgegeven, bevatte in juli en augustus 1865 berichten over plaatselijke Gereformeerde Kerken, destijds nog Christelijke Afgescheidene (Gereformeerde) Gemeenten.

Jan Piet Hessel Zijlstra en Moderne Ontwikkelingen

Jan Piet Hessel Zijlstra (1938-2021) was een Nederlandse evangelist die bekend stond om zijn gebedsgenezing. Hij was verbonden aan De Levensstroom Gemeente in Leiderdorp, waar hij in 1992 oprichter en tot 2010 voorganger was. In 2013 kwam het tot een breuk met De Levensstroom.

Zijlstra begon in 1957 samen met zijn vrouw Herma het evangelie te prediken en sloot zich aan bij de pinkstergemeente van Johan Maasbach. In 1992 ontstond er een breuk met Maasbach, naar verluidt omdat Zijlstra zijn gebedsgenezingsdiensten anders vormgaf en steeds meer mensen trok.

In 1992 startte het echtpaar Zijlstra met De Levensstroom Gemeente, gericht op 'reddings- en genezingsdiensten'. Vanaf 1998 hield Zijlstra dergelijke diensten in Nederland en België, aanvankelijk in kleine zalen, later in grotere zalen en sporthallen. In november 2006 werd het nieuwe gebouw van De Levensstroom Gemeente in Leiderdorp geopend, met een capaciteit van 1.450 mensen.

Zijlstra was hoofdredacteur van het tijdschrift Levensstroom, met getuigenissen van wonderen en Bijbelstudies over genezing. Na de breuk met De Levensstroom werd in 2014 het magazine Wings of Healing uitgebracht.

Zijlstra stopte op 28 maart 2010 als voorganger van De Levensstroom, waarna Arno van der Knaap hem opvolgde. In juli 2011 ontstond er een splitsing binnen De Levensstroom Gemeente, waarbij Van der Knaap met een deel van de gemeenteleden de GODcentre-gemeente in Leiden startte.

Na bestuurswisselingen en financiële problemen kwam het tot een definitieve breuk met De Levensstroom Gemeente in mei 2013, na een gerechtelijke uitspraak die Zijlstra betichte van slecht bestuur.

Zijlstra ontving kritiek op zijn diensten en Bijbeluitleg, maar volgens dominee Hans Eschbach stond bij hem de verkondiging van Jezus Christus centraal, niet de genezing. Zijlstra sprak zich ook uit tegen uitwassen rondom gebedsgenezing.

Door de jaren heen groeide Zijlstra uit tot een bekende evangelist die bad met zieken. In 2004 werd hij getroffen door een hartinfarct. Jan Zijlstra overleed op 9 september 2021.

tags: #zijlstra #harlingen #gkv