Daniël Gildemeester: Leven en Roeping van een Amsterdamse Predikant

Vroege Jaren en Afkomst

Daniël Gildemeester werd geboren op 4 mei 1825 in Amsterdam, als tweede zoon van Hendrik Daniël (Henri) Gildemeester en Jeanne Marie (Mimi) Boissevain. Hij stamde uit een vooraanstaand geslacht. De Gildemeesters hadden hun oorsprong in Duitsland, waar Johann Gildemeister ooit rentmeester was van de graaf van Bentheim-Tecklenburg. Een kleinzoon, Heinrich Daniël Gildemeester, vestigde zich begin achttiende eeuw in Amsterdam en stichtte er een succesvolle handelsfirma in koloniale waren, waardoor de familie tot de welgestelden van de stad ging behoren en aan de Herengracht ging wonen.

Aan moederszijde was Gildemeesters grootmoeder de dochter van Christiaan Brünings, een gerenommeerd waterbouwkundige en directeur-generaal van ’s Lands Rivier- en Zeewerken. Een gedenkteken voor hem bevindt zich in de Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem. De vader van Christiaan Brünings, David Brünings, was predikant bij de Hoogduitse gemeente te Amsterdam en schreef de bekende prekenbundel "De leeuw uit den stamme van Juda als een lam ter slachting geleid". Een herziene uitgave van zijn verklaring van de Heidelbergse Catechismus, met een brief van Daniël Gildemeester, verscheen in 1855.

Familiewapen Gildemeester of portret van een voorouder

Ouders en Familiebanden

Vader Henri Gildemeester (1797-1852) was lid van het handelshuis dat naar zijn eigen vader, Jan Paulus Gildemeester, was vernoemd. Henri trouwde in 1818 met Jeanne Marie Boissevain. Zij was de zus van Caroline Boissevain, die gehuwd was met de Reveilman Willem de Clercq. De familie Boissevain was in 1691 als hugenoten vanuit Frankrijk naar Amsterdam gevlucht.

Beide gezinnen, de Gildemeesters en de Boissevains, deelden een gereformeerde geloofsovertuiging en waren lid van de Waalse gemeente. Ze behoorden tot de Amsterdamse Reveilkring, wat zich uitte in hun betrokkenheid bij liefdadigheidswerk. Zo richtten Caroline de Clercq-Boissevain en haar zus Mimi een naaischool op in Amsterdam.

Vroege Gezondheid en Bescherming

In de eerste maanden na Daniëls geboorte maakten zijn ouders zich zorgen over zijn zwakke gezondheid, maar bij het opgroeien werd hij gezond en sterk. Daniël werd tweemaal op wonderlijke wijze gespaard van ernstig letsel. Op driejarige leeftijd wist hij, spelend met een kruiwagentje, onder twee paarden door te komen in een paardenstal; de paarden sprongen over hem heen zonder hem te verwonden. Enkele jaren later liep hij door een val een diepe wond op zijn voorhoofd op, die echter geen blijvende schade achterliet.

Jeugdjaren en Roeping tot het Predikantschap

Daniël Gildemeester stond bekend om zijn zachte en toegevende karakter. Volgens de biografische schets van zijn zwager, ds. Hendrik Cornelis Gerardus Schijvliet, was hij van jongs af aan tot vreugde van zijn ouderen en de lieveling van zijn familie en vrienden. Op de Latijnse school viel zijn bevattelijkheid, volharding en goed geheugen al op. Hij bezat vele gaven, die, door de genade van de Heer geheiligd, hem bijzonder geschikt maakten voor de Evangeliebediening.

Daniël toonde al vroeg een sterk verlangen om opgeleid te worden tot predikant. Dit uitte zich in zijn dagboek als "lieve blijken van het aanvankelijke werk des Geestes in zijn hart". Hij sprak hierover veel met zijn vader, die hem voorhield dat het nodig was om in de voetsporen te wandelen van zijn bet-overgrootvader David Brünings, als de enige weg tot behoud. De jonge Daniël realiseerde zich de veelheid en grootheid van zijn zonden en de oneindige genade en ontferming van God, die hem om Jezus' wil vergeving schonk. Hij bad om de Heilige Geest om hem te helpen God meer lief te hebben, te eren en te dienen, en om beter te kunnen bidden zonder afgeleid te worden door aardse zaken.

Op veertienjarige leeftijd schreef Daniël dat het zijn vurigste wens was predikant te worden, wat zijn ouders grote vreugde schonk. Hij vertrouwde erop dat God hem verder zou behoeden en nabij zijn, zoals Hij hem reeds zo vaak uit gevaren had gered. Hij besefte dat hij zonder Gods zegen zijn studies niet kon volbrengen en zonder Zijn Geest zijn bestemming niet kon bereiken. Hij erkende Gods grote weldaden, waaronder ouders die hem gelukkig wilden zien en hem leidden op de weg des Heeren.

Bij zijn belijdenis des geloofs, afgelegd bij ds. Pierre Josué Louis Huet, nam Daniël voor het eerst deel aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Hij beschreef deze ervaring als "iets geheel nieuws" en bad om hulp bij zijn ongeloof en zwakheid, en om het licht van Gods aangezicht.

Illustratie van een jonge student die studeert of bidt

Studietijd in Utrecht

Op 24 april 1843 verhuisde de zeventienjarige Daniël naar Utrecht, waar hij vier dagen later als student werd ingeschreven. Hoewel hij oorspronkelijk naar Leiden wilde gaan, werd het door een opmerkelijke tussenkomst van de Heer Utrecht. De ontgroening verliep naar wens, en Daniël ervoer Gods nabijheid: "Als ik het benauwd heb en tot Hem roep, verhoort Hij mij en helpt Mij."

In september 1843 sloot hij vriendschap met student Schijvliet, die later zijn zwager zou worden. In 1844 vormde zich een hechte kring van jonge studenten, waaronder Gildemeester, die het een voorrecht achtten hem in hun midden te hebben. Schijvliet beschreef Gildemeester als "voorbeeldig in zijn bestaan en wandel", met als enig doel zijn voorbereiding op de Evangeliebediening. De gebedsgaven van Gildemeester waren tot stichting voor de vrienden, die in jeugdige onbezorgdheid, maar in ootmoedig opzien tot God leefden. Broederlijke liefde zorgde ervoor dat zij op elkaar acht gaven en elkaar vermanen met zachtmoedigheid.

Theologisch-Literaire Gezelschap 'Secor-Dabar'

Op zondagavonden kwamen de vrienden bijeen om uit de Schrift te lezen, een preek te bespreken en te zingen. Toen de studenten Gildemeester, De Graaf en Schijvliet gevraagd werd lid te worden van het theologisch gezelschap 'Ben Shalom', stelden zij als voorwaarde dat rechtenstudent Petrus Aleid van Toorenenbergen ook toegelaten zou worden. Na weigering besloten de vrienden een eigen theologisch-wetenschappelijk gezelschap op te richten. Op 8 oktober 1844 werd het Theologisch-Literaire gezelschap 'Secor-Dabar' (Gedenk het Woord) opgericht, met zeven leden, waaronder Gildemeester. In de geest van het Reveil beoefenden de leden de wetenschappen die bijdroegen aan het ambt van Evangeliedienaar.

Van Toorenenbergen en De Graaf besloten na de zomervakantie van 1844 theologie te gaan studeren. Schijvliet bracht De Graaf, die waarschijnlijk niet religieus was opgevoed, de beginselen van het Reveil bij, waarbij hij citeerde uit gedichten van Isaac da Costa en hem wees op Jezus Christus als wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing.

Gildemeester schreef over de samenkomsten: "Wij hadden het dikwijls gezegend te zamen, als het ons gegeven werd, onze schuld Hem te belijden, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is..." De vrienden droegen zichzelf en hun zorgen aan Hem op, vertrouwend dat Hij hen zou leiden en verzorgen, en hen eenmaal zou opnemen in heerlijkheid.

Afbeelding van een groep studenten die samen studeren of discussiëren

Afstuderen en Beroep

Gildemeester bracht zijn academietijd gezegend door en genoot de achting van hoogleraren en medestudenten. Op 3 augustus 1848 legde hij zijn proponentsexamen af, gevolgd door zijn doctoraalexamen in september. Hij ontving een beroep van de gemeente Ophemert en Zennewijnen, vacant geworden door het vertrek van ds. H.C. Voorhoeve. Dit beroep had de volledige instemming van ambachtsheer Aeneas baron Mackay.

Huwelijk en Intrede in Ophemert

Voordat Gildemeester zijn dienstwerk begon, trad hij op 16 november 1848 in het huwelijk met Annette Jacoba Schijvliet. Enkele dagen later betrokken ze de pastorie in Ophemert. Hij schreef: "Met mijn lieve huisvrouw ben ik aangekomen 29 november. Den volgende morgen stemden wij in met Mozes’ verklaring, dat het aangezicht des Heeren met ons gaan moest om ons gerust te stellen."

De intrededatum maakte Daniël schriftelijk kenbaar aan ambachtsheer Aeneas baron Mackay: "Hoe nader de tijd komt, des te gewichtiger wordt hij mij; voorwaar het is zalig aan mede zondaren het Evangelie der vrije genade te mogen verkondigen; maar ook, er behoort zoo veel toe om getrouw bevonden te worden; veel wijsheid, veel voorzichtigheid, veel aanhoudendheid, veel ijver, veel liefde wordt er vereischt."

Bemind in Ophemert

De bevestiging van ds. Gildemeester vond plaats op 3 december 1848 door ds. O.G. Heldring, met als tekst Johannes 1 vers 35-37, over de roeping van de eerste discipelen. Ds. Gildemeester deed intrede met een preek over 1 Koningen 22 vers 14: "Doch Micha zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, hetgeen de HEERE tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken."

Gildemeester gaf aan dat hij al jaren het gevoel had niet anders te kunnen spreken dan wat de Heer hem zou zeggen, en dat deze tekst de grondslag van zijn Evangelieverkondiging moest vormen. Hij wenste waarheid te prediken, maar worstelde met de vraag hoe hij die zou kennen. Hij wilde een middel zijn, maar vreesde voor menselijke oordelen en het niet volledig op God vertrouwen.

Pateo TV over de echte geschiedenis van de kerk

tags: #2 #korintiers #1 #vers #3 #4