Archief der Verenigde Doopsgezinde Gemeente Hoogezand

Een archieftoegang biedt uitgebreide informatie over een specifiek archief. Deze toegang is doorgaans opgebouwd uit de volgende onderdelen: kenmerken van het archief, een inleiding op het archief, een inventaris of plaatsingslijst, en eventueel bijlagen.

De kenmerken van een archief omvatten onder andere de omvang, vindplaats, beschikbaarheid en openbaarheid. De inleiding verschaft interessante informatie over de geschiedenis van het archief, de achtergronden van de archiefvormer, en kan tevens aanwijzingen voor het gebruik bevatten. De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch gestructureerd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal, en het lezen ervan vereist enige oefening en ervaring. Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd: rubrieken op een hoger niveau maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Indien een zoekterm in een hoger niveau voorkomt, voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

Illustratie die de onderdelen van een archieftoegang toont

Archiefvormers en hun betekenis

In overzichten van archieven vindt men diverse archiefvormers, zoals gemeenten, bedrijven en particuliere families. Een archiefvormer is een organisatie of persoon die bronnen produceert die uiteindelijk in een archief worden bewaard. Een gemeente is hier een duidelijk voorbeeld van, aangezien zij registraties bijhoudt van geboortes, huwelijken, vergunningaanvragen, en notulen van raadsvergaderingen en -besluiten. Deze bronnen worden na verloop van tijd overgedragen aan een archief voor behoud en inzage.

De geschiedenis van de Doopsgezinde Gemeente Amsterdam (VDGA)

Hoewel er reeds in 1530 in Amsterdam een bloeiende doopsgezinde gemeente ontstond onder leiding van Jan Volkertsz Trypmaker, kon het doopsgezinde geloof pas na de Alteratie in 1578 openlijk beleden worden zonder gevaar voor eigen leven. Vanaf dat moment verschenen er op verschillende plaatsen in de stad vermaningen (vergaderplaatsen). Rond 1600 telde Amsterdam minstens twaalf verschillende gemeenten met elk een eigen richting. Rond 1630 waren de meeste doopsgezinden, met uitzondering van de Oude Vlamingen, Oude Friezen en Danziger Oude Vlamingen, verenigd in de Waterlandse gemeente op het Singel bij de Jan Rodenspoorttoren (de gemeente Bij den Toren) of in de Vlaamse gemeente op het Singel Bij het Lam.

In de jaren 1660 splitste een conservatievere groep van ongeveer 500 leden zich af van de Vlaamse gemeente. Zij vergaderden in De Zon en werden naar hun vergaderplaats Zonisten genoemd. Enkele jaren later verenigde de gemeente Bij den Toren zich met de gemeente Bij het Lam, hoewel beide hun eigen vergaderplaats behielden. Rond 1680 ontstond binnen de grootstedelijke doopsgezinde gemeenten in Nederland de behoefte aan geschoolde leraren. Onder leiding van Galenus Abrahamsz de Haan werd een opleiding gestart die met zijn dood in 1706 strandde. Pas in 1735 werd een Doopsgezind Seminarium opgericht, dat aanvankelijk leraren opleidde voor Amsterdam en later ook voor andere, meer welgestelde gemeenten. De gemeente in De Zon had sinds 1753 eveneens een eigen opleiding.

In 1801 verenigden de beide gemeenten zich tot de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam (VDGA), nadat de overige kleinere gemeenten in de 18e eeuw al waren opgegaan in het grotere geheel. Tijdens de Franse bezetting slaagde de Amsterdamse gemeente er niet in de opleiding, die inmiddels een landelijke uitstraling had, verder te financieren. Mede hierom werd in 1811 de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ADS) opgericht. Deze stelde zich ten doel een gezamenlijk Doopsgezind Seminarium in stand te houden en doopsgezinde gemeenten financieel in staat te stellen predikanten te beroepen. De bibliotheek, die vanaf 1680 door schenkingen en aankopen aanzienlijk was gegroeid, bleef eigendom van de Amsterdamse Gemeente, die ook zorg droeg voor nieuwe aanwinsten. Na de Vereniging in 1801 werden de gebouwen De Zon en later ook Bij den Toren afgestoten. Tot op heden zijn het Lam, de Toren en de Zon verenigd in de gevel van het pand Bij het Lam op de Singel 452-454.

Het Doopsgezind Seminarium, onder leiding van de ADS maar met gebruikmaking van de gebouwen en de bibliotheek van de VDGA, verzorgde de opleiding in samenwerking met het Athenaeum Illustre. Na de oprichting van de Universiteit van Amsterdam werden studenten tevens ingeschreven aan de theologische faculteit, waar ook doopsgezinde hoogleraren een benoeming konden hebben. Vanaf 1907 werd de opleiding opengesteld voor vrouwelijke studenten. In 1968 werd besloten tot een nauwere samenwerking met de Lutheranen en Hervormden, met name op het gebied van onderwijs en praktische training in de theologie. Voor confessioneel gebonden vakken bleven de Seminaria echter afzonderlijk onderwijs verzorgen. Datzelfde jaar werd besloten de bibliotheek in bruikleen onder te brengen bij de Universiteit van Amsterdam.

Doopsgezinde Singelkerk

De Bibliotheek van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam (VDGA)

De collectie omvat in de eerste plaats de bibliotheek van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam (VDGA), gesticht in 1680. Deze bibliotheek werd vanaf 1735 gebruikt voor de Doopsgezinde Kweekschool. Zwaartepunten zijn geschriften van voor- en tegenstanders van het revolutionair anabaptisme, vroegreformatorische bijbels, theologische en polemische geschriften van vooraanstaande 17e- en 18e-eeuwse leraren, en werken over doopsgezinde literatoren en kunstenaars. Daarnaast is er een rijke prentencollectie. In de handschriftencollectie bevinden zich 16e-eeuwse tractaten van David Joris, de enige overgebleven brief van Menno Simons, en 18e- tot 20e-eeuwse preken en collegedictaten.

De geschiedenis van de Doopsgezinde Bibliotheek van de VDGA begint met het legaat van de leraar en arts Johannes Reijers in 1680 aan de Doopsgezinde Gemeente Bij het Lam en de Toren. In 1735, bij de oprichting van de Kweekschool, werd de door schenkingen en aankopen gegroeide bibliotheek ter beschikking gesteld van het onderwijs en aangeduid als 'Bibliotheca Seminarii Teleiobaptistarum Amstelodamensium'. Het legaat van de Amsterdamse leraar Pieter Fontein (1708-1788) maakte een systematische beschrijving van de bibliotheek noodzakelijk. De vereniging van de gemeente In de Zon met de gemeente Bij het Lam en de Toren in 1801 betekende ook een samenvoeging van beide bibliotheken. In De Zon lag de basiscollectie voor de bestudering van het Nederlandse doperdom (mennonitica). Toen dit vak in 1828 in het curriculum van het Seminarium werd opgenomen, gaf dit een nieuwe richting aan het verzamelbeleid. In 1834 werd daartoe de grote collectie Nederlandse mennonitica van de bibliofiel, leraar en uitgever Marten Schagen - door hem gelegateerd aan de doopsgezinde gemeente Utrecht - aangekocht.

Met name in de tweede helft van de 19e eeuw werd de bibliotheek, gestimuleerd door Samuel Muller Fzn en Jakob de Hoop Scheffer, door schenkingen en aankopen zodanig uitgebreid dat de ruimte aan het Singel te klein werd. In 1919 werd de collectie Klassieken, waarvan de meeste afkomstig uit of aangeschaft met gelden uit het legaat Fontein, in bruikleen overgedragen aan de Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UvA). Door veranderende inzichten in het onderwijs aan het Doopsgezind Seminarium zijn in de loop der jaren collecties uit de bibliotheek verkocht of in bruikleen gegeven. Om deze reden werden circa 1830 de scheikundige instrumenten en vele boeken op het gebied van de natuurlijke historie afgestoten. De bibliotheek van de Verenigde Amsterdamse Doopsgezinde Gemeente wordt nog steeds aangevuld met boeken, tijdschriften en handschriften die een directe verbinding hebben met de doopsgezinde leer of geschiedenis (mennonitica). Een of meerdere handschriften zijn in het Scheepvaartmuseum Amsterdam in bruikleen ondergebracht.

Belangrijke collecties en publicaties

  • Geschriften van voor- en tegenstanders van het revolutionair anabaptisme, waaronder Melchior Hoffman en de eerste doopsgezinde leiders in de Nederlanden zoals Menno Simons, David Joris en Obbe en Dirk Philips.
  • Geestverwanten zoals Hans Denck, Christiaan Entfelder en Sebastian Franck, en latere spiritualisten zoals Hendrick Niclaes en Hendrick Jansz van Barrefelt (Hiël).
  • Een grote collectie vroegreformatorische bijbels in het Duits en Nederlands.
  • Martelaarsboeken, waaronder de oudst bekende onder de titel "Offer des Heeren".
  • Vele liedboeken die in de broederschap circuleerden.
  • Theologische en polemische geschriften van vooraanstaande 17e- en 18e-eeuwse leraren zoals Hans de Ries, Pieter Jansz Twick, Galenus Abrahamsz, Herman Schijn, Gerard Maatschoen en Johannes Stinstra, naast die van 19e-eeuwers zoals Sytze Hoekstra Bzn, Jeronimo de Vries, Jan van Geuns en Christian Sepp.
  • Het legaat van de Amsterdamse leraar Pieter Fontein (1708-1788) met een bibliotheek op het gebied van de klassieke talen, patristiek, wijsbegeerte, theologie en natuurwetenschappen.
  • Werken over doopsgezinde literatoren en kunstenaars, waaronder Joost van den Vondel, Jan en Philipsz Schabaelje, Joachim Oudaen, Jan Luyken, Karel van Mander, Govert Flinck en de Van Ruysdaels.
  • Werken van rekenkundigen zoals Robbert Robbertsz le Canu en Sybrant Hansz Cardinael, en natuurkundigen zoals Abraham Palingh.
  • Een rijke prentencollectie met portretten, historieprenten, topografische prenten en bouwtekeningen.
  • Handschriftenafdeling met werken van David Joris uit de 16e eeuw, de enige overgebleven brief van Menno Simons, 18e-, 19e- en 20e-eeuwse preken, en collegedictaten uit de 19e en 20e eeuw.

De eerste handgeschreven catalogus van de bibliotheek werd door de toenmalige hoogleraar Gerrit Hesselink in 1793 voltooid. De eerste gedrukte catalogus verscheen in 1854 van de hand van Samuel Muller. In 1885-1888 werd deze vervangen door de grote tweedelige catalogus van Jakob G. de Hoop Scheffer, waarin ook de prentencollectie beschreven is. In 1919 gaf Jan J. Boekenoogen een deelcatalogus uit over de geschiedenis van het doperdom. De bibliografische naslagwerken van Hillerbrand (1962 en 1991) en Springer en Klassen (1977) geven aan welke mennonitica zich in de bibliotheek bevinden.

De Doopsgezinde Gemeente Sappemeer en Hoogezand

Het ontstaan van de doopsgezinde gemeente Sappemeer is direct verbonden met de veenontginningen die in 1621 in deze streek begonnen. De landelijke interne strijd over het ideaal van de zuivere gemeente verdeelde de "mennisten" in verschillende stromingen.

In 1632, bij landelijke pogingen tot hereniging van Jonge en Oude Vlamingen, scheidde een groep van de Oude Vlamingen zich af. Deze groep, bestaande uit verveners uit Giethoorn en Zuidveen, werd later bekend als de "Danziger Oude Vlamingen". Zij wensten het gebruik van de voetwassing bij het Avondmaal te beperken tot de "Oudste", die hun van ambtswege door een andere gemeente gezonden was, als blijk van gastvrijheid. In 1637 werden er opnieuw pogingen gedaan om de Oude Vlamingen in Friesland en Groningen te herenigen met de landelijke groepen, maar dit leidde tot een volledige breuk. De gemeenten der Oude Vlamingen, verspreid over het land, scheidden zich onder leiding van de "Oudste" Ucco Walles van Noordbroek af. Hun aanhangers werden door de overheid "Ucco Wallisten" genoemd, hoewel zij zichzelf "Oude Vlamingen" noemden. Zij hielden hun "vergaderinghe" in de Oude Boteringestraat in Groningen.

In 1710 ontvingen de doopsgezinden in Nederland berichten over gevangen geloofsgenoten in Zwitserland die door de Zwitserse overheid gedeporteerd zouden worden naar Amerika. De Nederlandse overheid werkte niet mee aan deze deportatie. Bij aankomst in Nederland werden zij opgevangen door de Doopsgezinde gemeente te Nijmegen. Nieuwe geruchten over deportatie leidden tot een grote hulpactie onder de Nederlandse doopsgezinde gemeenten. De gecollecteerde gelden werden gestort in het "Fonds voor Buitenlandse Noden", waarmee de bouw van vier schepen werd bekostigd. Op 2 augustus 1711 kwamen met deze schepen 350 personen aan in Amsterdam. In de daaropvolgende jaren arriveerden nog meer vluchtelingen uit Zwitserland. Een deel voegde zich bij de gemeenten in Nederland, anderen emigreerden vrijwillig naar Amerika. In Sappemeer vormden deze nieuwkomers samen met de "Palsters" één gemeente. Omstreeks 1720 splitste deze Zwitserse gemeente zich in een Oud-Zwitserse, die in het Duits bleef preken, en een jonge Zwitserse gemeente die de diensten in het Nederlands ging houden.

Foto van de Doopsgezinde kerk in Sappemeer

In 1730 gingen de Waterlandse en Vlaamse gemeente samen en noemden zich de Verenigde Waterlandse-Vlaamse gemeente. In 1772 kwam er ook een overeenkomst met de Groninger Oude Vlamingen. De gemeente kende sindsdien een sterke bloei. Vóór 1802 werd de Zwitserse gemeente opgeheven en gingen de leden over naar de Verenigde Doopsgezinde gemeente. In 1780 telde de gemeente 250 leden, honderd jaar later was dit aantal gegroeid tot 480. Het in 1775 te Kleinemeer gestichte kerkgebouw werd tussentijds vergroot, maar kon op den duur de groei van het aantal leden niet meer aan. In 1789 werd besloten tot de aanstelling van een volledig gesalarieerde predikant in plaats van liefdepredikers die hun taak naast hun dagelijks werk verrichtten.

Op regionaal niveau waren de gemeenten lid van verschillende Sociëteiten. De gemeente van de Groninger Oude Vlamingen was lid van de Sociëteit van de Groninger Oude Vlamingen. De verenigde Doopsgezinde gemeente Sappemeer ging in 1826 in op het voorstel van de Humsterlandse sociëteit om een nieuwe sociëteit op te richten voor alle doopsgezinde gemeenten in de provincie Groningen. Op landelijk niveau werd de gemeente lid van het in 1848 door de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ADS) te Amsterdam opgerichte algemeen emeritaatsfonds. In 1947 werd besloten tot een "personele unie" met de gemeente Noordbroek-Nieuw Scheemda, die toen nog 15 leden telde, terwijl Sappemeer-Hoogezand 312 leden had. In 1976 kwam het tot een volledige fusie.

Archiefbescheiden

Door het ontbreken van archivalia van de eigen gemeenten en de aanverwante sociëteit(en) is er weinig bekend over het gemeenteleven in de vroegste jaren van hun bestaan. Verborgen gegevens over doopsgezinden, aanwezig in de Oud-rechterlijke archieven in het Gorecht en Selwerd, worden ontsloten. Van de archiefbescheiden van de gemeenten van vóór de fusie in 1772 is slechts een enkel fragment bewaard gebleven. De kerkeraadsnotulen uit de periode 1785-1830 zijn alleen in extract aanwezig. De overige archiefbescheiden van de Verenigde gemeente zijn vrij volledig bewaard gebleven, met uitzondering van een deel van de boekhouding in de jaren 1970-1990.

In 1954 werden voor de eerste keer archivalia (aanwinstnr. 24) overgebracht naar het Rijksarchief in Groningen. Aanvullingen hierop vonden plaats in 1956 (aanwinstnr. 2), 1967 (aanwinstnr. 10) en 1973 (aanwinstnr. 32). Deze overgebrachte archiefbescheiden werden in 1990 door B.A.C. Velema en S. Bij de RHC Groninger Archieven, sinds 2002 de rechtsopvolger van het Rijksarchief in Groningen en het Gemeentearchief Groningen, worden nog aanvullende archivalia ontvangen in 2003 (aanwinstnr. 23) en 2004 (aanwinstnr. 68) en 2007 (aanwinstnr. 89). De aanvullende archivalia worden door de heer S. Koorn beschreven. De beschrijvingen zijn niet opgenomen in een aanvullende inventaris, maar zijn samengevoegd tot één nieuwe inventaris. Hierin zijn niet opgenomen de nummers 21, 23-27, 37-39, 113, 117, 118, 137, 140-142. De nummers 37-39, 140-142 zijn overgedragen en toegevoegd aan het archief van de Societeit van Doopsgezinde gemeenten in Groningen, Drenthe en Oost-Friesland. Nummer 137 is overgedragen en toegevoegd aan het archief van de Rederijkerskamer "Tollens".

Plattegrond van Hoogezand met de locatie van de Doopsgezinde kerk

tags: #archief #der #verenigde #doopsgezinde #gemeente #hoogezand