De Raad voor de Journalistiek heeft geen aanleiding gezien om de eerdere conclusie RvdJ 2025/9, die betrekking had op een klacht tegen het Reformatorisch Dagblad (RD), te herzien. De klager kon zich niet verenigen met de overwegingen en het oordeel van de Raad, maar dit alleen bleek onvoldoende om een verzoek tot herziening te honoreren. De verzoeker heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de Raad zijn conclusie baseerde op onjuiste constateringen, noch dat de procedurele stappen in strijd waren met het vastgestelde reglement. Tevens werd niet aangetoond dat de conclusie afweek van vergelijkbare, relevante uitspraken van de Raad.
De heer X, de verzoeker, diende op 23 mei 2025 een verzoek in tot herziening van de conclusie van 1 mei 2025. Deze conclusie betrof een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Op 1 mei 2025 had de Raad de klacht ongegrond verklaard.
Kern van de Klacht en Journalistieke Vrijheid
De klacht van de heer X concentreerde zich op twee hoofdpijlers: ten eerste, de vermeende belangenverstrengeling of de schijn daarvan, voortkomend uit de rol van een zekere heer Bosch in de berichtgeving. Ten tweede, de stelling dat de privacy van de klager disproportioneel was geschonden door de vermelding van zijn volledige naam, terwijl hij onterecht werd neergezet als complotdenker en hoofdrolspeler binnen het bestuur.
De Raad stelde voorop dat journalisten en redacties de vrijheid hebben in de nieuwsvorming. De keuze van invalshoek en context van een bericht ligt bij de journalist. Dit neemt echter niet weg dat een journalist een afweging dient te maken tussen het belang van de publicatie en de mogelijke belangen die geschaad kunnen worden. Tevens mag de privacy van personen niet verder worden aangetast dan strikt noodzakelijk is voor de berichtgeving. Een inbreuk op de privacy wordt als onzorgvuldig beschouwd wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
In dit specifieke geval oordeelde de Raad dat het maatschappelijk en journalistiek relevant was om onderzoek te doen naar en te berichten over het handelen van het oud-bestuur van stichting Timotheos, na de arrestatie van de financieel directeur wegens seksueel misbruik. Zelfs indien de publicatie het nieuwe bestuur onder leiding van Bosch ten goede kwam, maakte dit nog niet dat de handelwijze van het RD duidde op (schijn van) belangenverstrengeling. Hoewel Bosch als lid van de Raad van Commissarissen toezicht hield op het RD, was er geen bewijs dat de redactie door hem was beïnvloed, noch dat de onafhankelijkheid van het RD in het geding was.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een disproportionele schending van de privacy van de klager. Het RD had een navolgbare afweging gemaakt tussen het belang van de publicatie en de belangen van de klager. Naast de klager werden in het artikel ook zeven andere oud-bestuursleden met naam genoemd. De klager was duidelijk niet direct betrokken bij de misbruikzaak, maar de publicatie betrof het managen van de kwestie met de financieel directeur, waarbij de klager weliswaar geen bestuurlijke verantwoordelijkheid droeg, maar wel een rol had gespeeld die invloed had of kon hebben op het bestuurlijk handelen. Het vermelden van de volledige naam van de klager werd daarom als journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar beschouwd. Bovendien had de klager meegewerkt aan een interview ten behoeve van het artikel, zonder de voorwaarde te stellen van anonimisering.

Argumenten voor Herziening en Verweer van het RD
De verzoeker bracht ter ondersteuning van zijn herzieningsverzoek diverse argumenten naar voren. Hij was het niet eens met het oordeel van de Raad dat niet aannemelijk was geworden dat de redactie van het RD zich door Bosch had laten sturen. Hij stelde dat Bosch tijdens de totstandkoming van de berichtgeving twee nauw verweven functies had en directe inhoudelijke invloed uitoefende. Verder merkte de verzoeker op dat het RD na ontvangst van de schriftelijke reactie van zijn advocaat alle verwijzingen naar Bosch uit het artikel had verwijderd, terwijl de inhoudelijke strekking van diens bijdrage behouden bleef.
De verzoeker verwierp ook de overweging van de Raad dat hij invloed had of kon hebben op het bestuurlijk handelen, wat de naamsvermelding rechtvaardigde. Hij betoogde dat hij geen bestuursfunctie had en slechts een operationele rol vervulde. De redenering van de Raad over het gebrek aan bezwaar tegen naamsvermelding bij het interview werd gezien als een onjuiste toepassing van journalistieke zorgvuldigheidsnormen en een omkering van de bewijslast.
Daarnaast bekritiseerde de verzoeker het accepteren van meer dan zeventig anonieme bronnen door het RD, zonder individuele motivering of toetsing van hun betrouwbaarheid, positie of de controleerbaarheid van hun verklaringen. Het ontbreken van externe verificatie werd gezien als een wezenlijk gebrek in de onderbouwing van het feitencomplex waarop het oordeel van de Raad rustte.
Het Reformatorisch Dagblad repliceerde dat de verzoeker geen nieuwe feiten presenteerde die op het moment van de zitting van de Raad nog niet bekend waren. Ook had de verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie afweek van vergelijkbare, relevante uitspraken van de Raad. Het RD zag bovendien geen algemeen principieel belang dat tot herziening zou moeten leiden, aangezien het gebruik van interne bestuurlijke stukken als bronnen voor artikelen in de sector een geaccepteerde praktijk is. Het feit dat de Raad niet alle door de verzoeker aangevoerde stellingen had benoemd, deed hier niets aan af, en er was geen bewijs dat de Raad zijn oordeel op onjuiste constateringen had gebaseerd.
De kern van het verzoek van de verzoeker werd door het RD gezien als een poging tot herbeoordeling van de klacht, inclusief zijn standpunten over belangenverstrengeling en privacyschending, simpelweg omdat hij het niet eens was met de gemaakte afwegingen door de Raad. Het Reglement van de Raad voorziet echter niet in een dergelijke hoger beroepsprocedure. Voor zover in herziening werd geklaagd over de toetsing door de Raad van het gebruik van anonieme bronnen, stelde het RD dat de Raad zich bij de beoordeling had beperkt tot de kern van de klacht (belangenverstrengeling en privacyschending). Bovendien had de verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie afweek van vergelijkbare, relevante uitspraken van de Raad. Het RD had in de kwestie overwogen dat het aannemelijk had gemaakt dat gedegen onderzoek was verricht.
Context: Reformatorisch Dagblad en Bestuurlijke Wijzigingen
Het Reformatorisch Dagblad (RD) is een Nederlands, christelijk dagblad met een bevindelijk gereformeerde signatuur en vormt de belangrijkste activiteit van de Erdee Media Groep. De oprichting in 1971 was opmerkelijk omdat het een interkerkelijk initiatief van onderaf was, zonder directe verbinding met de SGP. Aan de wieg stonden initiatiefnemers die zich bewust niet wilden verbinden aan de SGP.
De krant vervult een belangrijke functie als identiteitsmarkering voor de bevindelijk gereformeerde gezindte, die destijds te maken had met toenemende versplintering. De aandacht voor kerkelijk leven, reformatorisch onderwijs en de politiek van de SGP en ChristenUnie, evenals nieuws uit de 'Bijbelgordel', weerspiegelen deze focus. Sport en film worden daarentegen nauwelijks belicht.
In het verleden heeft het RD bestuurlijke veranderingen gekend. Zo werd de heer G. Roos benoemd tot adjunct-hoofdredacteur na het overlijden van hoofdredacteur J. Blees. De post van tweede hoofdredacteur werd opgeheven en vervangen door twee adjunct-hoofdredacteurs. Ook werd de heer J. Leune benoemd tot chef-redacteur.
De Raad van Bestuur van de BV Reformatorisch Dagblad heeft de heer G. Roos met ingang van heden benoemd tot adjunct-hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad. Roos (37) was sinds 1974 werkzaam op de kerkredactie van het RD, waar hij in 1980 hoofd van werd. Sinds 1978 telde het RD twee hoofdredacteuren. Hoofdredacteur J. Blees werd echter zomer 1984 getroffen door een hartinfarct en overleed begin dit jaar. De Raad van Bestuur besloot inmiddels om deze post van tweede hoofdredacteur op te heffen en over te gaan tot het benoemen van twee adjunct-hoofdredacteuren. Voor een van deze beide posten heeft thans de benoeming plaatsgehad. De Raad van Bestuur hoopt op korte termijn ook de andere post te kunnen bezetten, waarbij tevens gelet zal worden op de kerkelijke samenstelling van de lezerskring. Tevens heeft de directie van de BV Reformatorisch Dagblad de heer J. Leune benoemd tot chef-redacteur.

Bestuurlijke Fusie in Reformatorisch Onderwijs
Een andere recente ontwikkeling betreft de bestuurlijke fusie van drie reformatorische scholengemeenschappen: de Jacobus Fruytier scholengemeenschap, het Van Lodenstein College en het Hoornbeeck College. Vanaf 1 januari 2025 zullen deze scholen opereren als drie zelfstandige entiteiten onder hetzelfde bestuur en toezicht, na goedkeuring van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De nieuwe bestuurlijke koepel heeft de naam RBO scholen gekregen, wat staat voor Reformatorisch Bijbelgetrouw Onderwijs. De naam 'Reformatorisch' duidt op de juridische richting van het onderwijs, terwijl 'Bijbelgetrouw' de basis ervan aangeeft. De scholen behouden hun eigen namen en identiteit.
Het college van bestuur van RBO scholen kent een overgangsfase tot 1 augustus 2025, met vier leden: Willem de Potter (voorzitter), Gert van Leeuwen (Hoornbeeck en Van Lodenstein College), Frans van Hartingsveldt en Jan Otte (Jacobus Fruytier scholengemeenschap). Na 1 augustus 2025 zal het vernieuwde college bestaan uit Gert van Leeuwen (voorzitter), Frans van Hartingsveldt en een nieuw te werven bestuurder die zich specifiek op het Hoornbeeck College zal richten.
Bestuurder Gert van Leeuwen uit hoop dat de fusie de onderwijsontwikkeling ten goede komt en ziet de verantwoordelijkheid die hiermee gepaard gaat. Bestuurder Frans van Hartingsveldt benadrukt de noodzaak van visie, creativiteit en openheid voor een succesvolle samenwerking, waarbij de focus ligt op leerlingen en professionele medewerkers, met de Bijbel als eeuwenoude bron.
Aanvullende Informatie over de Raad voor de Journalistiek
De Raad voor de Journalistiek is een onafhankelijke instantie die klachten behandelt over de journalistieke gedragscode. De Raad beoordeelt of publicaties in de media voldoen aan de ethische normen en richtlijnen van de journalistiek. De uitspraken van de Raad zijn niet juridisch bindend, maar hebben wel een belangrijke signaalfunctie en dragen bij aan de zelfregulering van de journalistieke sector.