De Gereformeerde Kerk had in de periode van de Reformatie te maken met bindende leeruitspraken die door de Theologische Faculteit van de Sorbonne, de universiteit van Parijs, werden opgelegd. Deze faculteit was rooms-katholiek. De wereldlijke macht hechtte haar zegel aan deze uitspraken, met sancties voor overtreding. De precieze oorsprong en het geboortejaar van deze artikelen laten we hier buiten beschouwing.
Calvijn reageerde op deze stellingen met een polemisch-satirisch geschrift, waarin hij de auteur van de stellingen niet bij naam noemde, maar het auteurschap wel zeker achtte. Hij stelde onmiddellijk dat de Kerk, van het begin tot het einde der dagen, universeel is en zal zijn. De vraag die hierbij centraal staat, is onder welk aspect of gezichtspunt zij gekend kan worden. Dit impliceert dat de vraag niet is of een vergadering zich als kerk presenteert, of er veel gelovige individuen in aanwezig zijn, of er een eerbiedwaardig vroomheidstype wordt ontwikkeld, of dat bepaalde theologische principes nog steeds warme verdedigers vinden.
Calvijn ging verder door te stellen dat Christus het hoofd van de kerk is. Hij refereerde aan de bijbelplaats waar staat: "Waar het lichaam is, daar zullen de arenden vergaderd worden." Deze passage werd in de Reformatie en daarna herhaaldelijk geciteerd in confessionele en andere geschriften.
De Zichtbaarheid en Onzichtbaarheid van de Kerk
Calvijn wierp echter op dat de zuivere prediking van het Woord niet altijd genoten kan worden, en dat het aangezicht van Christus niet altijd duidelijk te zien is. Daarom moest erkend worden dat de kerk niet altijd onder het menselijke gezichtsveld valt. Uit vele eeuwen zouden voorbeelden aangehaald kunnen worden.
In de dagen van de profeten was de menigte der goddelozen zo overheersend dat de ware kerk in verdrukking kwam. Calvijn bekritiseerde degenen die zich erop beroemen dat voor hen de kerk altijd goed en scherp te zien is, door te verwijzen naar Elia, die meende dat hij alleen was overgebleven (1 Koningen 19:10). Volgens Calvijn verteert zo'n bewering zichzelf.
Sommigen zouden hieruit kunnen concluderen dat ook Calvijn beweert dat de kerk soms niet zichtbaar kan zijn, en dus zou hij ook vluchten in de 'onzichtbare' kerk. Calvijn nuanceerde dit echter. Ten eerste is voor hem de ene kerk in zeker opzicht zichtbaar en in ander opzicht ook, en het betreft steeds dezelfde kerk. Ten tweede stelt Calvijn dat wanneer de afval komt, de kerk zich schuilhoudt. Een van de ergste vormen van afval is het accepteren van alles wat zich kerk noemt als zodanig.
Calvijn stelde dat als sommigen beweren dat het aantal instituten legio is en men daarom de maatstaf van Woord en belijdenis niet meer moet aanleggen, maar liever moet vluchten in de theorie van de onzichtbare kerk, hij zou zeggen: "Daar, waar ik klaag: ach, nu wordt de kerk onzichtbaar, daar gaat gij roemen: mijn lieve mensen, ik zie ze overal en nog eens overal." Hij constateerde dat er verschillend gereageerd wordt op de onzichtbaarwording van de kerk.
Calvijn benadrukte dat Elia er nog was en niet meedeed met het syncretistische pluriformiteits-religionisme van Achab en Izebel. Er waren ook anderen die de knie voor Baäl niet bogen en later uit hun onderduik tevoorschijn kwamen. Calvijn sneed hiermee de valse roem af van instituten die zich, zelfs in dagen van afval, aanmatigden de massieve zichtbare kerk te zijn. Als de afval groot is in de wettige kerk, wordt de kerk daar verduisterd. Echter, door de valse roem af te snijden, gaf Calvijn geen vrijbrief om het eigen verlepte instituut op één hoop te gooien met andere instituten en de oproep tot reformatie te ontkrachten door te zeggen dat God uit alle instituten Zijn volk thuisbrengt.
Calvijn stelde dat voor ons de geopenbaarde dingen in dit leven gelden, niet wat God in het verborgene doet aan het einde van ieders leven. Voor hen die vergaderen vóór het gordijn van de tijdelijke dood, blijft de plicht van Elia gelden: reformatie in het eigen huis.
Christus' Woord en de Leer der Waarheid
Calvijn ging verder door te stellen dat de kerk zichtbaar is waar Christus' Woord gehoord wordt, en niet slechts verknipt in fragmenten. Hij citeerde: "Mijn schapen horen Mijn stem" (Johannes 10:27). Het is cruciaal om vast te stellen dat wanneer de leer der waarheid het graf ingaat, de kerk onmiddellijk uit het oog der mensen verdwijnt. Men moet dan niet pochen dat de onzichtbare kerk een toeverlaat is waarin mooie aspiraties gekweld kunnen worden.
De kerk is de pilaar en zuil der waarheid (1 Timotheüs 3:15), tenminste déze kerk. Zij waakt voor de gezonde leer. Men dient daarom waakzaam te zijn, bijvoorbeeld ten aanzien van de barthianen, zowel via de radio, in de pers als tegenover een wereldraad. Als de kerk Christus' bruid is, betekent dit dat zij Hem onderworpen is (Johannes 3:29, Efeze 5:24). Als zij rein is, moet zij zich niet laten afvoeren van de eenvoudigheid van Christus.
Om niet te dwalen, dat wil zeggen onzeker heen en weer geslingerd te worden, moet Gods waarheid als regel en norm aanvaard worden. Als de kerk daarvan afwijkt, houdt zij op bruid te zijn en wordt zij een boeleerster.

Geloof als Gave van God en de Zekerheid des Geloofs
Geloof is een gave van God. Gelovigen die Christus omhelzen, zijn volgens Calvijn uit God geboren door het werk van de Heilige Geest. Vanuit onze ervaring kan ontluikend geloof zo onder vuur komen te liggen dat we het onbedoeld voor onecht houden. De ervaring van een gelovige kan heel gemengd zijn, meent Calvijn, met innerlijke strijd en een combinatie van geloof en aanvechting. Dit zien we bij David, die gedurende zijn leven klachten uitte tot God, sprak over de vragen van zijn hart, de onrust en de vrees, en toch zijn eigen ziel aanspoorde om op God te hopen.
Calvijn beschreef geloof als een palmboom die zich tegen verdrukking in blijft inspannen en zich omhoog verheft. Hoewel de ervaring tegenstrijdige gevoelens met zich mee kan brengen, vond Calvijn het nodig om gelovigen die een 'zwak geloof' ervaren, te bemoedigen. In zijn Institutie (Boek 3, H2, par.) stelde hij dat zodra het kleinste druppeltje geloof in het hart daalt, men het vriendelijke, lieflijke en welgezinde gelaat van God begint te aanschouwen. Een hart dat door de kennis van God verlicht wordt, is aanvankelijk bevangen door veel onwetendheid, die langzaam afneemt. Dit vergeleek hij met iemand die in een kerker opgesloten zit en zonstralen door een klein raampje ziet; hoewel de zon niet vrijelijk aanschouwd kan worden, wordt de glans ervan opgenomen en kan van het licht gebruik gemaakt worden.
Zo zitten wij, gevangen in ons aardse lichaam en in diepe duisternis, maar wanneer God Zijn licht een heel klein beetje over ons laat stralen, hebben wij daarvan genoeg licht om ons volkomen gerust te laten zijn.

Calvijns Levenswerk en Theologie
Johannes Calvijn, geboren in 1509 en overleden in 1564, liet de kerk een complete geloofsleer, de Institutie, en een complete bijbelverklaring na. Zijn uitgebreide bijbelcommentaar, dat tot op heden een onmisbare vraagbaak is, onderstreept zijn rol als theoloog-van-het-Woord. Calvijn wordt beschouwd als een hoge spits boven het rotsgebergte van de theologie der eeuwen. Hoewel sommigen hem in de schaduw stellen van latere theologen, en ook binnen orthodoxe kringen zijn plaats als Reformator soms niet volledig erkend wordt, is zijn werk gegrond op de Schrift.
Calvijn wordt ook wel een 'voorwerpelijk man' genoemd, wat aangeeft dat het Woord het voorwerp was van al zijn overdenking en geloof. Zijn inzet lag bij de objectieve, voorwerpelijke gegevenheden van het Woord. Zijn gehele oeuvre is een bewijs van Schriftgetrouwheid. Men dient echter voorzichtig te zijn met kritiekloos volgen, aangezien Calvijns werk voortkomt uit de Schrift en eraan onderworpen is.
De Zekerheid des Geloofs bij Calvijn
In het boekje De zekerheid des geloofs bij Calvijn, geschreven door drs. K. Exalto, wordt de nadruk gelegd op de heldere lijnen die Calvijn trok, ook ten aanzien van het tere onderwerp geloof. Hoewel Calvijn beweeglijk was in zijn definiëringen, omvatte zijn definitie van geloof een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, gegrond op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus, geopenbaard door de Heilige Geest en verzegeld in het hart.
Calvijn omschreef geloof als kennis, vertrouwen, overtuiging en gehoorzaamheid. Hij bouwde de vastheid en zekerheid in het geloof in, ongeacht de zwakte ervan. Hij keerde zich tegen de middeleeuwse scholastieke onderscheiding tussen gevormd en ongevormd geloof, en tegen de uitdrukking 'ingewikkeld geloof' (blote instemming).
Calvijn stelde krachtig dat waar men 'Abba Vader' niet kan zeggen, er geen geloof is. Tegelijkertijd erkende hij dat de kennis des geloofs een gave Gods is en dat gevoel, verwondering, begrip, overtuiging en zekerheid tot het geloof behoren. Wat Calvijn over het 'ongevormde' geloof zei, sloeg ook op wat later het historisch geloof werd genoemd, dat hij slechts in oneigenlijke zin als geloof beschouwde.
Objectieve en Subjectieve Zekerheid
Exalto omschrijft Calvijns focus op het Woord als 'het object des geloofs', waarbij God, Christus, Gods Woord, Gods Waarheid, Gods beloften, Gods welwillendheid, Gods barmhartigheid en Gods almacht genoemd worden. Calvijn maakte geen onderscheid tussen objectieve en subjectieve geloofszekerheid; het geloof is geheel en al gericht op zijn object. Waar dat niet het geval is, is er geen waar geloof. Gods beloften, Gods Woord, Gods waarheid, Christus, God zelf is onze zekerheid.
Calvijn benadrukte dat de zekerheid des geloofs uit het Woord moet voortkomen. Gegeven de hoge waarde die hij toekende aan de kennis uit het Woord, noemde hij ook de leergierigheid, de bereidheid om te leren, een 'schrede tot het geloof, ja een beginsel des geloofs'. Groei in geloof ging gepaard met groei in de kennis van God en Zijn Woord.
Calvijn illustreerde dit met voorbeelden uit de Bijbel, zoals de discipelen van Jezus, de vader van de bezeten knaap, de twee blinden die door Jezus genezen werden, en Zacheus. Hoewel hun geloof nog niet volledig ontwikkeld of 'gevormd' was, was er een beginsel van geloof aanwezig, getuige hun leergierigheid en gehoorzaamheid.
Vanuit de objectieve waarheid van het Woord Gods is er ook het subjectieve, het getuigenis des Geestes in de harten. De Geest getuigt in ons dat de Schrift van God is, en het gaat om de verzegeling van de Geest. Het geloof ontleent zijn zekerheid aan zijn object, maar het is het werk van de Geest om dit door het geloof in ons te brengen en ons er deel aan te geven.
Leven en leer van Johannes Calvijn
Calvijn en de Reformatie
Johannes Calvijn werd geboren in 1509 in Noyon, Frankrijk. Hoewel zijn vader aanvankelijk wilde dat hij priester werd, moedigde hij hem aan rechten te studeren. Calvijn behaalde in 1532 de academische graad van doctor in de rechten. Hij werd echter een van de grootste kerkhervormers uit de geschiedenis.
De Reformatie was al in volle gang toen Calvijn zijn studie afrondde. De ideeën van Maarten Luther hadden een revolutie ontketend, leidend tot een kerksplitsing. Calvijns levensovertuiging in deze periode was humanistisch, met een serieuze benadering van filosofie. In 1532 publiceerde hij zijn eerste boek, een commentaar op Seneca.
Calvijn sloot zich aan bij de Reformatie, wat hem dwong Frankrijk te ontvluchten. In 1535 publiceerde hij in Bazel zijn Institutie, waarin hij zijn theologische visie uiteenzette.
Belangrijkste Ideeën van Calvijn
Calvijn deelde veel opvattingen met Luther, zoals de overtuiging dat de mens van nature slecht is en God de absolute heerschappij over de wereld heeft. Beiden bekritiseerden de katholieke kerk, met name de verkoop van aflaten.
Volgens zowel Luther als Calvijn heeft de mens geen invloed op de redding van zijn ziel; zij geloofden in predestinatie: God bepaalt aan wie het geloof geschonken wordt. Voor Calvijn was dit een logisch gevolg van Gods absolute macht; alle gebeurtenissen op aarde zijn door God gestuurd, en toeval bestaat niet.
Verschillen tussen Calvijn en Luther
Hoewel ze veel deelden, verschilden Calvijn en Luther op enkele punten. Calvijns overtuiging dat de mens geen vrije wil heeft, ging Luther te ver; hij zag wel ruimte voor vrije wil in zaken die niet met de redding van de ziel te maken hadden. Daarnaast legde Calvijn de nadruk op het lezen van de Bijbel om God te leren kennen, terwijl Luther de nadruk meer legde op Jezus Christus.
Calvijn was ook soberder en ingetogener dan Luther. Hij pleitte voor een sober leven, sober ingerichte kerken en sobere kleding, waarbij tijd en energie gericht moesten zijn op werken en bidden, in plaats van op frivole zaken.
Calvinisten en de Reformatie in Europa
De ideeën van Calvijn vonden weerklank onder veel inwoners van het Heilige Roomse Rijk, wat leidde tot weerstand van keizer Karel V. Calvinisten werden soms tot de brandstapel veroordeeld. De overtuiging van een sobere kerk leidde er ook toe dat groepen calvinisten katholieke kerken verwoestten.
Na de dood van Calvijn in 1564 in Genève, werd hij begraven zonder grafsteen, om persoonsverheerlijking te voorkomen. Zijn levenswerk wordt onderverdeeld in zijn brieven en werken, zijn commentaren en zijn Institutie, die fungeert als een handboek bij het Bijbellezen.

De Rol van de Wet en het Evangelie
Paulus stelde dat de wet de kennis van de zonde brengt. De Mozaïsche wet was voor hem het middel om te sterven aan de wet, zodat hij God kon leven. De wet zegt wat zonde is, en Paulus realiseerde zich dat hij de wet nooit volkomen kon volbrengen om op grond daarvan gerechtvaardigd te worden. Door zijn verdorven bestaan voerde de wet hem juist tot zonde en deed hem dieper wegzinken onder het oordeel.
Aldus leerde hij verstaan dat het verkrijgen van de voor behoud noodzakelijke rechtvaardigheid langs die weg voor hem niet mogelijk was. Dit was de weg van Paulus: eerst de diepe kennis van zijn zonde en ellende, om vervolgens het volkomen op te geven om zaligheid in eigen gerechtigheid te zoeken.
Velen stellen tegenwoordig een omgekeerde weg voor, waarbij eerst de gerechtigheid van Christus wordt ontvangen en daarna geleerd wordt dat de eigen gerechtigheid niet kan bestaan. De apostel stierf aan de wet op het moment dat hij er diepgaand van ontdekt werd dat het volkomen onmogelijk was om door de wet gerechtvaardigd te worden, en Christus hem werd geopenbaard en hij deze greep.
Lang werd aangenomen dat Luther en Calvijn het eens waren over de volgorde van wet en evangelie. Echter, in de vorige eeuw kwam de mening naar voren dat bekering bij Calvijn niet aan het geloof voorafgaat, maar erop volgt. Calvijn zou geen verbrijzeling, verslagenheid en verandering van leven vóór het geloof in Christus leren.
De oude gedachte dat Calvijn naast Luther staat wat betreft de volgorde van wet en evangelie, wordt ondersteund door zijn werk in de Institutie (III, 3), waar het hoofdstuk luidt: "Dat wij door het geloof wedergeboren worden, alwaar ook van de boetvaardigheid wordt gehandeld". De volgorde die ook in artikel 24 van de N.G.B. wordt gevolgd, is eerst het geloof in Christus, waarna men de goederen des Heils geniet.
Calvijn stelt in het evangelie twee dingen: boetvaardigheid en vergeving van zonden. Onder boetvaardigheid verstaat hij de heiligmaking of de bekering van dag tot dag, die volgt op en geboren wordt uit het geloof in Christus. Hij bedoelt hiermee niet de overtuiging van zonden, de vrees voor Gods oordeel, of de verslagenheid vanwege schuld.
Calvijn beschrijft de kennis van eigen nietigheid als een voorwaarde voor het ontvangen der genade. Deze kennis roeit twee 'pestilenties' uit: valse zekerheid en zelfvertrouwen. De wet wordt in dit verband een trap genoemd om tot Christus te komen. De Heere troost ons door het vertrouwen op Zijn barmhartigheid, die in Christus is.
Calvijn leert dus duidelijk: eerst de verbrijzeling door de wet, en daarna de troost door het evangelie. Hij noemt deze verbrijzeling echter meestal niet bekering of boetvaardigheid. Op andere plaatsen noemt Calvijn de verbrijzeling door de wet, die een trap is tot Christus, wel bekering of boetvaardigheid. Het individuele heilsproces begint bij Calvijn met verbrijzeling door de wet.
De wet komt niet als van een genadig God, maar met de autoriteit van de Schepper en Rechter. Deze verbrijzeling door de wet noemt Calvijn dikwijls: begin van de bekering. Hij plaatst de bekering niet voorop omdat zij geheel aan het geloof voorafgaat, maar omdat het begin van de bekering de voorbereiding is tot het geloof. Dit begin is het mishagen aan onszelf, dat ons vervult met vrees voor het oordeel Gods en ons voortdrijft om het middel te zoeken tegen onze boosheden.
Calvijn beschrijft de droefheid en angst der ziel, die voortkomt uit de kennis der zonde en het gevoel van Gods oordeel. Wanneer iemand tot de waarachtige kennis der zonden gebracht is, begint hij de zonden waarlijk te haten en te vervloeken, heeft hij van harte een mishagen aan zichzelf, belijdt hij dat hij rampzalig en verloren is, en wenst hij een ander mens te zijn. Dit wordt de verbrijzeling genoemd.
Calvijn kent deze verbrijzeling, die aan het geloof voorafgaat, doch noemt ze geen bekering. Hij noemt, zoals eerder vermeld, boetvaardigheid of bekering wat uit het geloof volgt en geboren wordt. Het heilsproces begint bij Calvijn bij het stuk der ellende. Christus openbaart zich aan niemand anders dan aan ellendige en benauwde zondaren.
Calvijn bestrijdt de mening dat men de bekering in enkele dagen kan afdoen, maar niet dat een verbrijzeling aan het geloof voorafgaat. Deze verbrijzeling werkt de wet. De mens is van zichzelf opgezwollen van aanmatiging en verblind door eigenliefde. Door de wet komen de verworpenen tot wanhoop; anderen laten alle hoge mening varen en gaan Christus zoeken. Deze negatieve voorbereiding is beslist nodig.
Het geweten moet gebracht worden voor de Rechterstoel Gods, totdat wij door een volkomen verslagenheid bekwaam gemaakt zijn om de genade van Christus te ontvangen. Alleen de mens die ontledigd is van iedere ingebeelde gerechtigheid, kan de genade ontvangen. De ontlediging geschiedt door de wet, die als een spiegel onze onmacht, ongerechtigheid en vervloeking doet bemerken.
De kennis en de belijdenis der zonde gaan voor de vergeving. De wet gaat voorop in de individuele heilsorde, met de bedoeling om als een tuchtmeester de kinderen tot Christus te voeren. De beste manier om voor te bereiden op de prediking van Christus is handelen over de verdorven natuur, de onmisbaarheid der genade, de beloofde Zaligmaker en de wijze om de zaligheid te verkrijgen.
Calvijn kleedt de mens helemaal uit. Pas als hij aan zijn eigen kracht vertwijfelt, komt het uitzicht naar de hulp van Boven vrij. De boetvaardigheid, die ook wel bekering wordt genoemd, komt voort uit het geloof. Maar het begin der dingen, dat bij de uitverkorene ook al een beetje bekering is, is de schrik des gewetens. Daar ligt een gedeelte van de bekering vóór het geloof. De bekering begint met vrees en haat jegens de zonde.
Dit mishagen, deze verbrijzeling, deze vrees voor de toorn Gods gaat aan het geloof vooraf. De schrik voor het aangezicht, gepaard met mishagen jegens de zonde, bereidt het geloof en de rechte bekering, die de heiligmaking is, voor. Calvijn staat in zijn onderwijs naast Luther en de H. Catechismus, en midden in de Reformatie.
Calvijn stelde dat de haat tegen de zonde, het beginsel van de boetvaardigheid, ons de eerste toegang openmaakt tot de kennis van Christus, die zichzelf aan niemand anders vertoont dan aan de ellendige en benauwde zondaren. Daarom moeten wij ons ganse leven lang naar de boetvaardigheid staan en die tot het einde toe vervolgen, om in Christus te bestaan. Christus is gekomen om de zondaars te roepen tot boetvaardigheid of bekering, en om onwaardige te zegenen, opdat een ieder zich afwende van zijn boosheid.
